GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.276.540/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 437913) arrest van 18 mei 2021 in de zaak van 1 [eiser] , wonende te [A] , hierna: [eiser],
(2015). Volgens [eisers] c.s. tonen deze beelden dat een auto is geparkeerd voor de lantaarnpaal die op scheiding van de percelen [a-straat] 14 en [a-straat] 15 staat, op basis waarvan zij concluderen dat om die reden er geen hek kan staan. Zij zien er echter aan voorbij dat beide foto’s in meer of mindere mate vervormd zijn. Dat geldt ook voor de tweede foto omdat de lantaarnpaal naast en boven de auto lijkt te zweven. In ieder geval bieden deze foto’s door aanwezige heesters aan de wegrand geen zicht op de locatie van het houten hek. Deze foto’s doen daardoor niets af aan wat op een andere, ook toentertijd genomen foto uit het archief van Google Maps van 2015 is te zien als hierboven besproken. Een derde foto ziet op de situatie in 1998 en is genomen vanaf de positie van de woningen aan de [a-straat] 6 en 7, kijkend in de richting van [a-straat] 14 ( [B] ) en verder [a-straat] 15 ( [gedaagde] ). Onbetwist is dat op de scheiding van die percelen aan de openbare weg een lantaarnpaal staat. Volgens [eisers] c.s. is de op deze foto zichtbare auto achter de lantaarnpaal geparkeerd en daarmee voor het perceel van [gedaagde] . Volgens hen bewijst deze foto dus dat er geen hek op de gestelde plek stond. Zij kunnen daarin niet worden gevolgd omdat de foto geenszins toont dat de auto achter de lantaarnpaal stond omdat deze paal dan ook te zien zou moeten zijn aan de voorzijde van de auto, wat niet het geval is. De donkere streep op het dak van deze auto, in het verlengde van de lantaarnpaal, is daarom een schaduw en niet de paal zelf. Daarmee staat de auto geparkeerd voor het perceel van [B] , zoals [gedaagde] betoogt. [eisers] c.s. hebben ook niet betwist dat die auto de toenmalige auto van [B] is. Deze foto geeft daardoor geen steun aan de betwisting van [eisers] c.s. De laatste twee foto’s waarop [eisers] c.s. zich beroepen, zijn allebei - enkele tientallen jaren geleden - gemaakt vanaf de oprit van de percelen 15/15a. De eerste foto toont alleen het oude huis op perceel [a-straat] 12 en de daarnaast gelegen woonark en biedt geen enkel zicht op de locatie van het hek. De tweede foto is verder terug op de oprit genomen richting de openbare weg en toont dat in het verlengde van de woning [a-straat] 15 links op de oprit een aantal auto’s zijn geparkeerd. Deze auto’s ontnemen ieder zicht op de locatie van het houten hek, zodat op basis daarvan geen conclusie kan worden getrokken of dat er wel of niet heeft gestaan. Het gaat bovendien om foto’s van ‘ongeveer 50 jaar’ geleden. Dat sluit niet uit dat het hek er nadien is geplaatst, of kort na het maken van de foto’s en in ieder geval er in 1974 stond. Daarmee geven deze foto’s evenmin enige steun voor de ontkenning van [eisers] c.s. 5.15 Dat het kadaster op 5 november 1997 op verzoek van [gedaagde] neef [E] , die in periode van 1997 tot 2004 eigenaar is geweest van [a-straat] 12, de kadastrale grenzen van dat perceel opnieuw heeft uitgezet, zoals [eisers] c.s. betogen, en in het daarvan door het kadaster opgemaakte relaas van bevindingen is vermeld ‘oude grenzen hersteld’, betekent nog niet dat daarmee ook het houten hek op circa 75 centimeter afstand van de openbare weg is verwijderd en neef [E] de (gehele) strook grond van zijn kadastrale perceel aan de overzijde van de openbare weg in bezit heeft genomen. Allereerst wijst de door [gedaagde] overgelegde foto van Google Maps 2015 in een andere richting, terwijl in de door [eisers] c.s. overgelegde verklaring en mailberichten van neef [E] voor die stelling evenmin steun is te vinden. In zijn verklaring van 5 oktober 2016 spreekt hij erover dat ‘geen van de omwonenden ooit enig bezwaar hebben geuit inzake de erfafscheidingen zoals geconstateerd door kadaster destijds rekening houdende met het feit dat de erfgrenzen liepen zoals nu behalve dat de bloembak (…) nog niet was aangelegd (…)’. Deze verklaring is weinig duidelijk, maar biedt in ieder geval geen steun aan een stelling dat tegen het