GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummers 19/00481 en 19/00482 uitspraakdatum: 20 april 2021 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 maart 2019, nummers AWB 16/6401 en 16/6402, ECLI:NL:RBGEL:2019:1082, in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Ontvanger) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende is bij afzonderlijke beschikkingen van 23 april 2015 (hierna ook: de beschikkingen) op grond van artikel 40 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven belastingaanslagen in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) van respectievelijk [A] B.V. (hierna: [A] ) en [B] B.V. (hierna: [B] ). 1.2. De Ontvanger heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de Ontvanger en de Staat veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van immateriële schade, elk tot een bedrag van € 1.000, de Ontvanger en de Staat veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Ontvanger en de Staat gelast het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ontvanger heeft verweer gevoerd. 1.5. Op 28 oktober 2020 heeft te Arnhem een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. De Ontvanger is verschenen. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Na de zitting heeft het Hof van de gemachtigde van belanghebbende een brief, met een bijlage, ontvangen, waarin zij onder meer heeft geschreven dat zij de uitnodiging voor de zitting niet heeft ontvangen en dat zij verzoekt om heropening van het onderzoek. Het Hof heeft dit verzoek gehonoreerd. 1.6. Het (nieuwe) onderzoek ter zitting, dat gelijktijdig en gezamenlijk heeft plaatsgevonden met de zaken van [C] (met procedurenummers 19/00479 en 19/00480) en [D] (met procedurenummers 19/00483 en 19/00484), heeft plaatsgevonden te Leeuwarden op 9 maart 2021. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende, zijn moeder [C] (hierna: de moeder) en zijn broer [D] (hierna: de broer) zijn voormalig middellijk houders van aandelen in [A] en [B] . De moeder hield middellijk 18,75% van de aandelen in [A] en 23,75% van de aandelen in [B] . Belanghebbende en de broer hielden middellijk elk 24,75% van de aandelen in [A] en 24,95% van de aandelen in [B] . 2.2. De materiële ondernemingen van [A] en [B] (recreatieparken) zijn op of omstreeks 25 februari 2008 verkocht. In totaal is hiervoor € 4.610.000 ontvangen. 2.3. Per 30 december 2010 zijn de onder 2.1 genoemde aandelen die belanghebbende middellijk hield ter certificering overgedragen aan Stichting [E] en Stichting [F] , en is belanghebbende middellijk certificaathouder geworden. Op 30 september 2011 zijn de certificaten verkocht en overgedragen aan Stichting [G] . Bij deze stichting zijn belanghebbende, de moeder en de broer niet betrokken. De totale koopprijs van de certificaten van aandelen in [A] bedraagt € 18.151. Voor de certificaten van aandelen in [B] is eenzelfde koopprijs gehanteerd. 2.4. Tot de stukken van het geding behoren de overdrachtsbalansen per 30 september 2011 van [A] en [B] . De balans van [A] luidt als volgt (in euro’s): ACTIVA VASTE ACTIVA FINANCIËLE ACTIVA Vorderingen op groepsmaatschappijen 2.152.497 Participanten en andere maatschappijen waarin wordt deelgenomen 28.251 Totaal 2.180.748 VLOTTENDE ACTIVA 45.443 TOTAAL 2.226.191 PASSIVA EIGEN VERMOGEN 18.151 VOORZIENINGEN 229.507 LANGLOPENDE SCHULDEN Schulden aan groepsmaatschappijen 41.046 KORTLOPENDE SCHULDEN Aandeelhouders 1.778.946 Crediteuren 149.758 Overige schulden 8.682 Totaal 1.937.386 TOTAAL 2.226.191 De balans van [B] luidt als volgt (in euro’s): ACTIVA VASTE ACTIVA MATERIËLE VASTE ACTIVA 6.368 FINANCIËLE ACTIVA 2.625.170 Totaal 2.631.538 VLOTTENDE ACTIVA 128.990 TOTAAL 2.760.528 PASSIVA EIGEN VERMOGEN 1.271.402 VOORZIENINGEN 363.968 LANGLOPENDE SCHULDEN Schulden aan groepsmaatschappijen 403.430 KORTLOPENDE SCHULDEN 199.750 Schuld aandeelhouders 521.978 TOTAAL 2.760.528 Blijkens de toelichting op de balans bestaat het bedrag van de financiële activa voor € 2.540.601 uit vorderingen op groepsmaatschappijen en voor € 84.569 uit een vordering op participanten en andere maatschappijen waarin wordt deelgenomen. 2.5. Op of omstreeks 29 april 2010 heeft [A] aangifte voor de Vpb gedaan voor het jaar 2008. In de aangifte is onder meer rekening gehouden met de vorming van een herinvesteringsreserve (hierna: HIR) van € 918.520. 