GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.272.542 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 222568) arrest van 13 april 2021 in de zaak van 1 [appellante1] , wonende te [B] , 2. [appellante2] , wonende te [C] , 3. [appellant3] , erfgenaam van [A] , wonende te [D] , 4. [appellante4] , erfgenaam van [A], wonende te [E] , 5. [appellant5] , erfgenaam van [A], wonende te [F] , 6. [appellante6], wonende te [G] , 7. [appellante7], wonende te [G] , appellanten, in eerste aanleg: eiseressen, hierna: ‘ [appellanten] c.s.’, advocaat: mr. B.J. van den Berg, tegen: 1 [geïntimeerde1] , wonende te [G] , 2. [geïntimeerde2], wonende te [G] , 3. [geïntimeerde3], wonende te [G] , 4. [geïntimeerde4], wonende te [G] , geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna: ‘ [geïntimeerden] c.s.’, advocaat: mr. M.F.A. Vreeswijk. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 februari 2021 hier over. In dat arrest is een meervoudige mondelinge behandeling bepaald die op 24 maart 2021 heeft plaatsgevonden. Ter gelegenheid daarvan heeft [appellanten] c.s. nog een productie ingebracht. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt (waaraan de namens de partijen voorgedragen spreekaantekeningen gehecht zijn). Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2De beoordeling in hoger beroep Samenvatting en beslissing 2.1 De heer [erflater] (hierna: erflater) heeft in 2005 van [geïntimeerden] c.s. de onroerende zaak aan de [a-straat 1] (welk adres intussen gewijzigd is in [b-straat 2] ) te [G] gekocht voor een prijs van € 565.000 (hierna: de onroerende zaak). De levering vond plaats bij akte van 22 februari 2005. In de koopovereenkomst d.d. 16 februari 2005 stond dat het om een vrijstaand woonhuis gaat en dat de onroerende zaak de feitelijke eigenschappen bezit die nodig zijn voor een normaal gebruik als woonhuis. Erflater is op 15 november 2015 overleden en heeft tot zijn overlijden in de onroerende zaak gewoond. [appellanten] c.s. zijn de erfgenamen van erflater. Op het perceel naast het door erflater gekochte perceel was een tuincentrum gevestigd geweest, dat al was gesloten ten tijde van de koop door erflater. Op de onroerende zaak rustte de bestemming ‘bedrijfswoning’. Dit heeft [geïntimeerden] c.s. in 2005 niet zelf aan erflater medegedeeld. Medio 2016 heeft [appellanten] c.s. de onroerende zaak via een makelaar ( [J] ) te koop aangeboden. De onroerende zaak is niet verkocht en staat thans leeg. 2.2 [appellanten] c.s. heeft [geïntimeerden] c.s. aansprakelijk gesteld op grond van toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatige daad dan wel dwaling vanwege verzwijging van de bestemming tegenover erflater. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellanten] c.s. afgewezen en heeft [appellanten] c.s. veroordeeld in de proceskosten. 2.3 [appellanten] c.s. heeft in hoger beroep vier bezwaren (grieven) aangevoerd tegen (r.o. 4.1 en 4.2 van) het eindvonnis van de kantonrechter. De feitenvaststelling is niet aangevallen, zodat het hof van dezelfde feiten uitgaat als de kantonrechter. Het hof is het eens met de kantonrechter, en legt hieronder uit hoe het tot dat oordeel komt. De wetenschap omtrent de bestemming ‘bedrijfswoning’ 2.4 Met grief 1 stelt [appellanten] c.s. aan de orde dat er voor dit geval een uitzondering op de bewijslastverdeling volgens artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gemaakt moet worden. Dit op grond van de bijzondere regel dat ontkenningen of negatieve feiten niet hoeven te worden bewezen, dan wel omdat de bijzondere omstandigheden van het geval nopen tot omkering van de bewijslast op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Subsidiair vindt [appellanten] c.s. dat er een bewijsopdracht gegeven moet worden omdat de zaak niet op grond van (alleen) de schriftelijke stukken door het hof kan worden beslist. 