GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.249.066/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 124490) beschikking van 24 juni 2021 in de zaak van de rechtspersoon naar buitenlands recht Franklin SAGL GMBH, gevestigd te Losone (Zwitserland), verzoekster in zowel hoger beroep als eerste aanleg, hierna: Franklin, advocaat: mr. G.S. de Haas, kantoorhoudend te Raamsdonksveer, tegen NBW Projects B.V., tevens h.o.d.n. [de directeur] Shipyard, gevestigd te Meppel, verweerster in zowel hoger beroep als eerste aanleg, in eerste aanleg: gerekwestreerde, hierna: NBW, advocaat: mr. L. Sandberg, kantoorhoudende te Hoogeveen, In hoger beroep en in eerste aanleg belanghebbende: [belanghebbende] , die woont in [A] , hierna: [belanghebbende], advocaat: mr. G.S. de Haas, kantoorhoudend te Raamsdonksveer. 1Het geding in eerste instantie 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van 10 oktober 2018 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de voorzieningenrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift (met producties), binnengekomen ter griffie op 2 november 2018, heeft Franklin hoger beroep ingesteld van de onder 1.1 genoemde beschikking. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof deze bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking vernietigt, alsnog verlof verleent tot het leggen van de conservatoire beslagen en de vordering begroot op € 260.000,-. 2.2 NBW heeft een verweerschrift (met producties) ingediend. 2.3 De zaak is door de enkelvoudige kamer verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling op 10 april 2019 toegelicht ten overstaan van het hof. Door beide raadslieden zijn pleitnotities overgelegd. Uitspraak is bepaald op heden. 3De feiten 3.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. 3.2 Franklin en [belanghebbende] enerzijds en NBW anderzijds zijn verwikkeld in een geschil betreffende een luxe jacht genaamd " [het schip] " (voorheen genaamd: " [B] ), hierna te noemen: het schip. 3.3 [belanghebbende] is eigenaar van het schip en exploiteert door middel van (de rechtspersoon) Franklin het schip. NBW exploiteert een jachtwerf voor de bouw van sport- en recreatievaartuigen. [belanghebbende] en de directeur van NBW, de heer [de directeur] , hebben afgesproken dat het schip in juni 2014 naar de werf van NBW zou worden gebracht voor het voltooien van een refit (verbouwen en herinrichten). De opdracht voor de refit was in 2012 gegeven aan een scheepsbouwer in Enkhuizen maar later ingetrokken. Na de tewaterlating van het schip moesten er nog werkzaamheden worden verricht. [belanghebbende] heeft het schip daarom naar Rotterdam laten slepen voor werkzaamheden. 3.4 In juni 2016 heeft [belanghebbende] het schip over water meegenomen naar de Middellandse Zee. Franklin heeft gemeld dat tijdens deze tocht gebreken aan het schip zijn gebleken. Na die melding heeft Franklin de betalingen aan NBW gestaakt. 3.5 Partijen twisten over de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden en bestoken elkaar over en weer met gerechtelijke procedures. NBW vordert in rechte dat [belanghebbende] en Franklin worden veroordeeld nog onvoldane facturen (totaal € 26.828,35 (hoofdsom)) te voldoen. [belanghebbende] en Franklin voeren verweer en Franklin vordert in voorwaardelijke reconventie onder meer een schadevergoeding van € 373.160,- (hoofdsom), omdat schade is ontstaan aan het schip door ondeugdelijk werk van NBW. 3.6 Bij vonnis van 8 augustus 2018 (zaaknummer 120356) heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat [belanghebbende] geen partij is bij de reparatieovereenkomst en Franklin in conventie veroordeeld tot betaling van € 26.828,35 (met rente en kosten) aan NBW. De reconventionele vordering van Franklin tot schadevergoeding door NBW van € 373.160,-, heeft de rechtbank afgewezen. Franklin is zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld. 3.7 Verder heeft de rechtbank ook op 8 augustus 2018 (zaaknummer 120670) eindvonnis gewezen in een