2.6. Op of omstreeks 29 april 2010 heeft [B] aangifte voor de Vpb gedaan voor het jaar 2008. In de aangifte is onder meer rekening gehouden met de vorming van een HIR van € 1.539.713. 2.7. Met dagtekening 5 juni 2010 is een voorlopige aanslag in de Vpb voor het jaar 2008 ten name van [B] opgelegd. Het op grond daarvan te betalen bedrag beloopt € 9.063, bestaande uit € 8.460 aan Vpb en € 603 aan heffingsrente. Met dagtekening 4 september 2010 is een voorlopige aanslag in de Vpb voor het jaar 2009 ten name van [B] opgelegd. Het op grond daarvan te betalen bedrag beloopt € 15.465, bestaande uit € 15.014 aan Vpb en € 451 aan heffingsrente. Beide voorlopige aanslagen zijn gericht aan het adres [a-straat] 60 te [Z] . 2.8. De inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur) heeft bij brief van 27 augustus 2010 vragen aan de belastingadviseur van [A] en [B] gesteld over de HIR. Hierop heeft de belastingadviseur bij brief van 8 november 2010 gereageerd. Vervolgens heeft de Inspecteur bij brief van 17 februari 2011 aanvullende vragen gesteld. Toen een reactie uitbleef, is de brief van 17 februari 2011 bij brief van 30 maart 2011 opnieuw onder de aandacht van de belastingadviseur gebracht. Daarop heeft de belastingadviseur bij brief van 28 april 2011 gereageerd. 2.9. Bij brief van 24 augustus 2012 heeft de Inspecteur aan de belastingadviseur als voorlopig standpunt te kennen gegeven dat hij de HIR niet zal accepteren. 2.10. Met dagtekening 29 september 2012 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag in de Vpb ten name van [A] voor het jaar 2008 opgelegd. Hierbij heeft de Inspecteur de vorming van de HIR gecorrigeerd. Deze aanslag resulteerde in een te betalen bedrag aan Vpb van € 223.132. Daarnaast is € 29.354 heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag is gericht aan het adres [postbus 1] te [H] . 2.11. Ook bij het opleggen van de definitieve aanslag in de Vpb voor het jaar 2008 ten name van [B] , met dagtekening 29 september 2012, heeft de Inspecteur de vorming van de HIR gecorrigeerd. Dit resulteerde in een te betalen bedrag aan Vpb van € 390.251. Ook is € 51.339 aan heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag is gericht aan het adres [a-straat] 60 te [Z] . 2.12. Met dagtekening 6 juli 2013 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag in de Vpb voor het jaar 2009 ten name van [B] opgelegd. Na verrekening van de voorlopige aanslag resteert daarop een te betalen bedrag aan Vpb van € 190. Daarnaast is € 20 aan heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag is gericht aan het adres [b-straat] 46 te [I] . 2.13. Wegens het uitblijven van betaling van de hiervoor genoemde vijf belastingaanslagen zijn zowel aanmaningen als dwangbevelen verzonden. Bij gebreke van betaling heeft de Ontvanger de deurwaarder in april 2013 opgedragen beslag te leggen. Ter plaatse ( [a-straat] 60 te [Z] ) vernam de deurwaarder dat [A] en [B] daar niet meer gevestigd waren. 2.14. Bij afzonderlijke beschikkingen van 23 april 2015 is belanghebbende door de Ontvanger op grond van artikel 40 van de IW aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven – onder 2.7, 2.10, 2.11 en 2.12 genoemde – belastingaanslagen in de Vpb van respectievelijk [A] en [B] . Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 55.225 (= 0,2475 x € 223.132) ter zake van de Vpb-schuld van [A] en voor een bedrag van € 103.269 (= 0,2495 x (€ 8.460 + 15.014 + 390.251 + 190)) ter zake van de Vpb-schulden van [B] . Belanghebbende is niet aansprakelijk gesteld voor de bij de belastingaanslagen in rekening gebrachte heffingsrente. De moeder en de broer zijn bij beschikkingen van dezelfde datum eveneens aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven Vpb-schulden van beide vennootschappen. 3Geschil 3.1. In geschil is of belanghebbende terecht op grond van artikel 40 van de IW bij beschikkingen aansprakelijk is gesteld voor door [A] en [B] niet-betaalde Vpb ten bedrage van € 55.225 respectievelijk € 103.269. 3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken van de Inspecteur en van de beschikkingen. In hoger beroep heeft belanghebbende daaraan toegevoegd dat de beschikkingen reeds dienen te worden vernietigd wegens verjaring van de betreffende belastingaanslagen. 