GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.286.825 (partneralimentatie) en 200.286.826 (verdeling) (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 496037 en 502087) beschikking van 22 juni 2021 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. I.C. van Schip te Soest, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. L.T.M. Bredius te Bussum. 1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 september 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (verder ook: de bestreden beschikking). 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 december 2021; het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties; het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep en een journaalbericht van mr. Van Schip van 22 april 2021 met producties. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 3 mei 201 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon gehoord, bijgestaan door hun advocaten, via een digitale beeldverbinding (Telehoren). 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 1996 in [plaats1] , gemeente [gemeente] , gehuwd. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk van partijen is [in] januari 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 De man en de vrouw zijn de ouders van [de zoon] (23 jaar) en [de dochter] (20 jaar). 4Het geschil 4.1 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad: de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld door toedeling van de polis bij [A] aan de vrouw onder de verplichting tot betaling van € 250,- aan de man en de vrouw veroordeeld tot betaling van € 625,28 aan de man ter zake van verschillende te verrekenen lasten; Voorts heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (verder ook: partneralimentatie) afgewezen. 4.2 De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de partneralimentatie (grief I), de verdeling van de polis bij [A] (grief II) en de te verrekenen lasten (grief III). De vrouw verzoekt het hof I. de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de afwijzing van haar verzoek om de man te veroordelen om partneralimentatie aan haar te voldoen en: primair de man te veroordelen om gedurende de periode dat zij geen zelfstandige woonruimte heeft tot het moment dat zij dat wel heeft partneralimentatie te voldoen van € 165,- bruto per maand en vanaf het moment dat zij zelfstandige woonruimte heeft van € 1.608,- bruto per maand, subsidiair de man te veroordelen om gedurende de periode dat zij geen zelfstandige woonruimte heeft tot het moment dat zij dat wel heeft partneralimentatie te voldoen van € 165,- bruto per maand en vanaf het moment dat zij zelfstandige woonruimte heeft van € 827,- bruto per maand, meer subsidiair de man te veroordelen om gedurende de periode dat zij geen zelfstandige woonruimte heeft tot het moment dat zij dat wel heeft partneralimentatie te voldoen van € 165,- bruto per maand en vanaf het moment dat zij zelfstandige woonruimte heeft van € 648,- bruto per maand, althans een zodanige bijdrage vast te stellen als het hof juist acht; II. te verklaren voor recht dat de man de partneralimentatie verschuldigd zal zijn voor de duur van twaalf jaren vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk; III. de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing inzake de polis bij [A] en te bepalen dat de vrouw niet verplicht is enig bedrag aan de man te voldoen; IV. de man op grond van artikel 21 en 22 jo. artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te gelasten om de aangifte en de aanslagen die zien op het belastingjaar 2019 in het geding te brengen; V. de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de verdeling van de goederen en de man te veroordelen tot betaling van € 1.597,28 aan haar ter zake van verschillende te verrekenen lasten, te vermeerderen met de helft van de teruggave die de man over 2019 van de belastingdienst heeft ontvangen; kosten rechtens. 4.3 De man voert verweer in het principaal hoger beroep is zelf met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven hebben betrekking op grievend gedrag van de vrouw (grief I) en zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen van partijen (grief II). De man verzoekt het hof in het primair hoger beroep om de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of niet bewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor wat betreft het afgewezen verzoek tot vaststelling van partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap voor wat betreft de verdeling van de gemeenschap nog toe te voegen de verdeling van de definitieve belasting teruggaven van partijen over het jaar 2019 en te bepalen dat deze bij helfte verdeeld worden. De man verzoek het hof in het incidenteel hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor wat betreft zijn afwijzing op zijn verzoek om het verzoek van de vrouw tot vaststelling partneralimentatie af te wijzen op grond van haar grievende gedrag, te vernietigen en op nieuw beschikkende te bepalen dat het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie wordt afgewezen vanwege haar grievend gedrag, alsmede de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft het buiten beschouwing laten van het aanvullend verzoek van de man van 11 augustus 2020, waarbij door hem als gevolmachtigde namens de jong-meerderjarige [de dochter] om een bijdrage is verzocht en opnieuw beschikkende te bepalen dat hij maandelijks bij vooruitbetaling als bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud aan [de dochter] zal voldoen een bedrag van € 353,-. 