geding waarin [belanghebbende] veroordeling van NBW vordert tot betaling van een schadevergoeding van € 373.160,- met rente en kosten. [belanghebbende] is niet-ontvankelijk verklaard in zijn conventionele vordering. In reconventie heeft de rechtbank het door [belanghebbende] ten laste van NBW onder de ING Bank gelegde derdenbeslag opgeheven. [belanghebbende] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie. 3.8 Ten slotte heeft de rechtbank op 8 augustus 2018 (zaaknummer 120357) een tussenvonnis gewezen in een geschil tussen [de directeur] en [belanghebbende] , zowel in conventie als in reconventie. 3.9 Ambtshalve is het hof bekend dat tegen de vonnissen van 8 augustus 2018 in de zaken met nummers 120356 en 120670 hoger beroep is ingesteld door [belanghebbende] en Franklin (zaaknummer hof 200.249.764) respectievelijk [belanghebbende] (zaaknummer hof 200.249.765). 4De procedure in eerste aanleg en de beslissing van de voorzieningenrechter 4.1 Op 9 oktober 2018 heeft Franklin bij de voorzieningenrechter verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir derdenbeslag onder [belanghebbende] en conservatoir eigenbeslag onder Franklin zelf. Een tweede (herziene) versie van het beslagrekest is dezelfde dag ingediend, waarin aanvullingen vet zijn gedrukt. 4.2 Franklin betoogt daartoe dat zij niet heeft voldaan aan de vonnissen van 8 augustus 2018 omdat zij vreest van die betalingen niets terug te zien als zij in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld. Ook vreest Franklin dat NBW haar verplichtingen, ontstaan na de vaart met het schip in juni 2016, niet zal kunnen nakomen. Franklin wijst erop dat NBW in de loop van de opdracht een hypothecaire geldlening van [belanghebbende] heeft verkregen voor materialen voor de refit en dat [de directeur] , althans een aan hem gelieerde vennootschap, is gefailleerd. De liquiditeitspositie van NBW is volgens Franklin dubieus zodat er een restitutierisico is, aldus Franklin. Dit terwijl haar schade verder oploopt. Na het door de rechtbank veronderstelde moment van oplevering zijn er ten minste veertien nieuwe gebreken geconstateerd. De schade daardoor bedraagt € 234.000,-, aldus nog steeds Franklin. 4.3 Op 10 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter een zogenoemde noodbeschikking gegeven, door onderaan het verzoekschrift met de hand geschreven de hierna geciteerde beschikking te plaatsen, welke tekst is ondertekend door de rechter en de griffier. Daarin heeft de voorzieningenrechter het verzoek van Franklin afgewezen en daartoe het volgende overwogen: "(...) Na summier onderzoek is de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken van het door verzoeker (hof: Franklin) ingeroepen recht. In de procedure die tot het vonnis van 8/8/18 (hof: zaaknr. 120356) leidde, stelde verzoeker zich uitdrukkelijk op het standpunt geen contractspartij te zijn. Na vragen daarover stelt verzoeker thans "in de onderhavige procedure" het oordeel van de rechtbank, dat verzoeker wel partij is, over te nemen. Tegelijkertijd stelt verzoeker dat tegen het vonnis vd rb (het hof leest: van de rechtbank) hoger beroep is of zal worden ingesteld. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker kennelijk niets anders wil doen dan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te omzeilen. De voorzieningenrechter oordeelt bovendien dat de gestelde gebreken, na summier onderzoek, onvoldoende duidelijk zijn (in hun afwijking van die in de andere procedures spelen)." 5De beoordeling in hoger beroep 5.1 Franklin is gevestigd in Zwitserland. Daarom dient het hof eerst de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het beslagrekest. Nederland en Zwitserland zijn aangesloten bij het Verdrag van Lugano 2007 (verdrag van 30 oktober 2007 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU L 339). De rechtbank heeft haar bevoegdheid in de bodemzaak met nummer 120356 terecht gebaseerd op art. 5 lid 1 sub a Verdrag van Lugano
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.