Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003069-19 Uitspraak d.d.: 13 april 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 29 januari 2016 met parketnummer 16-241644-15 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 maart 2021. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. E. van Reydt, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 29 januari 2016 ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, kortgezegd: het opzettelijk aanwezig hebben van zextc-pillen en het voorhanden hebben van een veerdrukpistool, veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het vonnis op de voet van artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering is aangetekend en daarom niet de in hoger beroep voorgeschreven vermeldingen bevat. Daarnaast is de tenlastelegging in hoger beroep gewijzigd en komt het hof tot een (deels) andere bewezenverklaring, alsook een andere strafoplegging. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 20 maart 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2.hij op of omstreeks 20 maart 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen namelijk een pistool, merk Beretta, model 92FS , voorhanden heeft gehad. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 2 Door de raadsman is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het bij verdachte aangetroffen wapen een categorie 1 wapen in de zin van artikel 2, eerste lid aanhef onder 7°, van de Wet wapens en munitie, betreft. Nu niet kan worden uitgesloten dat het gaat om een imitatiewapen dat onder de Speelgoedrichtlijn valt, kan niet worden aangenomen dat het gaat om een imitatiewapen als bedoeld in artikel 3 van de Regeling wapens en munitie. Dit dient te leiden tot vrijspraak. Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Op 20 maart 2015 omstreeks 01.15 uur wordt verdachte aangehouden nadat hij zes xtc-pillen heeft gekocht. Bij zijn aanhouding zegt verdachte meteen dat hij een balletjespistool in zijn broeksband draagt. Hij draagt het balletjespistool bij zich omdat er bij hem is ingebroken en hij bang is om ‘die gasten’ tegen te komen. Het wapen wordt inbeslaggenomen. Het wapen is nader onderzocht door verbalisant [verbalisant] , werkzaam bij het bureau Wapens en Munitie binnen de afdeling Forensische Opsporing van politie Midden-Nederland, die relateert dat het een voorwerp betreft in de vorm van een pistool, merk en model onbekend, kaliber 6 mm en voorzien van nummer [nummer] , bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van dit voorwerp berust op een natuurkundig proces, in dit geval veerdruk. Het veerdrukpistool is een voorwerp dat voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een echt bestaand vuurwapen, namelijk een pistool, merk Beretta, model 92FS , en is derhalve voor bedreiging en afdreiging geschikt. Het veerdrukpistool is voorzien van niet-functionele onderdelen, zoals de keep/korrel, trekker, beugelkrop, veiligheidspal, huls-uitwerpopening, sledevangpal, patroonmagazijnpal en de naar achteren te halen slede, die bedoeld zijn om het voorwerp juist op een vuurwapen te doen gelijken. De verbalisant concludeert dat gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie het voorwerp een wapen is in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie 1 onder 7°, van de Wet wapens en munitie. Voor de beoordeling van het verweer van de raadsman zijn de volgende bepalingen van belang: artikel 13, eerste lid, Wet wapens en munitie Het is verboden een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan. artikel 2, eerste lid aanhef en onder 7° bij Categorie I, Wet wapens en munitie Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën. Categorie I (…) 7° andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn. artikel 3, aanhef en onder a, Regeling wapens en munitie Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen: a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG. artikel 2, eerste lid, Speelgoedrichtlijn Deze richtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (hierna "speelgoed" genoemd). De in bijlage I vermelde producten worden niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn beschouwd. Bijlage I bij de Richtlijn: Lijst van producten die, met name, niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn worden beschouwd (als bedoeld in artikel 2, lid 1) (…) 2. Producten voor verzamelaars, mits op het product of de verpakking ervan zichtbaar en leesbaar is aangegeven dat het bestemd is voor verzamelaars van 14 jaar en ouder. Voorbeelden van deze categorie zijn: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.