GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummers gerechtshof 200.250.556/01 en 200.257.421/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 183912) arrest van 19 januari 2021 in de zaak met nummer 200.250.556/01 van: 1 [appellant zaak 1/geïntimeerde1 zaak 2] , wonende te [A] , hierna: [appellant zaak 1/geïntimeerde1 zaak 2],
(7)terugbetaling van een bedrag van € 3.976,61. Dit bedrag zou ten onrechte door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] aan [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. in rekening zijn gebracht en betaald. Ad 1 extra deskundigenkosten, ad 5 kosten schade en ad 6 aanvragen offerte 4.14 In eerste aanleg hebben [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. ook deskundigenkosten gevorderd tot een bedrag van € 3.962,75. Voor zover dit bedrag ook nu nog wordt gevorderd, is geen sprake van een wijziging van eis. De wijziging van eis betreft de door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. gevorderde extra deskundigenkosten van Bouwadvies Van Maaren (€ 1.206,98 van 1 april 2020). Hoewel [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de eiswijziging staat het hof de eiswijziging toe, nu ook overigens niet is gebleken dat deze in strijd is met de goede procesorde. [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. konden deze kosten niet eerder vorderen. Hetzelfde geldt voor de kosten voor het aanvragen van een offerte (€ 577,- van 22 juni 2020) en de schade die is ontstaan als gevolg van de herstelwerkzaamheden die door dan wel namens [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] zijn uitgevoerd (€ 65,99 van 5 maart 2020). Of de kosten ook toewijsbaar zijn, zal hierna blijken. Ad 3 en ad 4 woonlasten en reiskosten 4.15 In eerste aanleg hebben [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. vergoeding gevorderd van de extra woonlasten en reiskosten die zij hebben gemaakt. In hoger beroep maken [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. na wijziging van eis voor wat betreft de woonlasten aanspraak op een bedrag van in totaal€ 6.150,- over de periode 1 april 2017 tot 22 december 2018 en voor wat betreft de reiskosten op een bedrag van in totaal € 19.297,31 over de periode 1 april 2017 tot 22 december 2018. In hoger beroep wordt uitgegaan van een kortere periode dan in eerste aanleg. In eerste aanleg werd gerekend vanaf 1 januari 2017 terwijl in de gewijzigde eis wordt gerekend vanaf 1 april 2017. In zoverre is er dan ook sprake van een vermindering van eis. Verder is het bedrag waarop aanspraak wordt gemaakt niet gewijzigd, maar een concretisering van de vordering zoals die in eerste aanleg ook was geformuleerd. Het hof verwerpt het bezwaar van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] dan ook en staat de eiswijziging toe, nu het hof ook overigens niet is gebleken dat deze in strijd is met de goede procesorde. Ad 2. kosten herstel woning en ad 7. onverschuldigde betaling. 4.16 Zowel voor de kosten die [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. hebben moeten maken om de woning in [A] te kunnen betrekken nadat de ouders van [appellant zaak 1/geïntimeerde1 zaak 2] hun woning hadden verkocht en zij daar niet meer konden wonen als voor de door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. gevorderde kosten voor herstel van de woning, geldt dat deze kosten al langere tijd – ruim voor het indienen van de memorie van grieven door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. – bekend waren. De facturen voor herstel van de woning dateren van 23 januari 2018 en bij antwoordakte van 21 november 2018 in eerste aanleg hebben [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. al het standpunt ingenomen dat er sprake is van onverschuldigde betaling. De eisvermeerdering heeft niet bij eerste memorie plaatsgevonden. Door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. is niet toegelicht waarom in dit geval sprake is van een uitzonderingssituatie die maakt dat de eisvermeerdering wel toelaatbaar is, terwijl de facturen al geruime tijd bekend waren. Het hof staat de eiswijziging op dit punt dan ook niet toe. De grieven De vordering tot schadevergoeding van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. 4.17 [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. zijn met vier grieven opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de schadevergoedingsvorderingen van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. niet toewijsbaar zijn. Het oordeel van de rechtbank komt er kort gezegd op neer dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] met de brief van 2 juni 2017 van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. in verzuim is geraakt, maar dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] het verzuim nadien heeft gezuiverd. Het verzuim is daarmee geëindigd en [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. zijn niet bevoegd schadevergoeding van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] te vorderen, aldus de rechtbank. Met de grieven I en II komen [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat het verzuim is gezuiverd door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] . Grief III borduurt voort op deze grieven, nu [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. opkomen tegen de afwijzing van hun vordering tot schadevergoeding omdat geen sprake is verzuim. Grief IV is een veeggrief. