Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002750-20 Uitspraak d.d.: 2 juni 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 30 juli 2020 met parketnummer 16-052829-20 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-005449-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter, bewezenverklaring van het tenlastegelegde en veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij tot een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot nietontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige. Wat betreft de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf heeft de advocaat-generaal afwijzing gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. D.L.A.M. Pluijmakers, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft bij vonnis van 30 juli 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Hieraan heeft de politierechter als bijzondere voorwaarden verbonden dat verdachte zich meldt bij de jeugdreclassering, dat verdachte zich onder behandeling stelt van [naam1] en dat verdachte verblijft bij [naam2] , of een andere instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De politierechter heeft voorts ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf de proeftijd met één jaar verlengd. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 28 februari 2020 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door hem in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd te schoppen en/of trappen. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangever [benadeelde partij] . Verdachte heeft ontkend dat hij aangever met opzet heeft geschopt dan wel getrapt. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep vrijspraak bepleit van verdachte van het tenlastegelegde, nu bij verdachte het opzet, ook in voorwaardelijke zin, ontbrak op het toebrengen van pijn of letsel bij aangever [benadeelde partij] . Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van pijn of letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende. Verbalisanten [verbalisant1] , [verbalisant2] en [verbalisant3] ontvingen bij de briefing aan het begin van hun dienst het verzoek om bij het aantreffen van [verdachte] deze te controleren op het bezit van een vuurwapen. Diezelfde dag zagen verbalisanten [verdachte] lopen met een andere man. [verdachte] liep weg en veranderde zijn wandelpas in een sprint. Nadat de verbalisanten [verdachte] en de andere man zijn achterna gerend, is [verdachte] aangehouden ter hoogte van het adres [adres] 10-52 te [plaats] door verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] . Aangever [benadeelde partij] – bewoner van de woning op het adres [adres] 11-2-A te [plaats] – heeft verklaard dat hij vanuit zijn woning zag dat een man over de schutting klom van de buurman naar zijn patio, door de patio liep en vervolgens op de poort klom die uitkomt op de buurt. Deze man was al bijna over de poort geklommen toen aangever naar de patio ging. Aangever heeft de man met beide armen aan zijn benen getrokken. Aangever kreeg een flinke trap in zijn gezicht. Dit was met flinke kracht, zo verklaart aangever. Aangever liet de man los en deze ging over de schutting en rende weg. Aangever voelde pijn in zijn mond en proefde bloed. Verbalisant [verbalisant1] zag dat aangever bloed op zijn lip had en dat hij vermoedelijk een tand door zijn lip heeft gekregen. Tijdens het politieverhoor heeft verdachte verklaard dat hij met een vriend was en dat ze een politieauto aan zagen komen rijden. Een verbalisant kwam in versnelde pas op verdachte af. Hierop is verdachte zelf ook gaan rennen. Als reden daarvoor draagt verdachte aan dat hij recent op grond van een valse tip over vuurwapenbezit door de politie is aangehouden. Verdachte is in een steegje gerend; deze bleek dood te lopen. Daarop is verdachte over de schutting geklommen. Hij belandde in een tuin en kwam bij een (volgende) hoge schutting. Verdachte was al op de schutting geklommen om uit de tuin weg te komen toen hij plotseling voelde dat hij aan zijn benen werd getrokken. Verdachte schrok daarvan, heeft zich los getrokken en is ten val gekomen, zo heeft verdachte verklaard bij de politie. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij al met de helft van zijn lichaam over de schutting hing. Het betrof een vrij hoge schutting, van meer dan twee meter hoog. Hij hing met zijn benen en lichaam horizontaal / dwars over de schutting. Verdachte heeft zich met zijn handen op de schutting afgezet om over de schutting te komen, zo verklaart verdachte. Hij heeft gemerkt dat iemand hem vasthield aan zijn benen. Verdachte heeft niet achterom gekeken. Het proberen om weg te komen van de politie was een impulsieve actie. Verdachte wilde niet weer onterecht worden aangehouden. Het door de verdediging geschetste scenario waarbij verdachte, die met de helft van zijn lichaam horizontaal over de schutting lag en door het gewicht van zijn bovenkant over de schutting is gevallen/gekiept, waardoor hij aangever per ongeluk heeft geraakt, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in de bewijsmiddelen en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op het feit dat verdachte wilde ontkomen aan de politie, met zijn lichaam op een schutting van meer dan twee meter hoog hing en dat hij heeft gevoeld dat iemand zijn benen vasthield. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever en stelt op basis van die verklaring vast dat verdachte een trappende beweging heeft gemaakt richting aangever. Nu verdachte op meer dan twee meter hoog met zijn benen aan de zijde waar aangever zich bevond op een schutting lag en aangever met zijn armen de benen van verdachte vasthad, is de kans dat verdachte aangever in zijn gezicht zou raken met zijn benen bij het over de schutting proberen te komen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. Zowel horizontaal als verticaal was het gezicht van aangever binnen bereik van de benen van verdachte. Horizontaal omdat aangever verdachtes benen vasthield en daardoor op maximaal één armlengte van aangever stond. Verticaal door het hoogteverschil tussen verdachte die met zijn benen (min of meer) gestrekt naar achteren op de schutting van ongeveer twee meter hoogte lag en aangever die op de grond stond. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm aangemerkt worden als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van pijn of letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is het hof niet gebleken. Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn handelingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever daardoor pijn of letsel zou ondervinden. Het hof acht aldus het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 28 februari 2020 te [plaats] [benadeelde partij] heeft mishandeld door hem in het gezicht te trappen. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [benadeelde partij] door hem in het gezicht te trappen. Aangever heeft geprobeerd om verdachte – die ineens door de patio bij de woning van aangever liep – tegen te houden en heeft hierbij een trap van verdachte in het gezicht gekregen. Verdachte heeft aangever pijn en letsel toegebracht en inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 april 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten, zij het in 2018 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.