GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.271.317/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/218252 / HA ZA 18-245) arrest van 22 juni 2021 in de zaak van 1 [appellant1] , wonende te [A] , hierna: [appellant1] 2. [appellant2] , wonende te [B] , hierna: [appellant2] , 3. SolidNature B.V., gevestigd te Aalsmeer, hierna: SolidNature, 4. RevealRox HQ, gevestigd te Dubai, hierna: RevealRox, appellanten, bij de rechtbank: eisers in conventie en verweerders in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s., advocaat: mr. J.P. Koets, die kantoor houdt te Haarlem, tegen [geïntimeerde] , wonende te [C] , geïntimeerde, bij de rechtbank: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. S.K. Tuithof, die kantoor houdt te Haarlem. 1De procedure bij de rechtbank Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 4 juli 2018 en 6 november 2019 die de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft gewezen. 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 16 december 2019; - de memorie van grieven (met producties) van 28 april 2020; - de memorie van antwoord van 4 augustus 2020; - het tussenarrest van 6 oktober 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 mei 2021 waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd. 2.2 Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op het ten behoeve van de zitting overgelegde dossier, aangevuld met het proces-verbaal van de zitting. 3Waar gaat deze procedure over? Deze zaak gaat over een inzagevordering na een gelegd bewijsbeslag op diverse (digitale) bescheiden in verband met de verdenking dat [geïntimeerde] is betrokken geweest bij een grootscheepse lastercampagne, bedoeld om [appellanten] c.s. in diskrediet te brengen, mogelijk als wraakactie voor een mislukte zakelijke transactie. Het hof oordeelt dat aan de vereisten voor inzage is voldaan voor een deel van de beslagen bescheiden. Niet toelaatbaar is de uitbreiding van de inzagevordering voor een veel bredere vordering dan waar het bewijsbeslag destijds voor is gelegd. 4De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten. 4.1 SolidNature is een onderneming die zich bezig houdt met het leveren en plaatsen van (exclusieve) natuursteen. RevealRox houdt zich bezig met de exploitatie van een negental Iraanse steengroeven die zijn aangekocht door (feitelijk) [appellant1] , die ook tot 2020 (middellijk) bestuurder was van SolidNature. Ook de vennootschap ATRH Holding B.V. (verder: ATRH) behoort tot hetzelfde groep vennootschappen. [appellant2] (die ook wel [appellant2] wordt genoemd) is de broer van [appellant1] die hem als middellijk bestuurder van SolidNature is opgevolgd en voorheen ook in het concern werkzaam was. 4.2 De Iraanse steengroeven van [appellant1] werden tot mei 2017 geëxploiteerd door een joint venture van [appellant1] en [de zakenman] , een Nederlandse zakenman en multimiljonair (verder: [de zakenman] ). Deze samenwerking is met een conflict geëindigd. Een daarover door [de zakenman] aangespannen kort geding is door laatstgenoemde verloren. Dit geschil ging over vele tientallen miljoenen euro’s. 4.3 [geïntimeerde] is op 1 mei 2017 in dienst getreden bij ATRH als [functie] . Vóór indiensttreding bij ATRH is [geïntimeerde] in dienst geweest van de overheid. Volgens zijn c.v. heeft hij functies vervuld die verband houden met staatsinlichtingen en de staatsveiligheid. 4.4 Vanaf 1 september 2017 heeft de heer [de verkoper] (hierna te noemen: [de verkoper] ) als verkoper gewerkt voor RevealRox. [de verkoper] heeft dit contract op 24 november 2017 beëindigd. 4.5 In november 2017 is feitelijk een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en ATRH. 4.6 In november 2017 zijn verschillende werknemers van ATRH, SolidNature en RevealRox telefonisch benaderd door [de verkoper] met onder meer de mededeling dat [appellant1] en [appellant2] betrokken zijn bij criminele activiteiten - waaronder drugshandel, witwassen, oplichting en afpersing - en op die manier hun geld verdienen. 