GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer 20/00569 beslissingsdatum: 28 april 2021 Beslissing van de tweede meervoudige belastingkamer op het beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) in het geding tussen de Inspecteur en [X] domicilie kiezende te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2020, nummer AWB 17/6980, ECLI:NL:RBGEL:2020:1636. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikking is heffingsrente berekend. 1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). 1.4. De Inspecteur heeft hangende de beroepsprocedure stukken aan de Rechtbank overgelegd en daarbij een beroep op (gedeeltelijke) geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan. Deze stukken zijn ook in een geschoonde versie aan belanghebbende overgelegd. 1.5. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij beslissing van 11 december 2018 geoordeeld dat de beperking van de kennisneming - met enige aanpassingen - van de stukken en daarmee de geheimhouding van de identiteit van de tipgever en een derde die op initiatief van de Inspecteur is benaderd (hierna: de derde) gerechtvaardigd is. 1.6. Bij brief van 16 januari 2019, na de beslissing van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank, heeft de Inspecteur de gehele, in eerste instantie geanonimiseerde, agenda van de personal trainer van belanghebbende, de heer [A] , in ongeschoonde versie overgelegd en in het geding gebracht. 1.7. De Rechtbank heeft op 10 maart 2020 uitspraak gedaan. 1.8. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.9. De Inspecteur heeft in het verweerschrift in hoger beroep gesteld dat hij volledig uitvoering heeft gegeven aan het dictum van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank en heeft verder geen ongeschoonde versie van de betreffende stukken (zie 1.4.) overgelegd. Hieruit heeft het Hof begrepen dat de Inspecteur met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, ook in hoger beroep weigert de (niet-geschoonde) stukken te overleggen en de identiteit van de tipgever en de derde te openbaren. 1.10. Bij brief van 23 februari 2021 heeft het Hof aan partijen medegedeeld dat de geplande zitting een zitting van de geheimhoudingskamer zal zijn. 1.11. In het procesdossier van de geheimhoudingskamer bevindt zich een set geschoonde stukken (hierna ook: geschoonde versie) en een set ongeschoonde stukken (hierna ook: ongeschoonde versie) waarvoor het beroep op (gedeeltelijke) geheimhouding is gedaan, en ook de stukken waarmee de Inspecteur gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank. 1.12. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze beslissing is gehecht. 2Overwegingen 2.1. Het Hof stelt voorop dat niet in geschil is dat de stukken in de ongeschoonde versie op de zaak betrekking hebbende stukken zijn zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Daarnaast heeft de Inspecteur ter zitting van het Hof geloofwaardig verklaard dat hij alle in welke vorm dan ook bestaande stukken - behoudens een enkele aankondigingsbrief aan de heer [A] en een brief inzake een derdenonderzoek bij een reisbureau - in de ongeschoonde versie heeft overgelegd. De nog niet overgelegde stukken, waarvoor geen beroep op artikel 8:29 van de Awb zal worden gedaan, zal hij alsnog aan het Hof en belanghebbende zenden. De kamer van het Hof die de hoofdzaak zal behandelen, zal – indien en voor zover daar nog een geschil over bestaat – beslissen over de vraag of er nog meer op de zaak betrekking hebbende stukken zijn zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De geheimhoudingskamer van het Hof beperkt zich tot de beslissing of beperking van de kennisneming van (delen van) de thans overgelegde stukken gerechtvaardigd is. Het Hof heeft bij zijn beoordeling kennis genomen van het gehele procesdossier. 2.2. Op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, kan de inspecteur – indien daarvoor gewichtige redenen zijn – weigeren stukken, of gedeelten daarvan, over te leggen dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis te brengen. Bij de toepassing van dit artikellid dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de Inspecteur voor geheimhouding of beperkte kennisneming aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding of beperkte kennisneming rechtvaardigen. 2.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor de hierna te noemen stukken kennisneming van (delen van) deze stukken is voorbehouden aan het Hof (beperkte kennisneming) als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Deze stukken zien op: informatie van de tipgever die anoniem wil blijven; informatie van de derde die anoniem wil blijven en aan wie anonimiteit is toegezegd; het dossier van belanghebbende bij [B] ; 2.4. De Inspecteur heeft voor het schonen van (passages
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.