3.3. De Ontvanger beantwoordt de onder 3.1 genoemde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil Verjaring belastingaanslagen 4.1. De gemachtigde van belanghebbende heeft – voor het eerst – tijdens de zitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de beschikkingen reeds dienen te worden vernietigd wegens verjaring van de betreffende belastingaanslagen. Daartoe heeft de gemachtigde onder meer aangevoerd dat de Ontvanger niet tijdig en op de juiste wijze de verjaring van de belastingaanslagen heeft gestuit. Volgens de gemachtigde is alleen de verjaring van de aansprakelijkheidsstelling zelf gestuit. De gemachtigde wijst er in dit verband op dat in de meest recente stuitingsbrief van 30 juni 2020 aan de aansprakelijkgestelden, die op zichzelf al te laat is, geen stuiting van de verjaring van de onderliggende belastingschulden van de – in 2016 en 2017 ontbonden – belastingschuldigen is opgenomen. De Ontvanger heeft gesteld dat dit nieuwe standpunt tardief dient te worden verklaard, omdat dit standpunt in strijd met een goede procesorde in een te laat stadium is ingenomen en hij daarop zonder nader feitenonderzoek niet inhoudelijk kan reageren. De Ontvanger gaat ervan uit dat de stuiting van de verjaring van de belastingschulden tijdig en op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, omdat het invorderingssysteem dit bijhoudt en automatisch stuitingsbrieven genereerd, zodat zonder nader onderzoek niet kan worden gezegd dat de belastingschulden zijn verjaard. 4.2. Het Hof gaat voorbij aan de eerst ter zitting opgeworpen stelling van belanghebbende dat de aan de aansprakelijkheidsschuld ten grondslag liggende belastingschulden, op enig moment na het nemen van de beschikkingen en na de ontbinding van de belastingschuldigen, zijn verjaard. Het Hof beschouwt deze stelling als tardief, omdat de behandeling van deze nieuwe stelling niet in overeenstemming is met een goede procesorde. Het Hof acht daarvoor van belang dat deze stelling dwingt tot een nader onderzoek van feitelijke aard, de Ontvanger heeft gesteld daarop niet te kunnen reageren en niet valt in te zien waarom belanghebbende deze stelling niet in een eerder stadium van de procedure dan op de zitting van het Hof naar voren heeft kunnen brengen. De omstandigheid dat de gemachtigde, zoals zij ter zitting desgevraagd heeft verklaard, pas tijdens een recente cursus op de hoogte raakte van de voor deze stelling vereiste juridische kennis, blijft daarom voor rekening en risico van belanghebbende. Het Hof volgt belanghebbende evenmin in zijn betoog dat de stukken omtrent de stuiting van de verjaring op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, die de Ontvanger om die reden uit eigen beweging had moeten inbrengen zodat belanghebbende niet kan worden tegengeworpen dat nog een onderzoek van feitelijke aard dient plaats te vinden. Tot de op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (vgl. HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672). In het onderhavige geval was de eventuele verjaring van de onderliggende belastingschulden geen tussen partijen bestaand geschilpunt, zodat de Ontvanger niet gehouden was de genoemde stukken over te leggen. In het licht van het voorgaande laat het Hof het algemeen belang van een doelmatigde procesgang en de gerechtvaardigde procedurele belangen van de Ontvanger prevaleren boven het belang van belanghebbende om deze nieuwe stelling in te nemen. Bekendmaking belastingaanslagen 4.3. Belanghebbende heeft voorts betwist dat [A] en [B] de hun voor het jaar 2008 opgelegde definitieve aanslagen in de Vpb hebben ontvangen. Omdat deze aanslagen niet op de juiste wijze bekend zijn gemaakt, kan belanghebbende voor de daarop betrekking hebbende bedragen niet aansprakelijk worden gesteld. Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd dat de aanslagen naar het verkeerde adres zijn gestuurd. Ten tijde van het versturen van de aanslagen (met dagtekening 29 september 2012) was het voor [A] gebruikte adres [postbus 1] te [H] noch het vestigingsadres, noch het postadres, en was het voor [B] gebruikte adres [a-straat] 60 te [Z] al anderhalf jaar niet meer het vestigingsadres. Volgens belanghebbende heeft [B] op 4 april 2011 een adreswijziging (in [b-straat] 46 te [I] ) doorgegeven aan de Kamer van Koophandel, welke wijziging de Belastingdienst ten onrechte niet heeft overgenomen in zijn systemen. Volgens de Ontvanger zijn de aanslagen wel naar het juiste adres verzonden. Het adres [postbus 1] te [H] is het door [A] zelf opgegeven postadres (toezendadres) voor de Vpb, blijkend uit de registratie in het systeem “Beheer van relaties” (BvR). Het adres [a-straat] 60 is het vestigingsadres van [B] , zoals opgenomen in het BvR, van 27 oktober 2010 tot 15 mei 2013, aldus de Ontvanger. 