2.5 Het hof stelt met de kantonrechter vast dat aan alle vorderingen van [appellanten] c.s. ten grondslag ligt de stelling dat erflater ten tijde van de koop en levering van de onroerende zaak niet wist dat daarop de bestemming ‘bedrijfswoning’ rustte. [appellanten] c.s. beroept zich ook in hoger beroep op de rechtsgevolgen van het “verzwijgen” van die bestemming door [geïntimeerden] c.s. – een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatige daad van [geïntimeerden] c.s., dan wel aan [geïntimeerden] c.s. toe te rekenen dwaling, die de ontbinding dan wel vernietiging van de koopovereenkomst uit 2005 rechtvaardigt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het daarom volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv niet aan [geïntimeerden] c.s. is om te bewijzen dat erflater van die bestemming wist, maar dat het aan [appellanten] c.s. is om te bewijzen dat erflater daar niet van wist. Dat strookt wat betreft de gestelde non-conformiteit ook met artikel 7:17 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat bepaalt dat de koper zich niet erop kan beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer hem dit ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was óf redelijkerwijs bekend kon zijn. 2.6 Het hof acht hier geen bijzondere regel van bewijslastverdeling van toepassing die het voorgaande anders maakt. Met name geldt er in het procesrecht niet een absoluut verbod van het moeten leveren van bewijs van een negatief feit of een ontkenning. Ook voor omkering van de bewijslast op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid ziet het hof geen aanleiding. [appellanten] c.s. heeft geen rechtens relevante feiten of omstandigheden gesteld die een omkering van de bewijslast rechtvaardigen. [appellanten] c.s. beroept zich op bewijsnood maar het bestaan van bewijsnood is op zich onvoldoende reden voor omkering van de bewijslast. Er is overigens niet gesteld of gebleken dat [appellanten] c.s. door toedoen van [geïntimeerden] c.s. in een onmogelijk zware bewijspositie is geraakt. 2.7 In hoger beroep heeft [appellanten] c.s. aangegeven niet te beschikken over enig document waaruit de aan- of afwezigheid van wetenschap van erflater omtrent de bestemming ‘bedrijfswoning’ blijkt, noch bekend te zijn met enige uitlating van erflater daaromtrent. Dat de bestemming ‘bedrijfswoning’ niet in de koopovereenkomst en de akte van levering uit 2005 is opgenomen en destijds niet door [geïntimeerden] c.s. aan erflater is medegedeeld, betekent ook volgens het hof niet dat erflater daarvan niet op de hoogte was – nog afgezien van de vraag of erflater niet op de hoogte kón zijn omdat de bestemming ‘bedrijfswoning’ kenbaar was uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan (zoals [geïntimeerden] c.s. heeft gesteld en [appellanten] c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft betwist). 2.8 [appellanten] c.s. beroept zich er vooral op dat de koopprijs die erflater voor de onroerende zaak heeft betaald past bij een ‘gewoon’ woonhuis, want een bedrijfswoning zou zeker 1/3 minder waard geweest zijn. Daar leidt [appellanten] c.s. uit af dat erflater onbekend moet zijn geweest met de bestemming. Ter zitting is in dat verband toegelicht dat er in 2017 een bod van € 300.000 is uitgebracht door een potentiële koper die had gezien dat volgens het bestemmingsplan van een bedrijfswoning sprake is. Dat is een veel lager bedrag dan de door de makelaar van [appellanten] c.s. geadviseerde vraagprijs van € 545.000, die paste bij een woning zonder bedrijfsbestemming. [geïntimeerden] c.s. heeft over de destijds door zijn makelaar gehanteerde vraagprijs van de onroerende zaak gesteld en ter zitting toegelicht dat deze aanvankelijk veel hoger was, zeker zeven ton, en vervolgens telkens naar beneden is bijgesteld. Volgens [geïntimeerden] c.s. was dit onvermijdelijk omdat er zich geen gegadigden meldden door de onzekerheid over de (plannen voor
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.