houten hek op zijn kadastrale perceel aan de overzijde van de [a-straat] is geprotesteerd, en te minder dat het hek feitelijk is verwijderd. De in dat verband van de neef overgelegde mailberichten van 1 en 2 oktober 2016 wijzen veeleer in een andere richting: daarin schrijft hij op een expliciete vraag van [eisers] c.s. dat het gebruik van de grond aan de overkant van de weg nooit is besproken en op de daarop volgende vraag waarom de kadastrale grenzen in 1997 niet zijn hersteld c.q. grond is vrijgegeven: ‘Er was nooit enige aanleiding, er was niemand die problemen had met de grenzen zoals ze lagen destijds omdat die al sinds lange tijd zo waren’. In een andere vraag (wat besloten is over een schuurtje van een andere omwonende die op het perceel [a-straat] 12 zou staan) antwoordt neef [E] : ‘niets, stond voornamelijk op aangeplempte grond en ook al sinds decennia dus destijds ook al verjaard.’ Het gebruik van ‘ook al’ in combinatie met de andere antwoorden wijst er daardoor eerder op dat het houten hek en de daarachter liggende grond van het kadastrale perceel [a-straat] 12 al tientallen jaren bij een ander dan de eigenaar daarvan in bezit waren en dat iedereen in 1997 alles liet zoals het al jaren was. Voor zover [eisers] c.s. anders betogen, vindt dat dus geen steun in de verklaring en mailberichten van neef [E] . 5.16 [eisers] c.s. hebben verder aangevoerd dat het kadaster op zijn kadastrale kaarten en/of veldwerk (de locatie van) het hek niet heeft weergegeven en dat in de aktes van levering (de locatie van) het hek evenmin wordt genoemd. Zij hebben echter niet uitgelegd waarom dat in de gegeven omstandigheden nodig was (geweest). Het ontbreken van vastlegging van (de locatie van) het hek in die stukken levert daardoor geen bevestiging op van de juistheid van hun betwisting dat het hek er decennialang heeft gestaan, zoals [gedaagde] aanvoert. 5.17 Tot slot hebben [eisers] c.s. er nog op gewezen dat [gedaagde] senior het perceel [a-straat] 15 in augustus 1986 aan de gemeente heeft geleverd en in november 1986 daarvan opnieuw eigenaar is geworden. Zij verbinden daaraan de conclusie dat daarmee een lopende verjaring is afgebroken. Nog daargelaten of dit in de gegeven omstandigheden van belang is (zie rechtsoverweging 5.10) geldt dat gesteld noch gebleken is dat in de periode het houten hek verwijderd is (geweest) en het bezit van de strook grond - door de gemeente - is opgegeven (geweest). [gedaagde] heeft in dat verband onbetwist aangevoerd dat het perceel [a-straat] 15 in die periode onveranderd in gebruik is gebleven bij zijn familie en dat deze juridische leveringen alleen maar verband hielden met het kunnen doen laten vervallen van eerder verleende milieuvergunningen voor het perceel. 5.18 Redengevende feiten en omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen, zijn verder onvoldoende gemotiveerd aangevoerd. Het gevolg van een en ander is dat [eisers] c.s. de gemotiveerde stellingen van [gedaagde] onvoldoende hebben betwist, zodat het hof niet aan bewijslevering toekomt. 5.19 Uit het voorgaande volgt dat voldoende aannemelijk is geworden dat het bezit van de strook grond, dat visueel deel uitmaakt van de grond van het perceel [a-straat] 15 (zie rov. 5.12), door de eigenaar van [a-straat] 15 al (ruimschoots) vóór 25 november 1996 is aangevangen en ten minste twintig jaren heeft geduurd tot aan de stuiting van de verjaring door [eisers] c.s. [gedaagde] heeft daarmee op het moment dat hij op 23 mei 2000 eigenaar werd van het perceel [a-straat] 15 ook dat bezit verkregen en steeds behouden. Dit betekent dat [gedaagde] zich in ieder geval op verkrijging door verjaring van de strook grond in de zin van artikel 3:105 BW kan beroepen. De daartegen gerichte grieven van [eisers] c.s. falen dan ook. Verkrijgende verjaring van de reep grond? 5.20 Om succesvol een beroep te kunnen doen op verkrijgende verjaring moet (
- a)sprake zijn van ‘bezit’, (
- b)de bezitter ‘te goeder trouw’ zijn (artikel 3:118 BW) en (
