GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer 18/00945 uitspraakdatum: 5 januari 2021 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 augustus 2018, nummer AWB 17/6429 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 1.671. Daarbij is voorts een bedrag van € 41 aan belastingrente in rekening gebracht. 1.2 Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de belastingrente gehandhaafd. 1.3 Het tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5 Het onderzoek ter (digitale) zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [B] , alsmede namens de Inspecteur mr. [C] en [D] . 1.6 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2De vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende heeft in Duitsland een gebruikte personenauto gekocht van het merk Ferrari, type FF 6.3 V12 HELE (VIN: [00000] ; hierna: de auto). 2.2 De auto is in Duitsland op 26 oktober 2011 voor het eerst toegelaten op de openbare weg. Op het Duitse kentekenbewijs staat een CO2-uitstoot vermeld van 360 gr/km. 2.3 Belanghebbende heeft ter zake van de auto op 18 juli 2016 aangifte voor de BPM gedaan. Dit met het oog op het doen registreren van de auto in het Nederlandse kentekenregister. Belanghebbende deed aangifte met gebruikmaking van de forfaitaire tabel en het tussentijds lagere tarief van 2014 (artikel 10, zesde lid en artikel 10b, eerste lid Wet BPM 1992 jo. artikel 8, vijfde lid Uitvoeringsregeling BPM 1992; hierna: de Uitvoeringsregeling), waarbij belanghebbende is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 350 gr/km. In overeenstemming met deze aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 23.439 aan BPM voldaan. 2.4 De auto werd op 25 juli 2016 in het kentekenregister geregistreerd. 2.5 De Inspecteur heeft de ter zake van de registratie van de auto door belanghebbende verschuldigde BPM, rekening houdend met een CO2-uitstoot van de auto van 360 gr/km, en evenals belanghebbende met gebruikmaking van de forfaitaire tabel en het tussentijds lagere tarief van 2014, berekend op € 25.110. Met dagtekening 31 juli 2017, heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 1.671 (€ 25.110 -/- € 23.439). Daarbij is voorts een bedrag van € 41 aan belastingrente in rekening gebracht. 2.6 In beroep bij de Rechtbank heeft belanghebbende zich – onder meer – op het standpunt gesteld dat de in de forfaitaire tabel opgenomen afschrijvingspercentages te laag zijn, omdat de tabel ‘is vervuild met de restwaarde van BTW-auto’s’. 2.7 De Rechtbank heeft de klachten van belanghebbende verworpen. 2.8 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 3Het geschil 3.1 In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend. 3.2 Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof zijn grieven over de door de Inspecteur gehanteerde CO2-uitstoot van de auto (onderdeel 3.2 hogerberoepschrift) uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. 3.3 Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de historische bruto BPM € 90.483 bedraagt. 4Beoordeling van het geschil Forfaitaire tabel 4.1 Belanghebbende stelt dat de in de forfaitaire tabel opgenomen afschrijvingspercentages te laag zijn, omdat de tabel ‘is vervuild met de restwaarde van BTW-auto’s’. Volgens belanghebbende dienen de tabelpercentages daarom met 3% te worden verhoogd. De door belanghebbende verschuldigde BPM zou alsdan € 22.399 bedragen, zodat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. 4.2 De Inspecteur heeft in dat kader gesteld, kort gezegd, dat de vaststelling van de percentages van de forfaitaire afschrijvingstabel is voorbehouden aan de regelgever en niet aan de rechter. De Inspecteur heeft er daarbij nog op gewezen dat de forfaitaire afschrijvingstabel hier nu juist door belanghebbende zelf bij het doen van de aangifte is toegepast. Belanghebbende had ook kunnen kiezen voor een andere methode om de afschrijving te bepalen, namelijk op basis van een koerslijst of taxatierapport. 4.3 Bij de beoordeling van deze stelling van belanghebbende dient te worden vooropgesteld dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de vaststelling van de percentages van afschrijving als bedoeld in artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling is voorbehouden aan de regelgever. De toepassing van de forfaitair berekende afschrijving mag echter niet in strijd komen met het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod waarop belanghebbende zich kennelijk beroept. 4.4 Dienaangaande is het volgende van belang (zie HR 23 oktober 2020, nr. 19/00101, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.1 en 3.2.2; de in de tekst vermelde voetnoten zijn in het citaat achterwege gelaten): “(…)3.2.1 Het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod brengt mee dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Daarom moet de als belastbare grondslag gehanteerde waarde van het ingevoerde tweedehands voertuig een weergave zijn van de waarde van een vergelijkbaar voertuig dat al op het nationale grondgebied is geregistreerd. Om dat te bereiken moet bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert. Het discriminatieverbod brengt mee dat die reële waardedaling of die werkelijke waarde zo goed mogelijk moet worden benaderd. Artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet, waarin is bepaald dat voor gebruikte personenauto’s de verschuldigde bpm wordt berekend met inachtneming van een vermindering (de afschrijving), moet met inachtneming hiervan worden uitgelegd en toegepast. 3.2.2 De wet- en regelgever heeft voor de toepassing van artikel 10, leden 2, 6 en 7, van de Wet voorzien in drie manieren waaruit kan worden gekozen om de reële waardedaling van een gebruikt motorvoertuig als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet aannemelijk te maken. Op grond van artikel 10, lid 8, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling kan de opgaaf van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor de het vaststellen van die waardedaling, bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet, bestaan uit ofwel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.