GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof: 200.279.794/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland: 8026718/CV EXPL. 19-8990) arrest van 15 juni 2021 in de zaak van: TECHNISCH EXPERT JANSEN B.V., gevestigd te Uithuizen, appellanten, bij de rechtbank: eisers, hierna te noemen: Jansen, advocaat: mr. L.H. Haarsma te Paterswolde, tegen 1 [geïntimeerde1] , wonende te [A] , 2. [geïntimeerde2], wonende te [B] , 3. [geïntimeerde3], wonende te [C] , 4. [geïntimeerde4], wonende te [D] , 5. [geïntimeerde5], wonende te [D] , 6. [geïntimeerde6], wonende te [E] , 7. HOUTWORKX B.V., gevestigd te Hardenberg, 8. MCTP MANAGMENT, CONSULTING AND TRADING PARTNERS B.V., gevestigd te Laren, geïntimeerden, bij de rechtbank: gedaagden, hierna: de eigenaren, advocaat: mr. Th.F. de Jong te Groningen. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 10 maart 2020 dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen in hoger beroep d.d. 8 juni 2020, - de memorie van grieven (met producties), - de memorie van antwoord. 2.2 Vervolgens hebben de partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3De beoordeling 3.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende: Jansen is een onderneming die zich bezighoudt met loodgieters- en fitterswerk alsmede de installatie van sanitaire voorzieningen. De eigenaren zijn gezamenlijk eigenaar van het pand aan de [a-straat] 28 te [F] (verder: het pand). Op 23 november 2017 heeft Jansen in opdracht van Kooi Katwijk B.V. (verder: Kooi Katwijk) een Nefit verwarmingsketel van het type Topline 79 KW in het pand geïnstalleerd. Directeur van Kooi Katwijk is [G] . Ten tijde van de installatie van de verwarmingsketel was het pand verhuurd aan Pand Beheer Winschoten B.V. [G] is tevens directeur van Pand Beheer Winschoten B.V. Jansen heeft op 11 december 2017 Kooi Katwijk een factuur ter hoogte van € 7.199,50 inclusief btw doen toekomen. Kooi Katwijk heeft deze factuur onbetaald gelaten. Bij vonnis van 15 mei 2018 is Kooi Katwijk door de rechtbank Den Haag in staat van faillissement verklaard. Jansen heeft aanvankelijk jegens de curator in het faillissement van Kooi Katwijk een beroep gedaan op een krachtens haar algemene voorwaarden op de verwarmingsketel rustend eigendomsvoorbehoud. De curator heeft dat beroep bij e-mail van 7 juni 2018 (prod. 8 inl. dagv.) gehonoreerd. In juli 2018 heeft Jansen in kort geding veroordeling van de eigenaren gevorderd tot medewerking aan het verwijderen van de verwarmingsketel uit het pand. In een e-mail van 16 juli 2018 (prod. 3 cva) aan de advocaat van Jansen heeft geïntimeerde 8 namens de eigenaren over een telefoongesprek tussen hem en de toenmalige advocaat van Jansen het volgende vastgelegd:“ (..)zojuist hebben wij telefonisch het volgende besproken: (…) 3/ De onderhavige ketel is niet door of namens “ons” besteld en geïnstalleerd. 4/ De directeur van de door u genoemde opdrachtgeefster (Kooi Katwijk BV) is volgens u de heer [G] (..) 5/ De heer [G] is ook directeur bij de BV die ons pand huurt. 6/ De tussenpersoon die volgens u heeft bemiddeld tussen uw cliënte en de opdrachtgever (Kooi Katwijk) is de heer [H] . 7/ De 2 hiervoor genoemde heren organiseren wel vaker ongeoorloofde “opzetjes”. 8/ Wij zijn bereid u alle medewerking te verlenen om aan uw cliënte toekomende eigendom te kunnen recupereren. Daartoe overlegt u nog bewijs dat dit zo is. De medewerking kunnen wij echter uitsluitend geven binnen de wettelijke regels. Aangezien wij het pand officieel hebben verhuurd kunnen wij niet eigen rechter gaan spelen (…) (..) 10/ Indien onze constructieve medewerking blijkt zult u het door u in concept aangekondigde kort geding op 26 juli aanstaande uitstellen (…)”. Bij e-mail van 18 juli 2018 (prod. 5 cva) heeft de toenmalige advocaat van Jansen in reactie op voormelde e-mail kenbaar gemaakt dat zijn cliënte het aangezegde kort geding niet zou opschorten. Op 23 juli 2018 heeft Jansen het kort geding ingetrokken. Dezelfde dag heeft de advocaat van Jansen de eigenaren gesommeerd om binnen 48 uur over te gaan tot betaling van € 17.419,39. Bij brief van 27 juli 2018 (prod. 9 inl. dagv.) heeft de advocaat van Jansen de eigenaren gesommeerd tot betaling van het factuurbedrag van € 7.199,50 inclusief btw en een bedrag van € 609,97 wegens buitengerechtelijke kosten.In de brief van 27 juli 2018 schrijft genoemde advocaat onder meer:“ (..) Het is echter zo dat thans gedurende ruim acht maanden een ketel in het aan u in mede-eigendom toebehorende bedrijfspand aan de [a-straat] 28 hangt, waar u als eigenaren profijt van heeft. Deze ketel strekt immers tot voordeel van voornoemd pand.