- c)het bezit minimaal tien jaar onafgebroken door de bezitter (of zijn rechtsvoorgangers) zijn uitgeoefend (artikel 3:99 BW). 5.21 Voor de vraag of sprake is van bezit geldt onverkort wat hiervoor in 5.8 is overwogen. Wat betreft de reep grond heeft [gedaagde] in dat verband niet meer aangevoerd dan dat hij die reep in 1998, althans in 2000, met heesters heeft beplant en heeft onderhouden. Dat is niet genoeg voor bezitsuitoefening in voormelde zin. Dit geldt te minder nu het hiervoor bedoelde hek op nabije afstand stond en de buitenstaander de indruk kon geven dat dáár de scheiding van de percelen lag. Voor een buitenstaander - waaronder [eisers] c.s. - behoeft daardoor niet duidelijk te zijn dat [gedaagde] pretendeerde de eigenaar te zijn (artikel 3:108 BW) van die reep grond. 5.22 Dit betekent dat de gedragingen waarop [gedaagde] zijn betoog over verkrijgende verjaring baseert niet als bezitsdaden van hem zijn aan te merken. De rechtbank heeft dan ook op juiste gronden geoordeeld dat [gedaagde] geen bezit van de reep grond heeft gehad. Zijn grief tegen dat oordeel gaat niet op. De vraag of aan de andere voorwaarden voor een succesvol beroep is voldaan als hiervoor bedoeld, hoeft dan ook niet besproken te worden. Moet [gedaagde] de strook grond terugleveren? 5.23 [eisers] c.s. hebben aangevoerd dat zij het perceel [a-straat] 12 hebben gekocht inclusief de strook aan hun overzijde van de openbare weg. In geval van verjaring heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens hen gehandeld, zo begrijpt het hof hen. In hoger beroep verbinden zij daaraan de conclusie dat [gedaagde] - in de vorm van schadevergoeding in natura - de strook grond aan hen moet terugleveren. 5.24 Een persoon die een zaak in bezit neemt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar onrechtmatig. In dit geval heeft als uitgangspunt te gelden dat de strook grond al decennialang in gebruik is bij [gedaagde] en zijn rechtsvoorganger(s). Over hun wetenschap dat een ander daarvan eigenaar was, hebben [eisers] c.s. echter niet meer aangevoerd dan dat [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangers via onderzoek in het kadaster hadden kunnen weten dat de kadastrale perceelgrenzen anders waren dan de feitelijke grenzen. Daaruit volgt nog niet dat [gedaagde] wist of behoorde te weten dat hij de strook grond in bezit had, wetende dat een ander daarvan de eigenaar was. 5.25 Voor zover [eisers] c.s. met hun in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod op dit punt bewijs aanbieden, passeert het hof dit bewijsaanbod, omdat het aanbod onvoldoende is gespecificeerd. Daarmee is er geen grond voor toewijzing van een vordering tot teruglevering op basis van onrechtmatig handelen. Is er grond voor opheffing dan wel wijziging van de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van [eisers] c.s.? 5.26 [eisers] c.s. hebben allereerst opheffing van de erfdienstbaarheid gevorderd, waarmee hun perceel als lijdend erf is belast ten gunste van het perceel van [gedaagde] . Volgens [eisers] c.s. is de openbare weg de [a-straat] voor het perceel [a-straat] 15 inmiddels ook bereikbaar via het perceel [a-straat] 15a, waartoe ten gunste van [a-straat] 15 eveneens een erfdienstbaarheid is gevestigd. 5.27 Op grond van artikel 5:79 BW kan de rechter een erfdienstbaarheid opheffen onder meer als de eigenaar van het heersende erf daarmee geen redelijk belang meer heeft en het niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. Van die situatie is naar het oordeel van het hof geen sprake. De oprit die door de percelen [a-straat] 15 en [a-straat] 15a wordt gebruikt om op en van de openbare weg te komen, is immers (voor een klein deel) gelegen op het perceel van [a-straat] 15, te weten de driehoek aan bestrating voor de brievenbus van perceel [a-straat] 15. Daarnaast geldt dat het voorste deel van de oprit, gelegen op het perceel [a-straat] 15a, ook alleen maar gebruikt kan worden vanwege het bestaan van dezelfde erfdienstbaarheid, waarvan [a-straat] 12 het dienend perceel is. Verder geldt dat, zo er al nu geen redelijk belang meer is, niet kan worden aangenomen dat dat redelijk belang niet kan terugkeren. Een opheffing van de erfdienstbaarheid als door [eisers] c.s. zou er immers toe leiden dat het perceel [a-straat] 15 geen rechtstreeks toegang meer heeft tot de openbare