Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006616-19 Uitspraak d.d.: 25 mei 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-186228-19 en 18-150830-19, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij2] . Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, en heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] integraal toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij [benadeelde partij2] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: In de zaak met parketnummer 18-186228-19:1.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 april 2019 te [plaats1] , gemeente [gemeente1] , opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 381 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; 2.hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 tot en met 30 april 2019 te [plaats1] , gemeente [gemeente1] , een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij1] N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. In de zaak met parketnummer 18-150830-19:hij op of omstreeks 23 juni 2019 te [plaats2] , gemeente [gemeente2] , 15 lijmtangen, een grote afkortzaag, een zaagtafel op wieltjes, 6 stopcontacten, een klipper van het merk Perfectmate, een kabelhaspel en/of twee scheppen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsverweer Verdachte heeft met betrekking tot hetgeen in de zaak met parketnummer 18-150830-19 aan hem is ten laste gelegd aangevoerd dat hij van dit feit moet worden vrijgesproken. De verklaring van verdachte tegenover de politie houdt – zakelijk weergegeven – in dat verdachte op 23 juni 2019 rond 01:00 uur besloot zijn hond te gaan uitlaten op een braakliggend terrein in [plaats2] . Bij dat terrein zag hij een hek open staan en buiten dat hek stond materiaal. Hij is toen eerst met de hond naar zijn huis in [plaats1] gereden en is daarna teruggegaan om de goederen die bij het hek lagen te bekijken. Daarop heeft hij de goederen in zijn auto geladen en is hij ermee weggereden. Op de terechtzitting van het hof heeft verdachte – zakelijk weergegeven – nog verklaard dat de door hem aangetroffen en meegenomen spullen een bult ‘oude troep’ betrof die een eind bij de bouwplaats vandaan aan de straat lag. Hij ontkent stellig binnen de hekken van de bouwplaats te zijn geweest en hij ontkent eveneens dat hij iets heeft gestolen. Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer het volgende. Verdachte heeft, nadat hem op 23 juni 2019 rond 03:25 uur door de politie werd gevraagd waar hij midden in de nacht met een hoeveelheid goederen/gereedschap naartoe ging, aanvankelijk gezegd dat hij aan het verhuizen was. Nadat de verbalisant hem vertelde dat hij dat vreemd vond, hoorde de verbalisant verdachte zeggen dat hij het gereedschap gestolen had. Uit de aangifte blijkt dat de goederen/gereedschappen die verdachte op 23 juni 2019 rond 03:35 uur in zijn auto vervoerde, zijn weggenomen uit een afgesloten container die was geplaatst in een met bouwhekken omheind leegstaand pand aan de [adres2] te [plaats2] . Om zich de toegang tot die plaats te verschaffen, heeft men het hekwerk om het terrein verbogen en het op de container aangebrachte slot uitgeboord. Vast staat op grond van het voorgaande dat de onder verdachte aangetroffen goederen/gereedschappen door diefstal met braak zijn weggenomen uit een container die op een afgesloten terrein stond. Het hof acht de verklaring van verdachte, dat hij deze goederen/gereedschappen heeft gevonden op een stapel aan de weg, volstrekt onaannemelijk. Niet alleen valt niet in te zien dat een of meer anderen zich de moeite zouden getroosten om goederen uit een afgesloten container die op een met een hekwerk omheind terrein bevindt weg te nemen, om die goederen vervolgens langs de straat op een hoopje achter te laten. Uit de bevindingen van de politie, waarvan kan worden vastgesteld dat zij die nacht in de buurt van de plaats van het delict aanwezig waren, blijkt ook niet van de aanwezigheid van anderen dan verdachte. Verdachte heeft nadat hij zijn auto had volgeladen met de betreffende goederen/gereedschappen, blijkens zijn voormelde eigen verklaring, geprobeerd om bij de plaats van het delict weg te rijden zonder anderen tegen te komen. Hij is eerst bij een auto die links van het terrein stond weggereden, de andere kant op, en vervolgens is hij omgereden om een auto van een beveiligingsbedrijf te ontwijken. Toen hij daarna niet ongezien langs een auto van de politie kon rijden, verklaarde hij in eerste instantie dat hij aan het verhuizen was en toen hem werd gezegd dat men dat vreemd vond, gaf hij toe dat hij de goederen/gereedschappen in zijn auto even tevoren had gestolen. Onder deze omstandigheden, bezien in hun onderlinge verband en samenhang, acht het hof het door verdachte aangevoerde scenario dat de feitelijke inbraak door een onbekend gebleven ander of anderen zou zijn gepleegd onaannemelijk en gaat het hof daaraan voorbij. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-186228-19 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 18-150830-19 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: In de zaak met parketnummer 18-186228-19:1.hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 april 2019 te [plaats1] , gemeente [gemeente1] , opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres1] een hoeveelheid van in totaal 381 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; 2.hij in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 30 april 2019 te [plaats1] , gemeente [gemeente1] , een hoeveelheid elektriciteit, die aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij1] N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. In de zaak met parketnummer 18-150830-19:hij op 23 juni 2019 te [plaats2] , gemeente [gemeente2] , 15 lijmtangen, een grote afkortzaag, een zaagtafel op wieltjes, 6 stopcontacten, een klipper van het merk Perfectmate, een kabelhaspel en twee scheppen, toebehorende aan [benadeelde partij2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaak met parketnummer 18-186228-19 onder 1 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Het in de zaak met parketnummer 18-186228-19 onder 2 bewezenverklaarde levert op: diefstal. Het in de zaak met parketnummer 18-150830-19 bewezenverklaarde levert op: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft in zijn woning een hennepkwekerij met 381 planten in werking gehad en de voor die kwekerij benodigde elektriciteit betrok hij buiten de meter om. Het produceren en in het verkeer brengen van hennep kan schadelijk zijn voor de gebruikers daarvan. Het gebruik van hennepproducten brengt risico’s met zich voor de volksgezondheid en veroorzaakt mede daardoor schade van verschillende aard in de samenleving. Verdachte heeft met zijn handelen daaraan bijgedragen. Bovendien heeft hij door op illegale wijze stroom af te nemen financiële schade toegebracht aan de leverancier daarvan. Verdachte heeft tevens een grote hoeveelheid gereedschap gestolen uit een afgesloten container op een bouwplaats. Hij heeft daarmee schade en ongemak veroorzaakt voor de ondernemer aan wie deze goederen toebehoorden. Daarnaast dragen nachtelijke inbraken bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft zich hierdoor niet laten weerhouden. Het hof heeft ook acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 9 april 2021 waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld. Daarbij springt met name de veroordeling d.d. 12 mei 2017 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland in het oog, waarbij verdachte is veroordeeld wegens ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod’ tot een taakstraf voor de duur van honderd uren. Deze veroordeling heeft verdachte er klaarblijkelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Gelet op het voorgaande, bezien in onderling verband en samenhang, acht het hof oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden. Met oplegging van een andere of lagere straf zou, mede gelet op het strafblad van verdachte, onvoldoende recht worden gedaan aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] N.V. De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.784,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.