4.4 De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoeken in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of niet bewezen. 5De overwegingen voor de beslissing partneralimentatie ingangsdatum 5.1 Het hof stelt voorop dat de verplichting tot betaling van partneralimentatie eerst kan ingaan per de datum van de inschrijving van de echtscheiding (zie 3.1). grievend gedrag 5.2 De man stelt dat de vrouw zich zodanig grievend heeft gedragen dat van hem niet kan worden verlangd dat hij partneralimentatie betaalt. Er is een einde gekomen aan de lotsverbondenheid. De vrouw heeft meerdere keren vernielingen aan zijn auto toegebracht. Ook laat zij zich belastend over hem uit in mails en sms’jes. Deze berichten stuurt zij niet alleen aan hem maar ook naar de kinderen van partijen. De vrouw voert verweer en stelt dat de man zich ook heeft misdragen. De echtscheiding ging gepaard met hevige emoties. De man heeft haar bedreigd en geprobeerd haar auto in brand te steken. 5.3 Het hof overweegt dat lotsverbondenheid ontstaat op grond van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door het aangaan van een huwelijk. Die - door het huwelijk in het leven geroepen - lotsverbondenheid geldt weliswaar als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting, maar die lotsverbondenheid duurt na het huwelijk niet voort. De onderhoudsverplichting na huwelijk wordt bestreken door artikel 1:157 BW. Daaruit vloeit voort dat de rechter een onderhoudsverplichting slechts kan doen eindigen op de grond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot nog langer een bijdrage in het levensonderhoud te verlangen (ECLI:NL:HR:2018:695) . In echtscheidingssituaties lopen de emoties soms hoog op, maar onredelijk, onheus of soms grof gedrag maakt - binnen de dynamiek van een echtscheiding - nog niet dat aan de onderhoudsverplichting een definitief einde moet komen. 5.4 Het hof stelt vast de man niet heeft weersproken dat ook van zijn zijde sprake is geweest van grievend gedrag. Aannemelijk is derhalve dat partijen zich over en weer onheus hebben opgesteld en gedragen. Niet gebleken is dat bij dit wederkerig gedrag sprake is van een zeer grote onbalans tussen gedrag en opstelling van de vrouw jegens de man enerzijds en van de man jegens de vrouw anderzijds. Evenmin is gebleken dat de man door de opstelling en het gedrag van de vrouw ernstig is geschaad in maatschappelijk opzicht. Het hof ziet derhalve geen grond om de onderhoudsverplichting van de man te beëindigen. De eerste grief van de man faalt daarom. behoefte en behoeftigheid van de vrouw 5.5 De vrouw stelt dat zij voldoende inzicht in haar inkomsten en lasten heeft gegeven om de hoogte van haar behoefte te kunnen vaststellen en dat zij niet in staat is om daarin te voorzien. behoefte 5.6 De vrouw heeft twee behoeftelijstjes opgesteld. In de situatie dat zij bij haar ouders woont en regelmatig in [plaats2] verblijft bedragen haar uitgaven € 1.617,70 per maand. In de situatie dat zij een huurwoning heeft, bedragen haar uitgaven circa € 2.335,21 per maand. Zij heeft deze lijstjes nader onderbouwd met producties. Subsidiair meent zij dat de hofnorm moeten worden gehanteerd. Zij verwijst naar hetgeen de rechtbank in de procedure voorlopige voorzieningen bij beschikking van 26 juni 2019 in het kader van haar behoefte heeft overwogen, met dien verstande dat zij het niet eens is met de bedragen die de rechtbank heeft gehanteerd als kosten voor de kinderen van partijen. 5.7 De man maakt bezwaar tegen een aantal uitgaven die de vrouw op haar behoeftelijstjes heeft vermeld. Volgens hem bedraagt haar behoefte nu € 1.123,- per maand. Hij stelt dat de vrouw op dit moment in het chalet in [plaats2] woont, maar ook als zij in de toekomstige situatie blijft haar behoefte gelijk of eventueel € 25,- meer in verband met sport. Wat betreft de hofnorm stelt de man dat de rechtbank in de beschikking voorlopige voorzieningen op de juiste wijze is omgegaan met de kosten van de kinderen. 5.8 Het hof overweegt als volgt. Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. De hofnorm, waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk tot uitgangspunt wordt genomen, biedt een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Deze maatstaf leidt tot een globaal budget voor de onderhoudsgerechtigde en heeft als bijkomend voordeel dat geen nodeloos escalerende discussies over specifieke kostenposten hoeven te worden gevoerd. Dat is temeer van belang omdat ook andere bestedingskeuzes - op basis van persoonlijke voorkeuren of situaties - mogelijk zijn. In de onderhavige situatie acht het hof de hofnorm een passende maatstaf. De behoeftelijstjes die de vrouw heeft opgesteld en de betwisting van een aantal onderdelen daarop door de man, beschrijven de binnen dat budget door de vrouw gemaakte en te maken bestedingskeuzes en geven geen aanleiding om te vermoeden dat de hofnorm niet passend is. 5.9 Uit de beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank waar de vrouw naar verwijst (prod. 20 bij beroepschrift van de vrouw) en de stellingen van partijen, volgt dat het gezinsinkomen van partijen in 2019 € 4.133,- netto per maand bedroeg. Het hof is - net als de rechtbank - van oordeel dat voor de bepaling van de kosten van levensonderhoud en studie voor [de zoon] rekening moet worden gehouden de norm Wet Studiefinanciering (WSF), nu hij destijds bij partijen inwoonde, meerderjarig was en geen middelbaar onderwijs meer volgde maar studeerde. Het door de rechtbank berekende bedrag van € 1.861,- netto per maand als behoefte van de vrouw is daarom volgens het hof juist. Aldus heeft de vrouw geïndexeerd naar 2021 thans behoefte aan een netto bedrag van € 1.964,76 per maand. behoeftigheid 5.10 De vrouw stelt dat zij niet de verdiencapaciteit heeft om volledig in haar eigen behoefte te voorzien. Meer dan 24 uur per week werken is in haar beroep niet mogelijk en een tweede functie is vanwege haar onregelmatigheidsdiensten niet te combineren met haar huidige baan. De vrouw heeft recente inkomensgegevens overgelegd en toegelicht dat zij met ingang van 15 maart 2021 een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft bij dezelfde werkgever met een arbeidsduur van 20 uur gemiddeld. Dit aantal uren houdt verband met wijzigingen in haar opleiding. Zij gaat er vanuit dat zij per september 2021 gediplomeerd is. De man is van mening dat de vrouw haar uren kan uitbreiden en met haar eigen inkomen volledig in haar behoefte kan voorzien. 5.11 Het hof constateert dat de vrouw geen jaaropgave 2020 in het geding heeft gebracht en dat uit haar loonstroken 2020 en 2021 blijkt dat haar uren fluctueren. In januari 2021 heeft zij 125 uren kunnen werken en in februari 2021 93 uren. In 2020 heeft zij steeds 104 uren (gelijk aan 24 uur per week) per maand gewerkt. Het hof is van oordeel dat de verdiencapaciteit van de vrouw voor nu en voor de eerstkomende tijd in redelijkheid op 24 uur per week moet worden gesteld. De vrouw is nog in haar opleiding en het is aannemelijk dat zij bij haar huidige werkgever op dit moment geen mogelijkheden heeft meer dan 24 uur per week te werken of om een dienstbetrekking elders met een substantieel hoger aantal uren te vinden. Dit betekent dat het hof uitgaat van een dienstbetrekking met een omvang van 104 uren per maand. Dit laat onverlet dat van de vrouw redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij zich inspant om haar verdiensten in de toekomst verder te verhogen. 5.12 Uit de loonstrook over januari 2021 blijkt dat het salaris van de vrouw voor 104 gewerkte uren € 1.470,51 per maand bedraagt. De vrouw heeft aanspraak op 8% vakantietoeslag en 8,3% eindejaarsuitkering. Op basis van de loonstroken over september, oktober en november 2020 en over januari, februari en maart 2021 stelt het hof de onregelmatigheidstoeslagen in redelijkheid op gemiddeld € 140,- per maand. De premie Ouderdomspensioen (OP) stelt het hof in redelijkheid op gemiddeld € 150,- per maand en de premie aanvulling WW/WGA en Aanvullend Pensioen (AP) samen op € 10,- per maand. Rekening houdend met de heffingskortingen berekent het hof het netto besteedbaar inkomen (verder ook: NBI) van de vrouw op € 1.582,- per maand. 5.13 Dit betekent dat de vrouw naast haar eigen behoefte nog een bedrag van de man nodig heeft van € 382,76 netto per maand nodig heeft om volledig in haar behoefte van € 1.964,76 per maand te kunnen voorzien. De vrouw heeft dan behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man van € 743,- bruto per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte behoefteberekening. Nu de vrouw voor de periode dat zij nog geen zelfstandige huurwoning heeft een bijdrage van de man van € 165,- bruto per maand heeft verzocht, is haar verzoek voor die periode toewijsbaar tot maximaal dat bedrag. Gezien het vorenstaande slaagt de grief van de vrouw gedeeltelijk. Dat leidt er toe dat het hof de draagkracht van de man zal vaststellen. draagkracht van de man 5.14 De vrouw stelt dat voor de berekening van de draagkracht van de man moet worden gerekend met zijn jaarinkomen uit arbeid in 2020 van € 53.006,- bruto. De vrouw stelt dat de man daarnaast ook nog inkomsten uit zijn onderneming heeft. Zij stelt deze op € 1.000,- per maand. 5.15 De man wil voor de bepaling van zijn draagkracht uitgaan van het gemiddelde inkomen over de laatste drie jaren. Hij heeft dit jaar een lange periode verlof gehad en geen overuren gemaakt. Zijn onderneming is slapend, hij heeft daaruit geen inkomen. 5.16 Het hof gaat voor de bepaling van de draagkracht van de man uit van de jaaropgave
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.