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] komt in het door hem ingestelde incidenteel appel met één grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] met de brief van 2 juni 2017 in verzuim is geraakt. 4.18 Het hof zal hieronder eerst ingaan op de verzuimvraag hetgeen van belang is voor de vraag of [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. bevoegd waarvan de oorspronkelijke verbintenis tot schadevergoeding om te zetten in vervangende schadevergoeding (hetgeen zij bij dagvaarding hebben gedaan ex artikel 6:87 BW) en voor de vraag of [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. aanspraak kunnen maken op aanvullende schadevergoeding. Vervolgens zal het hof ingaan op de gevorderde vervangende schadevergoeding en ten slotte op de diverse schadeposten in verband met de gevorderde aanvullende schadevergoeding. Heeft de brief van 2 juni 2017 tot verzuim geleid? Antwoord: ja 4.19 In de brief van 2 juni 2017 heeft de gemachtigde van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. voor zover van belang geschreven: “Op grond van het vorenstaande [expertiserapport Hanselman 23 mei 2017, toevoeging hof] sommeer ik u namens cliënten om binnen vijf weken na dagtekening van deze brief over te gaan tot (deugdelijk) herstel van de gebreken aan het door u uitgevoerde werk en de aanbouw alsnog conform de verleende omgevingsvergunning en de door de gemeente goedgekeurde bouwtekening te realiseren. Indien u het voorgaande nalaat, ben u juridisch in verzuim.” De termijn liep tot 8 juli 2017. Namens [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] is door [D] bij brief van 16 juni 2017 inhoudelijk gereageerd. De reactie komt er op neer dat niet alle gebreken in het rapport van Hanselman worden erkend en voorgesteld wordt om eerst in overleg te treden over de uit te voeren herstelwerkzaamheden. In reactie hierop laat de gemachtigde van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. bij e-mail van 3 juli 2017 weten dat zij niet instemmen met het voorstel van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] , dat de termijn om de gebreken te herstellen binnenkort verloopt en dat zij zich alle rechten en weren voorbehouden. Namens [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] is vervolgens door [D] gereageerd bij brief van 10 juli 2017 waarin is aangegeven welke werkzaamheden [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] bereid is uit te voeren. Uit deze gang van zaken volgt dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] binnen de gestelde termijn van vijf weken niet tot herstel van de gebreken is overgegaan. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] heeft zich weliswaar bereid getoond een deel van de werkzaamheden, na overleg te herstellen, maar dit is in het licht van de sommatie niet voldoende. Hieraan doet niet af dat namens [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. is aangegeven dat zij het gevraagde herstelplan afwachten, omdat zij [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] tegelijkertijd hebben gewezen op de termijn zodat niet kan worden gezegd dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. afstand hebben gedaan van de gestelde termijn. Verder is bij de ingebrekestelling ook niet de voorwaarde van een herstelplan gesteld. Dat herstelplan is pas aan de orde gekomen in verband met de wens van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] om in overleg te treden over de uit te voeren herstelwerkzaamheden. Anders dan [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] meent, kan uit de briefwisseling verder niet worden opgemaakt dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] niet daadwerkelijk in de gelegenheid hebben willen stellen om na te komen. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] dan ook in verzuim geraakt. Dat de gegeven termijn van vijf weken te kort zou zijn, is niet gebleken. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] voert in dit kader nog aan dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. hem geen toegang tot het werk hebben verleend, maar [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] gaat er aan voorbij dat hij in de periode van vijf weken nimmer heeft verzocht om toegang tot het werk en ook overigens is niet gebleken dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] de toegang hebben geweigerd. Is het verzuim gezuiverd? Antwoord: nee 4.20 Een schuldenaar kan het verzuim zuiveren door alsnog behoorlijk na te komen. De schuldeiser mag een aanbod tot nakoming weigeren, wanneer zulks niet vergezeld gaat van een aanbod tot betaling van de inmiddels verschuldigd geworden schadevergoeding en van de kosten (artikel 6:86 BW). Aan welke eisen een aanbod tot nakoming moet voldoen is recent door de Hoge Raad nader uiteengezet. Daaruit volgt dat het in art. 6:86 BW bedoelde aanbod tot betaling van ‘de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding’ niet alleen ziet op de reeds ingetreden, maar ook op de redelijkerwijs te verwachten toekomstige schade die het gevolg is van het verzuim van de schuldenaar. Het aanbod tot betaling van de kosten ziet onder meer op vergoeding van door de schuldeiser als gevolg van het verzuim van de schuldenaar tevergeefs gemaakte en redelijkerwijs nog te maken extra kosten. 4.21 Partijen twisten over de vraag of het aanbod tot nakoming van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] voldoet aan de daaraan te stellen eisen en in het verlengde daarvan of [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. terecht het aanbod mochten weigeren. De discussie ziet daarbij op twee punten, te weten
- a)was [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] bereid na te komen en
- b)heeft [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] vergoeding van schade en kosten aangeboden? Nu het verzuim pas op 10 juli 2017 is ingetreden, is voor de vraag of het verzuim is gezuiverd de gang van zaken na 10 juli 2017 van belang. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] stelt dat hij diverse keren het verzuim heeft gezuiverd in het bijzonder bij brief van 14 september 2017. Voor de vraag of [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. het aanbod van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] mochten weigeren is van belang vast te stellen waartoe [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] bereid was. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] verwijst naar zijn brief van 14 september 2017 (maar ook naar de brieven van 16 november 2017, 5 januari 2018 en 9 maart 2018) en stelt dat uit die brief (brieven) volgt dat het herstel ziet op het gehele aangenomen werk. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] voegt daar echter consequent aan toe dat hij de herstelwerkzaamheden wil verrichten zoals door [D] vastgesteld en daarnaast die herstelwerkzaamheden wil verrichten die hij nodig acht. Zie ook de brief van 14 september 2017 waarin [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] aangeeft zich niet te kunnen vinden in het rapport van Hanselman. Hieruit volgt dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] niet bereid was alle door Hanselman geconstateerde gebreken te herstellen, terwijl de sommatie van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. daar wel op zag. Ter zitting is ook nog uitdrukkelijk door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] bevestigd dat hij slechts bereid was de door [D] en de door hemzelf noodzakelijk geachte herstelwerkzaamheden uit te voeren. In het nadien in opdracht van partijen uitgebrachte bindende advies, is het rapport van Hanselman het uitgangspunt geweest. De bindend adviseur onderschrijft in zijn rapport alle door Hanselman geconstateerde gebreken. Hieruit volgt dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] in het najaar van 2017 ten onrechte niet heeft aangeboden alle door Hanselman genoemde gebreken te herstellen. Daarmee was het aanbod tot nakoming zoals onder andere verwoord in de brief van 14 september 2017 onvoldoende. [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. waren dan ook gerechtigd het aanbod van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] te weigeren. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzuim van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] niet is gezuiverd en dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. bevoegd was tot omzetting en aanspraak kan maken op aanvullende schadevergoeding. Is de door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. gevorderde vervangende schadevergoeding van € 25.026,05 toewijsbaar? Antwoord: nee 4.22 Partijen hebben gezamenlijk een deskundige ingeschakeld die een bindend advies heeft gegeven over de door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] uitgevoerde werkzaamheden en in het verlengde daarvan over de uit te voeren herstelwerkzaamheden. Naar aanleiding daarvan zijn door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] dan wel namens [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] herstelwerkzaamheden uitgevoerd. [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. stellen zich op het standpunt dat die herstelwerkzaamheden niet (allemaal) naar behoren zijn uitgevoerd en maken aanspraak op vergoeding van de kosten gemoeid met het herstellen van de niet naar behoren uitgevoerde herstelwerkzaamheden. Verder maken [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. aanspraak op de kosten gemoeid met het herstel van een pas onlangs ontdekt gebrek, maar die eiswijziging heeft het hof ontoelaatbaar geacht. [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. onderbouwen hun stelling ter zake van de niet naar behoren uitgevoerde herstelwerkzaamheden met de eindopname van [G] van 7 mei 2020. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] betwist de herstelwerkzaamheden niet naar behoren te hebben uitgevoerd en dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. hem op dit punt in gebreke hebben gesteld. 4.23 Op [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. rusten de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast van hun stelling dat de herstelwerkzaamheden niet correct zijn uitgevoerd. De door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. gestelde gebrekkig uitgevoerde herstelwerkzaamheden zijn niet beoordeeld in het door [G] gegeven bindend advies. Daarin is slechts vastgesteld welke werkzaamheden hersteld dienen te worden. Dit betekent dat niet bindend tussen partijen is vastgesteld dat er sprake is van gebrekkig uitgevoerde herstelwerkzaamheden. Door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. is ter nadere onderbouwing een eindopname verslag van [G] overgelegd. Vast staat dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] niet bij de eindopname door [G] is betrokken. Ook is geen hoor en wederhoor toepast door [G] bij het opstellen van de eindopname. De reden hiervoor is niet nader toegelicht door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. In het eindopnameverslag van [G] wordt ook vermeld dat enkel de heer [appellant zaak 1/geïntimeerde1 zaak 2] de opdrachtgever is. Het door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. overgelegde rapport van [G] is in de antwoordakte van 21 juli 2020 gemotiveerd en voorzien van een toelichting betwist door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] . De verklaring van De Boer (productie 8) en de overige in dit kader door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] overgelegde producties (6 en 7) heeft het hof buiten beschouwing gelaten omdat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. daarop niet hebben kunnen reageren. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] kan het hof het eindoordeel van [G] niet als vaststaand aannemen en vaststellen of er sprake is van gebrekkig uitgevoerde herstelwerkzaamheden. Nadere bewijslevering zou daarvoor nodig zijn. Een specifiek en concreet bewijsaanbod van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. op dit punt ontbreekt evenwel. Onder punt 16 van de akte formuleren [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. wel een bewijsaanbod, maar dit ziet op de slechte kwaliteit van het oorspronkelijk door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] geleverde werk en daar gaat het niet om. Het hof ziet ook geen redenen om [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. Omdat niet kan worden vastgesteld dat de herstelwerkzaamheden niet correct zijn uitgevoerd, is de gevorderde vervangende schadevergoeding niet toewijsbaar. 4.24 Het hof komt nu toe aan de beoordeling van de gevorderde aanvullende schadevergoeding, te weten extra woonlasten en reiskosten, deskundigenkosten en schade/offerte. De overige schadeposten worden niet beoordeeld omdat die te laat door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. naar voren zijn gebracht, zie hiervoor onder het kopje eiswijziging. Hiervoor is al overwogen dat sprake is van verzuim van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] . Dit betekent dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. in beginsel aanspraak kunnen maken op aanvullende schadevergoeding. Of dat ook voor de door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. gevorderde schadeposten geldt zal hierna worden beoordeeld. Extra woonlasten 4.25 De extra kosten van woonlasten worden door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. vanaf 1 april 2017 gevorderd. [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. stellen dat zij vanaf die datum de woning in [A] hadden kunnen betrekken als [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] zijn verplichtingen was nagekomen. De kosten lopen door tot 22 december 2018, het moment waarop [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. de woning hebben betrokken. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] voert aan dat partijen geen datum voor oplevering zijn overeengekomen, dat tot 2 juni 2017 in ieder geval geen sprake was van verzuim, dat door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. niet is aangetoond dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. niet aan hun schadebeperkingsplicht hebben voldaan. Verder voert [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] nog aan dat het niet aan hem is te wijten dat de woning niet bewoonbaar was. Ook derden moesten nog werkzaamheden in de woning verrichten. 