4.4. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de betreffende belastingaanslagen zijn verzonden en aan evenvermelde adressen zijn gericht. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Die regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan deze dienst is te wijten. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (vgl. HR 5 maart 2004, nr. 39.245, ECLI:NL:HR:2004:AO5063). 4.5. Dat sprake is van een verkeerde adressering als hiervoor bedoeld, is het Hof niet gebleken. Het in het BvR opgenomen postadres [postbus 1] te [H] heeft, naar de Ontvanger geloofwaardig heeft verklaard, te gelden als een “verplicht toezendadres” dat door de belastingplichtige zelf wordt doorgegeven aan de Belastingdienst. De stelling van belanghebbende dat [A] dit adres niet heeft opgegeven, acht het Hof niet aannemelijk, temeer niet nu dit postadres ook door diverse aan [A] en [B] gelieerde vennootschappen als zodanig wordt gebruikt. Voorts is als vestigingsadres van [B] in de periode 27 oktober 2010 tot 15 mei 2013 in het BvR het adres [a-straat] 60 te [Z] vermeld. Het Hof constateert dat uit het tot de stukken van het geding behorende wijzigingsformulier (naast de nieuwe handelsnaam) niet is op te maken welk adres [B] heeft doorgegeven – de betreffende pagina (vraag 5) is door belanghebbende niet overgelegd –, hoewel de Ontvanger daar nadrukkelijk op heeft gewezen. Uit een tot de stukken van het geding behorend overzicht van de historische gegevens van [B] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel zijn twee adressen als vestigingsadres met datum van ingang 1 april 2011 vermeld, te weten [a-straat] 60 te [Z] en [b-straat] 46 te [I] . Gelet hierop kan, daargelaten dat niet is komen vast te staan dat de Kamer van Koophandel toentertijd automatisch adreswijzigingen doorgaf aan de Belastingdienst, niet worden geoordeeld dat door het hanteren van het adres [a-straat] 60 te [Z] sprake is van een aan de Ontvanger te wijten verkeerde adressering. Belanghebbende heeft, met wat zij overigens heeft aangevoerd, voorts niet aannemelijk gemaakt dat de betreffende belastingaanslagen [A] en [B] nimmer hebben bereikt. Het Hof merkt hierbij op dat uit de stukken volgt dat beide adressen (nog steeds) als adres worden gebruikt van diverse gelieerde vennootschappen, zodat ook om die reden niet valt in te zien dat de belastingaanslagen [A] en [B] (uiteindelijk) niet hebben bereikt. 4.6. Gelet op het voorgaande zijn de definitieve aanslagen in de Vpb voor het jaar 2008 op de juiste wijze bekend gemaakt, zodat het standpunt van belanghebbende niet slaagt. Aansprakelijkheid op grond van artikel 40, lid 1, IW 4.7. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de IW (tekst 1 januari 2015) is de (groot)aandeelhouder van een vennootschap aansprakelijk, indien de bezittingen van de vennootschap in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, hij de aandelen in deze vennootschap vervreemdt, en het vermogen van de vennootschap anders dan door de normale bedrijfsvoering is verminderd in de vijf jaren voorafgaande aan de vervreemding, het jaar van vervreemding dan wel in de drie jaren daarna. 4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de hiervoor onder 4.7 genoemde voorwaarden is voldaan. Het Hof ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Dit brengt met zich dat belanghebbende blijkens artikel 40, eerste lid, van de IW aansprakelijk is voor een gedeelte van de Vpb die de desbetreffende vennootschap is verschuldigd aan het einde van het jaar waarin de vervreemding plaatsvindt en de Vpb die verschuldigd wordt over de drie jaren daarna in verband met de op het tijdstip van vervreemding aanwezige stille en in het kader van de heffing van de Vpb toegelaten fiscale reserves. 4.9. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof – eveneens voor het eerst – het standpunt ingenomen dat uit de tekst van artikel 40, eerste lid, van de IW, kan worden afgeleid dat hij op grond van deze bepaling alleen aansprakelijk kan worden gesteld voor
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.