(…)Bijgevoegd zend ik u nogmaals de factuur die verbonden is aan de uitgeleverde ketel in het pand aan de [a-straat] 28 te [F] (zie bijlage). Feit is dat de ketel door natrekking en bestanddeelvorming eigendom is geworden van u als eigenaren van de onroerende zaak. Dit maakt dat het eigendomsvoorbehoud als vervallen geldt en cliënte niet langer verwijdering kan verzoeken. (…)” Bij brieven/e-mails van 28 september 2018 en 11 december 2018 (prod. 10 en 11 inl. dagv, tevens prod. 13 cva) heeft de advocaat van Jansen haar vordering jegens de eigenaren gehandhaafd en deze verhoogd met een bedrag van € 2.500,00 aan vermogensschade. De eigenaren hebben niet voldaan aan de sommaties. Zij hebben - nadat de huurders uit het pand waren vertrokken - bij e-mail van 26 november 2018 (prod. 12 cva) Jansen de gelegenheid geboden de verwarmingsketel uit het pand te verwijderen. Bij de genoemde brief/e-mail van 11 december 2018 heeft de advocaat van Jansen als volgt op dat aanbod gereageerd: “(..) U stelt dat u mijn cliënte in de gelegenheid wilt stellen om de eventueel aanwezige CV-ketel op haar kosten uit het pand te verwijderen en mee te nemen. Het moge duidelijk zijn dat uw voorstel niet akkoord is. Eerder heb ik u voorgehouden (…) dat door natrekking en zaaksvorming de ketel eigendom is geworden van alle eigenaren van het pand waarin deze ketel is bevestigd. (..)” De advocaat van de eigenaren heeft bij brief/e-mail van 10 januari 2019 (prod. 14 cva) het aanbod tot medewerking aan het weghalen van de verwarmingsketel herhaald. De advocaat schrijft in deze brief/e-mail onder meer: “Uw betoog over de natrekking/bestanddeelvorming is niet relevant. Door demontage wordt de ketel weer een voor afzonderlijke eigendom vatbare roerende zaak, die door de eigenaren aan Jansen kan worden overgedragen. Die gelegenheid is en wordt uitdrukkelijk geboden. Daarmee is voor een schadevergoedingsvordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking geen plaats meer.” Bij dagvaarding van 7 maart 2019 (prod. 15 cva) heeft Jansen de eigenaren in kort geding gedagvaard tot betaling van de in de brieven van 28 september 2018 en 11 december 2018 geformuleerde vordering. De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij vonnis van 24 april 2019 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. 3.1.2. In het geding in eerste aanleg heeft Jansen vervolgens primair op grond van ongerechtvaardigde verrijking, subsidiair op grond van onrechtmatige daad gevorderd, kort samengevat: hoofdelijke veroordeling van de eigenaren tot betaling van het factuurbedrag van € 7.199,50, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van de opeisbaarheid van de factuur (26 december 2017) tot de dag van de algehele voldoening en van een bedrag van € 734,98 aan buitengerechtelijke incassokosten. Jansen vorderde verder hoofdelijke veroordeling van de eigenaren in de proceskosten. De eigenaren hebben de vorderingen gemotiveerd betwist. 3.1.3. De kantonrechter heeft bij het vonnis van 10 maart 2020 de vorderingen van Jansen afgewezen en Jansen in de proceskosten verwezen. De kantonrechter overwoog, kort samengevat, onder meer: - dat zij er met partijen vanuit ging dat de eigenaren als gevolg van bestanddeelvorming en natrekking eigenaar zijn geworden van de verwarmingsketel ex artikel 3:4 BW jo artikel 5:3 BW (r.o. 5.1 vs); - dat voor een aanspraak op schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking als voorzien in art. 6:212 lid 1 BW voldaan dient te zijn aan een aantal cumulatieve vereisten: er moet sprake zijn van verrijking van de een ten koste van de ander, de verrijking moet ongerechtvaardigd zijn en er is slechts een verplichting tot schadevergoeding is voor zover dat redelijk is (r.o. 5.2 vs); - dat in dit geval niet is voldaan aan het redelijkheidsvereiste: de verrijking heeft buiten het medeweten en toedoen van de eigenaren plaatsgevonden, van enige noodzaak tot vervanging van de eerder aanwezige verwarmingsketel is niet gebleken, Jansen heeft door de verwarmingsketel te plaatsen zonder enig voorschot te vragen zelf bewust het risico genomen dat de factuur onbetaald zou blijven (r.o. 5.4 t/m 5.8 vs); - dat het niet betalen van een factuur ten behoeve van een verwarmingsketel die in opdracht van een derde is besteld en geïnstalleerd en waarvan de eigenaren geen weet hebben gehad, niet als onrechtmatig kan worden bestempeld (r.o. 5.9); 3.1.4. Jansen heeft tegen het vonnis van de kantonrechter van zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en toewijzing alsnog van haar vorderingen en veroordeling van de eigenaren in de kosten van beide instanties. de grieven 3.2.1. In grief I stelt Jansen dat de kantonrechter er ten onrechte vanuit gaat dat de opdracht tot installatie van de verwarmingsketel is gegeven door een onbekende derde, te weten Kooi Katwijk B V. 3.2.2. Deze grief berust op een onjuiste lezing van het vonnis van de kantonrechter. De kantonrechter heeft over de vraag of (een van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.