4.26 Niet is komen vast te staan dat partijen een datum voor oplevering zijn overeengekomen en in het verlengde daarvan dat sprake was van een fatale termijn. Anders dan [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. dan ook stellen kan niet worden uitgegaan van 1 april 2017 als het moment waarop het verzuim is ingetreden en aanspraak bestaat op schadevergoeding ter zake van de woon en reiskosten. Hiervoor is geoordeeld dat het verzuim ter zake van het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden met het verstrijken van de termijn in de brief van 2 juni 2017 op 10 juli 2017 is ingetreden. Het is vanaf dat moment dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. aanspraak kunnen maken op aanvullende schadevergoeding (zoals het niet kunnen betrekken van de woning) als gevolg van een tekortkoming in de uitvoering van de werkzaamheden door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] . Naar het hof begrijpt hebben [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. als gevolg van het niet juist uitvoeren van de werkzaamheden de woning niet kunnen betrekken. Dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. niet aan hun schadebeperkingsplicht hebben voldaan wordt door het hof verworpen. Uit niets blijkt dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] niet hebben willen toelaten tot het verrichten van herstelwerkzaamheden. Het gaat niet aan [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. nu te verwijten dat zij de ontstane situatie aan zichzelf te wijten hebben. Ook wordt door het hof verworpen het verweer van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] dat het kunnen betrekken van de woning afhankelijk was van door derden uit te voeren werkzaamheden en niet alleen van de door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] uit te voeren werkzaamheden. Dit verweer is op geen enkele wijze nader vormgegeven. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] voert wel terecht aan dat door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. geen bewijs is overgelegd van de stelling dat zij daadwerkelijk tot 22 december 2018 € 300,- huur per maand hebben betaald voor vervangende woonruimte. Er is weliswaar een huurcontract overgelegd in eerste aanleg maar geen betalingsbewijzen, terwijl [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] in eerste aanleg al heeft aangevoerd dat bewijsstukken waaruit blijkt dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. extra woonkosten hebben moeten maken niet zijn overgelegd. Het ligt op de weg van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij daadwerkelijk extra woonkosten hebben moeten maken. Zulks klemt te meer nu gelet op de overgelegde huurovereenkomst in combinatie met de comparitieaantekeningen uit de eerste aanleg onduidelijk is of en wanneer [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. de huur moeten betalen. In de comparitieaantekeningen staat immers: “De extra woonlasten zijn tot op heden niet betaald, maar de ouders van meneer hebben wel een vordering op cliënten. Er zijn afspraken gemaakt over de afbetaling hiervan en het moment waarop dat zal ingaan.” Concrete informatie over de wijze van afbetaling ontbreekt echter. Verder ontbreekt ook een concreet en ter zake dienend bewijsaanbod op dit punt. Omdat niet kan worden vastgesteld dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. daadwerkelijk extra woonkosten hebben moeten maken, is de vordering ter zake van de woonlasten niet toewijsbaar. Extra reiskosten 4.27 De extra reiskosten worden door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. vanaf 1 april 2017 gevorderd. [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. stellen dat zij vanaf die datum de woning in [A] hadden kunnen betrekken als [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] zijn verplichtingen was nagekomen. De kosten lopen door tot 22 december 2018, het moment waarop [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. de woning hebben betrokken. Het door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] aangevoerde verweer is hetzelfde als het verweer tegen de extra woonlasten. Verder heeft [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] aangevoerd dat [appellant zaak 1/geïntimeerde1 zaak 2] veel vanuit huis werkt. 