4.7 Op 1 december 2017 heeft [appellant1] een e-mail ontvangen van een afzender genaamd Global Advisory Board Middle East (GABME). In deze e-mail stond vermeld dat sprake zou zijn van een “international fraud investigation” met betrekking tot de ondernemingen van [appellant1] en dat vier uur later een bij de e-mail gevoegd rapport met de naam ‘International Security and Fraud Alert — Iranian Fraud’ (hierna te noemen: het GABME-rapport) internationaal zou worden vrijgegeven. Diezelfde dag is het GABME -rapport gepubliceerd op het internet. In het GABME-rapport worden [appellant1] en [appellant2] en een aantal andere aan SolidNature en RevealRox gelieerde personen beschreven als criminelen en fraudeurs, die investeerders in en schuldeisers van hun ondernemingen niet betalen. Daarnaast wordt verslag gedaan van een extravagante levensstijl van de broers [appellanten] met dure auto’s, dito woningen en luxe vakanties. Een foto van [appellant1] wordt getoond en ook foto’s van anderen, die met een zwarte balk voor hun ogen zijn afgebeeld. 4.8 GABME is een niet-bestaande organisatie. Het GABME-rapport is opgesteld door [de verkoper] en op het web geplaatst met behulp van [D] . 4.9 Op 2 december 2017 hebben verschillende werknemers van SolidNature en RevealRox een e-mail ontvangen van GABME waarin vermeld staat dat [de zakenman] is opgelicht door [appellant1] en dat investeerders, leveranciers en werknemers met lege handen achterblijven door zijn luxeleven. De werknemers worden in die mail opgeroepen om de hen bekende vermogensbestanddelen van (onder meer) [appellant1] door te geven, waarbij een beloning in het vooruitzicht wordt gesteld. 4.10 Vanaf 4 december 2017 zijn via Twitter onder de naam GABME berichten gepost met een link naar de website waarop het GABME-rapport was gepubliceerd. Het rapport is ook onder klanten en relaties van SolidNature en RevealRox verspreid en anoniem toegezonden aan de redactie van het tijdschrift Quote. In dit tijdschrift is op 4 december 2017 een artikel verschenen over het geschil tussen [appellanten] c.s. en [de zakenman] . 4.11 Het GABME rapport is januari 2018 op last van de rechter van Twitter en de website waar het gehost werd verwijderd. 4.12 In februari 2018 heeft ene [E] een mail aan [appellant1] verzonden met daarin een verwijzing naar een soortgelijke website als die waarop het GABME-rapport was gepubliceerd met de titel ‘Europe Largest Scam Inc. Exposed’. 4.13 Quote heeft op 20 februari 2018 een artikel gepubliceerd dat is gewijd aan de zakelijke activiteiten van [appellant1] . 4.14 [E] heeft op 20 februari 2018 een e-mailbericht verstuurd naar [appellant1] en werknemers van SolidNature en RevealRox met als onderwerp “Quote Magazine exposes the criminal and thief [appellant1] ”. Daarbij was als bijlage het artikel uit Quote gevoegd en werd [appellant1] uitgemaakt voor “criminal and psychopat”. Het artikel is door [E] ook aan diverse (overheids)instanties toegezonden. 4.15 De mails van [E] zijn feitelijk opgesteld door [de verkoper] en [D] . 4.16 [appellanten] c.s. hebben na verkregen verlof daartoe op 31 januari 2018 conservatoir bewijsbeslag doen leggen ten laste van [geïntimeerde] op diverse (digitale) bescheiden. Op die dag is ook bewijsbeslag gelegd onder [de verkoper] . Het bewijsbeslag onder [geïntimeerde] is gelegd door Gerechtsdeurwaarderskantoor Groot & Evers en de in beslag genomen bescheiden zijn in gerechtelijke bewaring gegeven aan DigiJuris B.V. te Amersfoort 4.17 [appellanten] c.s. hebben vanaf december 2017 een onderzoeksbureau ingeschakeld dat onder meer de gangen van [geïntimeerde] indringend onderzoekt. 4.18 De voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel (locatie Zwolle) heeft de inzagevordering van [appellanten] c.s. in de onder het bewijsbeslag vallende bescheiden afgewezen bij vonnis van 23 maart 2018. 4.19 Het Openbaar Ministerie en de FIOD hebben in december 2019 beslag doen leggen onder [appellant1] en hem in voorlopige hechtenis doen nemen voor verdenkingen van oplichting en witwassen. 5De beslissing van de rechtbank 5.1 [appellanten] c.s. hebben bij de rechtbank (in conventie) kort samengevat gevorderd dat zij inzage krijgen in de bescheiden die onder het bewijsbeslag vallen. Daarnaast willen zij een vergoeding voor de (aanzienlijke) kosten van het bewijsbeslag en een proceskostenveroordeling voor de werkelijke proceskosten. 5.2 De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat [appellanten] c.s. geen redelijk vermoeden van betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de GABME-berichtgeving heeft aangetoond. 