weg. 5.28 Op grond van artikel 5:78 onder a. BW kan de rechter een erfdienstbaarheid wijzigen onder meer als sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd. Van die situatie is evenmin sprake. De erfdienstbaarheid ziet nu op de reep grond van 75 centimeter breedte, gelegen tussen de openbare weg en het perceel van [a-straat] 15 aan de overzijde van [a-straat] 12. Die reep grond is, anders dan [eisers] c.s. stellen, gezien de breedte van de openbare weg ter plaatse veel te smal om daarop (en op de openbare weg) een auto te parkeren. Een ruimere mogelijkheid om te kunnen in- en uitparkeren op en vanuit het perceel [a-straat] 12, zoals [eisers] c.s. aanvoeren, is van onvoldoende gewicht om de erfdienstbaarheid te beperken, zoals zij beogen. Voor het overige steunt de vordering tot wijziging op de stelling dat [gedaagde] bij de erfdienstbaarheid geen redelijk belang (meer) heeft, maar daarin kunnen [eisers] c.s. niet worden gevolgd. Dat is hiervoor al uitgelegd. Moet aan [gedaagde] bij het laten voortbestaan van de erfdienstbaarheid een (periodieke) vergoeding worden opgelegd? 5.29 [eisers] c.s. vorderen dat aan de erfdienstbaarheid een vergoeding wordt verbonden van € 50,- per maand. Zij voeren daartoe aan dat de erfdienstbaarheid niet meer door [gedaagde] wordt gebruikt, terwijl zij door de erfdienstbaarheid wel worden beperkt in de wijze waarop zij hun grond wensen te gebruiken. In dat verband hebben [eisers] c.s. er op gewezen dat het uitrijden vanaf hun perceel soepeler zou gaan zonder de aanwezigheid van de betonbanden aan de overzijde van hun perceel. 5.30 Bij de vestiging van de erfdienstbaarheid is, zo is onomstreden, aan de eigenaar van het heersende erf - [gedaagde] - geen verplichting opgelegd aan de eigenaar van het dienend erf - [eisers] c.s. - (periodiek) een vergoeding (“retributie”) te betalen. De door [eisers] c.s. gestelde, door hen ondervonden beperking in het gebruik van hun perceel is niet onvoorzien en niet zodanig dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van hen kan worden gevergd dat de erfdienstbaarheid zonder wijziging (dus zonder retributie) in stand blijft (artikel 5:78 BW). De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te komen. 6De slotsom 6.1 De grieven falen, zowel in het principaal als het in het incidenteel hoger beroep, zodat de bestreden vonnissen, voor zover aan hoger beroep onderworpen, zullen worden bekrachtigd. 6.2 Als de in het principaal hoger beroep in het ongelijk te stellen partij zal het hof [eisers] c.s. in de kosten daarvan veroordelen. 6.3 Als de in het incidenteel hoger beroep in het ongelijk te stellen partij zal het hof [gedaagde] in de kosten daarvan veroordelen. 6.4 De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [gedaagde] zullen worden vastgesteld op € 332,- voor griffierecht en € 2.228,- voor salaris advocaat (2 punten × tarief II à € 1.114,-). 6.5 De kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [eisers] c.s. zullen worden vastgesteld op € 1.114,- voor salaris advocaat (2 punten × 0,5 × tarief II à € 1.114,-). 6.6 Als niet weersproken zal het hof in het principaal hoger beroep ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld. 6.7 Voor toewijzing van nakosten in het incidenteel hoger beroep bestaat onvoldoende grond omdat [eisers] c.s. aan proceskosten per saldo niets van [gedaagde] te vorderen hebben. 7. De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 1 mei 2019 en 31 december 2019; veroordeelt [eisers] c.s. in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 332,- voor verschotten en op € 2.228,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisers] c.s. vastgesteld op € 1.114,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief; veroordeelt [eisers] c.s. in de nakosten, begroot op € 163,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening; verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. W.F. Boele, J.H. Kuiper en J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021. vgl. punt 2.32 van de conclusie van de AG bij HR 13 juli 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW6744) vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309