4.28 Hiervoor is uiteengezet dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. vanaf 10 juli 2017 aanspraak kunnen maken op aanvullende schadevergoeding verband houdende met het later kunnen betrekken van de woning. Het hof constateert dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] de door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. berekende reisafstanden per dag niet heeft betwist. Het verweer van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] dat [appellant zaak 1/geïntimeerde1 zaak 2] veel vanuit huis werkt is verder op geen enkele wijze nader uitgewerkt of toegelicht en wordt dan ook door het hof gepasseerd, nu dit door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. is betwist. Wel heeft [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] ook op dit punt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat stukken waaruit blijkt dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. daadwerkelijk extra reiskosten hebben gemaakt ontbreken. Het gaat hier om de stukken waaruit blijkt dat [appellante zaak 1/geïntimeerde2 zaak 2] kosten voor het openbaar vervoer heeft moeten maken. Deze stukken zijn inderdaad niet overgelegd. Omdat geen bewijs is overgelegd van de door [appellante zaak 1/geïntimeerde2 zaak 2] gemaakte reiskosten, is de vordering ter zake van de reiskosten op dit punt niet toewijsbaar. Hoewel aan bewijslevering niet wordt toegekomen wegens het ontbreken van een onderbouwing, constateert het hof dat een concreet en ter zake dienend bewijsaanbod ook ontbreekt. 4.29 Omdat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] de reistafstand niet heeft betwist noch de door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. berekende vergoeding van € 0,28 per kilometer, zijn de door [appellant zaak 1/geïntimeerde1 zaak 2] gevorderde reiskosten vanaf 10 juli 2017 wel toewijsbaar. Dit betekent dat van de berekening van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. 3,5 maand afgetrokken dient te worden. De berekening is dan als volgt: - 10 juli 2017 – 1 mei 2018 (9,5 maanden maal € 721,28) - 1 mei 2018 – 1 november 2018 (6 maanden maal € 156,80) - 1 november 2018 – 22 december 2018 (1,5 maand maal € 721,28) 4.30 Gelet op het vorenstaande begroot het hof de schade ter zake van de door [appellant zaak 1/geïntimeerde1 zaak 2] gemaakte extra reiskosten op € 8.875,-. Door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. is de wettelijke rente gevorderd vanaf de dag der dagvaarding. De dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht op 25 april 2018. Op dat moment was een deel van de reiskosten nog niet gemaakt. Het hof zal de gemaakte reiskosten tot 25 april 2018 dan ook vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2018 en de vanaf 25 april 2018 gemaakte reiskosten vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het einde van iedere maand nadat de kosten zijn gemaakt (zie rov. 4.29). Deskundigenkosten 4.31 Vaststaat dat het door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] uitgevoerde werk gebreken vertoonde, zie bindend advies van [G] . Ook is door het hof geoordeeld dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] in verzuim is geraakt. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] is dan ook gehouden de door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. geleden schade te vergoeden. Ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid zijn door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. deskundigenkosten gemaakt (artikel 6:96 lid 2 sub b BW). Door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] is niet betwist dat door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. deskundigenkosten zijn gemaakt noch is de hoogte betwist. De gevorderde deskundigenkosten zijn dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 3.962,75 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de claimdatum zoals vermeld in het overzicht van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. overgelegd als productie 4 bij akte van 23 juni 2020 in hoger beroep. De gevorderde kosten van het eindopname verslag van [G] worden door het hof afgewezen. Het betreft hier een rapport met betrekking tot de door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] uitgevoerde herstelwerkzaamheden. De door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. gevorderde vervangende schadevergoeding ter zake hiervan is door het hof afgewezen. Schade/offerte 4.32 [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. vorderen vergoeding van schade ontstaan tijdens het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden en de kosten gemoeid met het aanvragen van een offerte. Nu niet is komen vast te staan dat er schade is ontstaan en dat de herstelwerkzaamheden niet naar behoren zijn uitgevoerd, zijn deze kosten onvoldoende onderbouwd door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. De gevorderde kosten worden afgewezen. Conclusie in zaaknummer 200.250.556/01 4.33 De conclusie in de zaak met het nummer 200.250.556/01 op grond van het vorenstaande is dat het principaal appel van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. slaagt en dat het incidenteel appel van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] faalt en dat een bedrag van € 8.875,- en een bedrag van € 3.962,75 toewijsbaar is ter zake van (aanvullende) schadevergoeding. Het bestreden vonnis van 26 september 2018 moet worden vernietigd. 