5.3 [geïntimeerde] heeft in reconventie kort samengevat gevorderd de opheffing van het bewijsbeslag en de vernietiging van de gemaakte kopieën. Die vorderingen heeft de rechtbank toegewezen omdat het bewijsbeslag onrechtmatig moet worden geacht. Wel heeft de rechtbank die veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 6. De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep 6.1 [appellanten] c.s. vorderen in hoger beroep dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en alsnog hun in eerste aanleg ingestelde vorderingen integraal zal toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure. 6.2 [appellanten] c.s. hebben daartoe negen genummerde bezwaren (grieven) geformuleerd. De eerste grief ziet op de door de rechtbank vastgestelde feiten, die verder onbehandeld kan blijven omdat het hof hiervoor de relevante feiten zelfstandig heeft vastgesteld. De grieven 2 tot en met 5 zien op de aannemelijkheid van de rechtsbetrekking. De overige grieven zien op de afwijzing van de vorderingen van [appellanten] c.s. en de toewijzing van de vordering in reconventie. Het hof zal de grieven hierna thematisch bespreken. Processuele kwesties De ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen het tussenvonnis 6.3 [appellanten] c.s. hebben ook tegen het tussenvonnis van 4 juli 2018 hoger beroep ingesteld en vorderen de vernietiging daarvan. Bij dit vonnis is een comparitie gelast. Tegen een dergelijk vonnis staat op grond van artikel 131 Rv geen hoger beroep open, zodat [appellanten] c.s. in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep. De wijziging van de (grondslag van) de inzagevordering 6.4 In eerste aanleg had de inzagevordering betrekking op de mogelijke betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de negatieve berichtgeving over [appellanten] c.s. rond het GABME-rapport (door hen aangeduid als de lastercampagne, welke term het hof gemakshalve verder zal gebruiken). In hoger beroep hebben zij de door hen aan hun inzagevordering ten grondslag gelegde onrechtmatige daad waarvan zij [geïntimeerde] betichten feitelijk uitgebreid tot deelname aan een ‘kapotmaakstrategie in drie fasen’, namelijk het verzamelen van informatie over activa van [appellanten] c.s. waarop [de zakenman] zich zou kunnen verhalen; het plegen van karaktermoord op [appellanten] c.s. door het verspreiden van lasterlijke informatie; het bewerkstelligen van een exodus onder het personeel. 6.5 Deze feitelijke vermeerdering van eis is op het processueel juiste tijdstip, namelijk in de memorie van grieven gedaan. Ook anderszins zijn er geen bezwaren die maken dat het hof deze uitbreiding van de grondslag van de vordering niet zou kunnen beoordelen, zodat het deze eiswijziging als zodanig zal toestaan. Het hof zal hierna beoordelen hoe deze aldus uitgebreide grondslag zich verhoudt tot het gelegde bewijsbeslag. 6.6 Tijdens de zitting bij het hof hebben [appellanten] c.s. de grondslag van hun vordering nog verder uitgebreid en gesteld dat [geïntimeerde] aansprakelijk is op grond van artikel 6:166 BW voor de schade die [appellanten] c.s. hebben geleden als gevolg van de door [de verkoper] uitgevoerde kapotmaakstrategie omdat [geïntimeerde] zich met [de verkoper] en [de personal assistent] had ingelaten ( [de personal assistent] – hierna te noemen [de personal assistent] – is de voormalige personal assistent van [appellant1] en is volgens [appellanten] c.s. bij recent, niet overgelegd vonnis van de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot schadevergoeding, samen met [de verkoper] ). Volgens [appellanten] c.s. zou [geïntimeerde] , zelfs als hij persoonlijk geen onrechtmatige activiteiten in het kader van de kapotmaakstrategie zou hebben uitgevoerd, toch aansprakelijk zijn omdat hij zich niet tijdig van de andere twee zou hebben gedissocieerd. Het hof oordeelt dat deze vergaande wijziging van de grondslag buiten beschouwing dient te blijven omdat deze op een te laat moment in de procedure is ingebracht en [appellanten] c.s. daarmee in strijd handelen met de twee-conclusieregel. De criteria voor toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a Rv 6.7 Wil een inzagevordering op grond van art. 843a lid 1 Rv toewijsbaar zijn, dan moet voldaan zijn aan drie cumulatieve voorwaarden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.