GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.290.259/02 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 509482) beschikking van 13 april 2021 op het verzoek tot schorsing en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster, verder te noemen: de moeder, advocaat: voorheen mr. G.J. de Hosson te Utrecht, thans mr. E.J. Coxon te Utrecht, en [verweerder] , wonende te [B] , verweerder, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. S. van Buuren te Rotterdam. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 december 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot de verzoeken tot schorsing en tot het treffen van een voorlopige voorziening 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing en tot het treffen van een voorlopige voorziening met producties, ingekomen op 16 februari 2021; het verweerschrift in de hoofzaak en met betrekking tot de verzoeken tot schorsing en tot het treffen van een voorlopige voorziening met producties; een journaalbericht van mr. Van Buuren van 22 maart 2021 met producties; een journaalbericht van mr. Coxon van 26 maart 2021 met een productie. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 29 maart 2021 plaatsgevonden. In verband met het coronavirus heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een telefonische (beeld)verbinding (telehoren). Via deze verbinding waren de moeder en haar advocaat en de vader en zijn advocaat aanwezig. De raad was, met kennisgeving vooraf, niet aanwezig. 3De feiten 3.1 Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2017 in [C] , over wie zij samen het gezag uitoefenen. 3.2 Partijen zijn nog met elkaar gehuwd, maar zijn in maart 2020 feitelijk uit elkaar gegaan, waarna de moeder in maart 2020 met [de minderjarige] vanuit de voormalige echtelijke huurwoning in [B] is verhuisd naar [A] . Tussen partijen loopt een echtscheidingsprocedure. 4De omvang van het geschil 4.1 In de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang: de moeder geboden uiterlijk 1 maart 2021 met [de minderjarige] terug te verhuizen naar de omgeving van [C] of [B] , en indien de moeder dit gebod niet opvolgt: de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] met ingang van 1 maart 2021 vastgesteld bij de vader en de vader met ingang van 1 maart 2021 vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven op het kinderdagverblijf [D] in [B] . 4.2 In deze beschikking beslist het hof slechts op de verzoeken van de moeder om primair schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking en subsidiair bij wege van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [de minderjarige] iedere week van zondag 17.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de moeder zal verblijven. De vader voert gemotiveerd verweer. 5De motivering van de beslissing Schorsing 5.1 Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 5.2 Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.