Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001706-20 Uitspraak d.d.: 5 juli 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) bij arrest van 4 februari 2020 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 juli 2017 met parketnummer 18-850091-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Procesgang De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 24 juli 2017 ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, en met de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering en het volgen van een ambulante behandeling. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 9.294,50, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige afgewezen. Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft in hoger beroep bij arrest van 12 februari 2018 het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte is bij dat arrest ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, het volgen van een ambulante behandeling en het houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat zou inhouden dat verdachte medewerking zal verlenen aan (verwijzing naar) ambulante woonbegeleiding. Het hof heeft voorts de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.464,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Verdachte heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 4 februari 2020 het arrest van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden vernietigd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het gerechtshof de verwerping van het beroep op noodweerexces door verdachte ontoereikend heeft gemotiveerd. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Onderzoek van de zaak Dit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een meldplicht bij de reclassering en het volgen van een behandeling bij een psychiatrische instelling die past bij de problematiek van verdachte. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toewijst tot een bedrag van € 5.464,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P.Th. van Jaarsveld, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 9 november 2016 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde partij] met een mes in de hals/nek heeft gestoken en/of gesneden, en/of met een mes in de rug en/of lichaam heeft gestoken, en/of heeft gestompt/geslagen en/of geduwd/getrokken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak van medeplegen en voorbedachte raad Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman en in lijn met de beslissingen hieromtrent en de motiveringen daarvan door de rechtbank van oordeel dat sprake is van voorbedachte raad noch medeplegen, zodat verdachte van die bestanddelen zal worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 9 november 2016 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet, die [benadeelde partij] met een mes in de hals heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof overweegt daartoe als volgt. Door de verdediging is ter zitting van het hof een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. De raadsman heeft hiertoe primair gesteld dat er, gelet op de eerdere uitingen van aangever dat hij verdachte neer zou steken, het binnendringen van de woning door aangever, het gevecht dat had plaatsgevonden tussen aangever en verdachtes broer én de aanstalten die aangever maakte om weer op te staan, sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een hernieuwde aanranding van verdachtes en zijn broers lijf. Met de vaas met messen in de buurt en niet wetende wat aangever bij zich had, was zijn handelen het enige dat verdachte op dat moment kon doen. Gelet op de voorgeschiedenis was dit handelen als geboden te beschouwen. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat wanneer het hof oordeelt dat sprake is van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, dat die overschrijding in dat geval het gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Meer subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op psychische overmacht. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat gelet op de voorgeschiedenis, de dreigementen door aangever in het bijzonder en de wijze van binnendringen midden in de nacht, sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon bieden en ook niet behoefde te bieden. Verdachte dient op grond van het voorgaande te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman. Mocht het hof deze verweren niet honoreren, dan meent de verdediging dat het tenlastegelegde niet aan verdachte kan worden toegerekend vanwege zijn stoornis. Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die voorwaarden houden in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging – waarmee de proportionaliteits- en subsidiariteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Noodweerexces kan in beeld komen bij een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging”, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien: a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie. Het hof stelt ten aanzien van de feiten het volgende vast. Verdachte en zijn één jaar jongere broer, tevens medeverdachte, woonden ten tijde van het ten laste gelegde al voor een periode van vier jaren in hun woning in [plaats] . Twee maanden voor het ten laste gelegde handelen was door de makelaar een derde huurder in het huis geplaatst, zijnde aangever. De relatie tussen aangever en de broers, met name die tussen aangever en verdachte, was niet goed. Er waren veel ergernissen tussen de broers en aangever. De broers spraken aangever zonder veel succes aan op zijn gedrag als huisgenoot en de sfeer raakte steeds meer gespannen. Op 6 november 2016 belden verdachte en zijn broer de politie, om aan te geven dat zij door aangever met de dood waren bedreigd. Verdachte en zijn broer hadden aangever erop aangesproken dat hij achterliep met betalingen en niet meehielp in het huishouden. Aangever begon daarop te dreigen. Hij zei ‘ik sla je in elkaar’. Aangever was aan het zoeken in zijn kamer en verdachte en zijn broer hadden het idee dat hij aan het bellen was. Ze hoorden aangever zeggen: ‘if you wait, I kill you, come here, bring some knives’ en ‘come here and bring the knives’. Tegen verdachte zei aangever dat hij hem ging vermoorden in zijn slaap. Daarop hebben verdachte en zijn broer de politie gebeld. Aangever verliet het huis toen de politie arriveerde. De politie adviseerde verdachte en zijn broer de deur op slot te doen. Enige tijd nadat de politie was vertrokken, kwam aangever terug bij de woning. Verdachte had het idee dat aangever niet alleen was. Ze probeerden de woning binnen te komen, maar dat lukte niet. Sinds dit incident is de broer van verdachte niet meer naar school geweest. Verdachte vond dat niet veilig. Op deze manier zouden ze in ieder geval met z’n tweeën in de woning zijn. Sindsdien deden de broers de sleutel in de voordeur, om te voorkomen dat aangever naar binnen kon gaan. De dagen daarna bleef aangever weg bij de woning. Verdachte en zijn broer hebben na het incident op 6 november 2016 drie messen van de broer van verdachte in de kamer van aangever aangetroffen. In de nacht van 9 november 2016 sliep verdachtes broer beneden, op de bank van de woning. Hij had dat zo met verdachte afgesproken in verband met de bedreigende gebeurtenissen op 6 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.