GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer 19/01568 uitspraakdatum: 1 juni 2021 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 oktober 2019, nummer LEE 19/599, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor (hierna: de heffingsambtenaar). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 9 te [Z] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2017 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2018 vastgesteld op € 532.
(3)meent belanghebbende voorts dat zowel de architectonische verminking van de woning door een verbouwing in 1964 als de sterk gedateerde en te vernieuwen indeling een lagere kwalificatie rechtvaardigen (te weten een kwalificatie 2). Hij heeft in dat verband onder meer gewezen op een (vrijstaand) open-haard-blok, aan de voorzijde over de hele lengte voorzien van een groen tegelplateau (40 cm breed, 45 cm hoog) in een naar voren stekende L-vorm die de doorgang naar de achterzijde van de kamer (de oorspronkelijke achterkamer) blokkeert, het overvloedige gebruik van schrootjes (verlaagd plafond in de kamer, plafond van de gang, vier wanden van de kamer en één wand van de gang) alsmede het in 1964 met planken dichttimmeren van de raam- en deurpartij. Voorts is bij de bedoelde verbouwing, naast de werkkamer op de begane grond, een kleine slaapkamer op de eerste verdieping opgeofferd, om daar een tweede badkamer met apart toilet te installeren. 4.9 Blijkens het taxatierapport van de heffingsambtenaar, is de onroerende zaak in het kader van de onderhavige bezwaarprocedure op 26 november 2018 inpandig opgenomen. Het taxatierapport vermeldt ter zake onder meer: “Zowel het afwerkingsniveau als de onderhoudstoestand van de te waarderen woning is relatief laag. De te waarderen woning is in 1964 verbouwd en daarna hebben er geen verbouwingen of verbeteringen plaatsgevonden. De voorzieningen (keuken, badkamer en toilet) zijn dan ook gedateerd en de te waarderen woning is, op een tweetal ramen in de woonkamer na, voorzien van enkele beglazing. De woonkamer is voorzien van een plafond van kurk, terwijl de kamers op de eerste en tweede verdieping voorzien zijn van zachtboard plafonds. Bovendien is er sprake van achterstallig onderhoud: er is op enkele plaatsen sprake van vochtdoorslag, het dak van de garage is lek en de boeidelen van de garage en carport verkeren in matige conditie. Vanaf maart 2018 is er een start gemaakt met het schilderen van kozijnen en zijn de houten onderdelen van de dakgoot aan de voorzijde in de grondverf gezet. Het kozijn van het toilet is ook rond deze periode vervangen. Het vorige kozijn was volledig rot, hetgeen werd veroorzaakt door lekkage van het bovenliggende balkon. Voor de waardebepaling voor het belastingjaar 2018 zijn de eventuele waardeverhogende effecten van deze inspanningen uiteraard niet meegewogen.”. In de matrix is, volgens de heffingsambtenaar, met de staat van onderhoud van de onroerende zaak rekening gehouden door een aftrek van circa 45 % van de waarde van het hoofdgebouw toe te passen, waarbij is uitgegaan van een modelmatige waardering van de onroerende zaak. Dit strookt met de opmerking “Aftrek ivm onderhoud” bij de onroerende zaak in de matrix. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde matrix blijkt dat het hoofdgebouw van belanghebbende is getaxeerd op 210 m² x € 1.066 per m², terwijl bij de hiervoor – onder 4.7 – genoemde referentie-objecten is gerekend met een prijs per m² van € 1.790, € 1.992 respectievelijk € 1.
- Deze prijzen per m² van het hoofdgebouw van de referentieobjecten zijn tot stand gekomen op basis van de geanalyseerde (en geïndexeerde) transactiegegevens van die referentieobjecten. Naar het oordeel van het Hof, maakt de matrix deze prijzen per m² voldoende inzichtelijk. Ten aanzien van de prijs per m² van referentieobject [a-straat] 3 te [Z] vermeldt de matrix dat het afwerkingsniveau van dit referentieobject matig is, terwijl ten aanzien het onderhoud is vermeld dat sprake is van achterstallig onderhoud, zodat daarmee in de prijs per m² van het hoofdgebouw van dat referentieobject reeds rekening gehouden is. Naar de taxateur van de heffingsambtenaar desgevraagd ter zitting van het Hof heeft toegelicht, representeert het verschil tussen de berekende waarde van de hoofdgebouwen van deze referentieobjecten per m² enerzijds en de waarde van het hoofdgebouw van de onroerende zaak per m² anderzijds, vermenigvuldigd met de oppervlakte van het hoofdgebouw van de onroerende zaak, de waardevermindering van de onroerende zaak ten gevolge van het – tussen partijen niet in geschil zijnde - achterstallige onderhoud van de onroerende zaak. Deze waardevermindering is ten opzichte van het referentieobject [b-straat] 4 te [Z] afgerond € 152.000 ((€ 1.790 -/- € 1.066) x 210 m²) en ten opzichte van het referentieobject [b-straat] 5 te [Z] afgerond € 194.000 ((€ 1.992 -/- € 1.066) x 210 m²). Gelet hierop, is, naar het oordeel van het Hof, de waardevermindering ten gevolge van het achterstallige onderhoud voldoende verdisconteerd. De taxateur heeft ter zitting van het Hof toegelicht dat de waardevermindering ten gevolge van achterstallig onderhoud niet gelijk gesteld kan worden aan de benodigde kosten van het herstel, maar dat laatstbedoeld bedrag aanzienlijk hoger is. Belanghebbende heeft dit niet weersproken. Dit betekent naar het oordeel van het Hof, dat bij het vaststellen van de waarde van het hoofdgebouw van de onroerende zaak ruim voldoende rekening is gehouden met de benodigde kosten van herstel. Wat er zij van de opmerkingen van belanghebbende met betrekking tot de door de taxateur van de heffingsambtenaar gehanteerde reken- dan wel wiskundige methoden, is, gelet op het vorenoverwogene, de waardedruk in verband met het achterstallig onderhoud zeker niet tot een te laag bedrag meegenomen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, acht het Hof de herleiding van de geanalyseerde marktgegevens van de hiervoor bedoelde referentieobjecten juist. Overigens benadrukt het Hof dat het bij de waardering van een onroerende zaak niet zo zeer gaat om de som van de geanalyseerde delen, maar veeleer om de waarde van het geheel. 4.10 Wat betreft de ‘uitstraling’ en de ‘doelmatigheid’ van de onroerende zaak ziet het Hof geen aanleiding voor de lagere kwalificatie. Niet alleen zijn de uitstraling en de doelmatigheid van de onroerende zaak subjectief, maar het Hof volgt de heffingsambtenaar ook in zijn stelling dat met een betrekkelijk eenvoudige ingreep en een relatief lage financiële inspanning het aangezicht van de woning aangepast zou kunnen worden. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni
- De griffier is verhinderd de uitspraak, De voorzitter, te ondertekenen. (P. van der Wal) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 juni
- Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.