GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.284.896/01 CJIB-nummer : 226403090 Uitspraak d.d. : 7 juli 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 september 2020, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding alsmede om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 23 juni 2021, waar de gemachtigde van de betrokkene is verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] . De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “geen voorrang verlenen aan bestuurders van een tram”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 juni 2019 om 14 juni 2019 uur op de Mr. P.D. Fortuynweg in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gedraging wordt ontkend. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat ten onrechte is afgezien van een staandehouding en dat de ambtenaar onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom hiertoe geen reële mogelijkheid bestond. Het is onduidelijk hoe de verklaring van de ambtenaar op dit punt, inhoudende: “In verband met verkeerscontrole ander voertuig mee begeleid”, moet worden begrepen. Als de vermeende gedraging ten tijde van een verkeerscontrole is geconstateerd, kon de bestuurder van het voertuig volgens de gemachtigde eenvoudigweg worden staande gehouden. Indien de ambtenaar bedoelt dat hij onderweg was naar een andere melding is dit niet voldoende. In die situatie dient volgens de gemachtigde te worden uitgelegd waarom een staandehouding van de bestuurder van dat andere voertuig hogere prioriteit had, hetgeen in de onderhavige zaak niet is geschied. Het aanvullend proces-verbaal levert evenmin duidelijkheid. De ambtenaar verklaart daarin zich de details van de zaak niet meer te kunnen herinneren en verhandelt daarin verder slechts omtrent zijn algemene handelwijze in een dergelijke situatie.
- De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft ter zitting aangevoerd dat in het aanvullend proces-verbaal weliswaar geen details worden gegeven omtrent de specifieke situatie, maar dat het zaakoverzicht een verklaring van de ambtenaar bevat die is afgelegd kort na de gedraging. Hieruit blijkt duidelijk de reden dat geen staandehouding heeft plaatsgevonden. De ambtenaar stond op het punt om een andere bestuurder te verbaliseren. In die situatie bestond geen reële mogelijkheid tot het staande houden van de bestuurder van het voertuig van de betrokkene.
- Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
- De verklaring van de ambtenaar zoals vervat in het zaakoverzicht luidt op dit punt: “Reden geen staandehouding: In verband met verkeerscontrole ander voertuig mee begeleid.”
- Het hof stelt verder vast dat het dossier een (kopie van een) op 28 augustus 2020 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal bevat. Uit de verklaring in dit proces-verbaal volgt dat de ambtenaar zich de bewuste situatie niet meer kan herinneren. Verder is hierin opgenomen de algemene handelwijze van de ambtenaar in dergelijke situaties, waarin hij onder meer verklaart dat het niet altijd mogelijk is een tweede bestuurder eveneens te laten volgen als de daartoe gegeven tekens niet aan alle betrokken bestuurders duidelijk gegeven kunnen worden en er onduidelijke, en mogelijk verkeersgevaarlijke, situaties ontstaan of kunnen ontstaan.
- Het hof begrijpt de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht aldus dat de ambtenaar op het moment dat hij de bestuurder van het voertuig van de betrokkene de onder .1 vermelde gedraging zag verrichten, bezig was een staandehouding te verrichten en de bestuurder van dat voertuig daartoe te begeleiden naar een daartoe bestemde plaats. Het hof overweegt dat het onder die omstandigheden voor de ambtenaar niet mogelijk was om de bestuurder van het voertuig van de betrokkene staande te houden. De sanctie is derhalve terecht met toepassing van het bepaalde in artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd.
- Het bezwaar van de gemachtigde treft geen doel. De kantonrechter heeft een juiste beslissing genomen door het beroep ongegrond te verklaren en die beslissing zal dan ook worden bevestigd. Aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.