4.34 In de zaak met nummer 200.257.421/01 zijn door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] drie grieven geformuleerd tegen het eindvonnis van de rechtbank van 2 januari 2019. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat partijen een vaste prijsafspraak hebben gemaakt. Voor zover [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] met deze grief ook opkomt tegen het vonnis van 28 september 2018 had hij dit moeten doen bij zijn ingestelde incidenteel appel tegen dat vonnis. De tweede grief borduurt voort op de eerste grief. De laatste en derde grief is gericht tegen de proceskostenveroordeling. 4.35 [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. hebben als meest verstrekkend verweer in hoger beroep aangevoerd dat [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep omdat het vonnis van 2 januari 2019 niet-appellabel is gelet op artikel 332 Rv. Het hof zal eerst ingaan op dit verweer. Ontvankelijkheid [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] 4.36 Artikel 332 lid 1 Rv bepaalt dat geen hoger beroep mogelijk is indien de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dat € 1.750,-. De optelregel van lid 3 van artikel 332 Rv bepaalt dat in verband met de appellabiliteit de vordering in conventie en in reconventie bij elkaar opgeteld moeten worden. In de laatste zin van het derde lid wordt op deze regel echter een uitzondering gemaakt. Indien beide zaken zijn gesplitst en daarin afzonderlijk is beslist, zijn op elk van beide vonnissen de gewone regels voor de vatbaarheid voor hoger beroep van toepassing. 4.37 In deze zaak zijn de conventie en de reconventie niet in één vonnis afgedaan. De rechtbank heeft de conventie eerder afgedaan namelijk bij vonnis van 26 september 2018. In datzelfde vonnis is de zaak in reconventie naar de rol verwezen voor het nemen van een akte, waarna een eindvonnis is gewezen in de reconventie op 2 januari 2019. Het standpunt van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. dat hiermee de conventie en de reconventie zijn gesplitst en dat de optelregel niet van toepassing is, wordt door het hof verworpen. Het hof verwijst hiervoor naar artikel 138 lid 1 Rv. De conventie is weliswaar eerder afgedaan dan de reconventie, maar de zaken zijn daarmee niet formeel gesplitst. Artikel 138 lid 2 Rv bepaalt in welke drie gevallen er gesplitst moet worden en een dergelijke situatie heeft zich hier niet voorgedaan. In geval van splitsing gaat het namelijk om situaties waarin conventie en reconventie niet tegelijkertijd in min of meer één procedure bij dezelfde rechter kunnen worden behandeld omdat in conventie en reconventie verschillende procesregels gelden. Bij splitsing wordt de processuele band tussen de conventie en de reconventie verbroken en ontstaan twee zelfstandige procedures. Dat is hier niet het geval. Nu van splitsing geen sprake is, is de optelregel van toepassing. Dit betekent dat de [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 2 januari 2019. Vaste aanneemsom? 4.38 [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] vordert betaling van een bedrag van € 1.719,60. Hoewel [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] aangeeft dat het om twee facturen gaat - € 1.667,38 van 20 november 2016 en € 1.757,85 van 27 november 2016 - betreft het eigenlijk een eindafrekening van de gerealiseerde aanbouw aan de woning. [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] heeft aangevoerd dat partijen voor het realiseren van de aanbouw aan de woning een vaste prijs zijn overeengekomen, onder verwijzing naar de offerte van 28 mei 2016 (offerte 0021) en de e-mail van [appellant zaak 1/geïntimeerde1 zaak 2] van 8 juni 2016. 4.39 Naar het oordeel van het hof volgt uit de overgelegde stukken dat partijen een aanneemsom zijn overgekomen zoals neergelegd in offerte 0021, minus een drietal werkzaamheden (Wand inbouw haard, schuifdeuren oud naar nieuw en aanbrengen gipsplafond). De offerte 0021 komt dan uit op een vast bedrag dat door [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. is geaccepteerd gelet op de e-mail van 8 juni 2016. Daarin geeft [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. aan akkoord te zijn met het bedrag. De aanneemsom voor de aanbouw van de woning is daarmee uitgekomen op € 36.674,29. Dit volgt ook uit het eigen overzicht d.d. 30 oktober 2016 van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. waarin zij een kostenopstelling maken uitgaande van een vaste aanneemsom, zij het dat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. heeft verzuimd daar de post “Schuifdeuren oud naar nieuw € 2372,50” op in mindering te brengen. Partijen zijn het er over eens dat van het totaal bedrag een bedrag van € 34.712,69 is betaald. Verwezen zij opnieuw naar het overzicht van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. van 30 oktober 2016. Dit overzicht komt weliswaar uit op een lager bedrag namelijk € 34.118,80 maar dat komt omdat [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. hebben verzuimd een betaald bedrag van € 593,89 mee te nemen. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat een bedrag van € 1.719,60 van de aanneemsom onbetaald is gebleven (€ 36.674,29 minus € 34.712,69 minus correctie keukenglas € 242,-), welk bedrag door [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] wordt gevorderd. Dit bedrag is toewijsbaar te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 juni 2018 (instellen eis in reconventie). Gelet hierop slagen de grieven I en II. 4.40 De derde grief, gericht tegen de proceskostenveroordeling, slaagt eveneens. De vordering wordt toegewezen op basis van de ook al in eerste aanleg aangevoerde gronden. Conclusie in zaaknummer 200.257.421/01 4.41 De conclusie in de zaak met het nummer 200.257.421/01 is op grond van het vorenstaande dat de vordering van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] tot een bedrag van € 1.719,60 te vermeerderen met wettelijke rente toewijsbaar is. Het bestreden vonnis van 2 januari 2019 moet worden vernietigd. 5De slotsom 5.1 Zowel het vonnis van 26 september 2018 als het vonnis van 2 januari 2019 moet worden vernietigd. Kostenveroordeling zaaknummer 200.250.556/01: 5.2 Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. zullen worden vastgesteld op: - explootkosten € 99,91 - griffierecht € 895,- - salaris advocaat € 2.148,- (2 punten x tarief IV € 1.074,-) Totaal € 3.142,91 De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. in het principaal appel zullen worden vastgesteld op: - explootkosten € 82,57 - griffierecht € 726,- - salaris advocaat € 4.897,50 (2,5 punten x tarief IV € 1.959,-) Totaal € 5.706,07 De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. in het incidenteel appel zullen worden vastgesteld op: -salaris advocaat € 2.448,75 (2,5 punten x de helft van tarief IV € 1.959,-) Kostenveroordeling zaaknummer 200.257.421/01 5.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] zullen worden vastgesteld op: - salaris advocaat € 1.152,50 (2,5 punten x tarief I € 461,-) De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] zullen worden vastgesteld op: - explootkosten € 85,21 - griffierecht € 726,- - salaris advocaat € 1.518,- (2 punt x tarief I € 759,-) Totaal € 2.329,21 6De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: in de zaak met het nummer 200.250.556/01: - vernietigt het vonnis van de rechtbank van 26 september 2018 en doet opnieuw recht; veroordeelt [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] tot betaling aan [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. ter zake van schadevergoeding tot: I. een bedrag van € 8.875,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2018, voor zover de kosten voor 25 april 2018 zijn gemaakt, en voor zover de kosten vanaf 25 april 2018 zijn gemaakt te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf het einde van iedere maand waarin de kosten zijn gemaakt en II. een bedrag van € 3.962,75 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de claimdatum zoals vermeld in het overzicht van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. overgelegd als productie 4 bij akte van 23 juni 2020 in hoger beroep; - veroordeelt [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 994,91 voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het principaal hoger beroep vastgesteld op € 808,57 voor verschotten en op € 4.897,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en wat betreft het incidenteel hoger beroep vastgesteld op € 2.448,75 salaris overeenkomstig het liquidatietarief; - verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. - wijst het meer of anders gevorderde af. in de zaak met het nummer 200.257.421/01: - vernietigt het vonnis van de rechtbank van 2 januari 2019 en doet opnieuw recht; veroordeelt [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. tot betaling aan [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] van € 1.719,60 (inclusief btw) te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 juni 2018 - veroordeelt [appellanten zaak 1/geïntimeerden zaak 2] c.s. in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde zaak 1/appellant zaak 2] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.152,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 811,21 voor verschotten en op € 1.518,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief; - verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. - wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. I.F. Clement, M.M.A. Wind en W.A. Zondag en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2021. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771. (Perfectkeur € 629,20, Van [F] € 127,05, Sikkema € 193,60, Hanselman € 1.452,-, Hanselman € 217,80, Hanselman € 1.343,10, Bouwadvies Van Maaren € 1.206,98) HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2255