GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.272.935/01 CJIB-nummer : 224519382 Uitspraak d.d. : 21 juli 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 9 december 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 203,- voor: “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 21 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 maart 2019 om 22:53 uur op de St. Josephlaan (kruising Amsterdamsestraatweg) in Utrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter niet is ingegaan op het argument van de betrokkene dat de kentekenhouder en de verhuurder van het voertuig niet dezelfde entiteit, of persoon hoeven te zijn. De betrokkene stelt dat wettelijk gezien de kentekenhouder alleen een bedrijfsmatig aangegane verhuurovereenkomst hoeft te overleggen en dat de betrokkene daarbij zelf geen partij hoeft te zijn. Het voertuig van de betrokkene is verhuurd door [naam1] . [naam1] is volgens de statuten en doelomschrijving een bedrijf dat auto’s verhuurt, zodat de ingebrachte huurovereenkomst wel degelijk als bedrijfsmatig kan worden bestempeld. Verzocht wordt de beschikking op grond van artikel 8 sub b van de Wahv te herroepen.
- Op grond van artikel 5 van de Wahv is de inleidende beschikking opgelegd aan de betrokkene in de hoedanigheid van kentekenhouder. Door de gemachtigde is eerder in de procedure een pilot overeenkomst ‘private lease auto delen’ ingebracht waaruit volgt dat de betrokkene het voertuig met voormeld kenteken beschikbaar stelt aan [naam1] . [naam1] biedt de auto vervolgens aan haar klanten aan. De algemene voorwaarden van die overeenkomst zijn eveneens overgelegd. Verder is een overzicht reserveringsdetails ingebracht. Hieruit blijkt dat het betreffende voertuig op 27 maart 2019 van 22:15 uur tot en met 23:30 uur bij [naam1] Nederland is gereserveerd door [naam2] .
- Bij arrest van 27 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10158 heeft dit hof geoordeeld dat uit het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9348 volgt dat voor de toepassing van artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv een huurovereenkomst moet zijn overgelegd waarbij de kentekenhouder partij is.
- Nog daargelaten de vraag of voornoemd overzicht reserveringsdetails kan worden aangemerkt als een huurovereenkomst in de zin van de wet, blijkt uit de stukken niet dat de betrokkene bij een dergelijke overeenkomst als partij betrokken is geweest. Alleen al om die reden komt de betrokkene geen beroep toe op grond van artikel 8 van de Wahv en is zij als kentekenhouder aansprakelijk voor de aan haar opgelegde sanctie.
- Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de kantonrechter niet specifiek is ingegaan op het argument dat de kentekenhouder niet per se de verhuurder van het voertuig hoeft te zijn. De kantonrechter heeft het beroep namelijk op andere gronden - de bedrijfsmatigheid van de aangegane huurovereenkomst - ongegrond verklaard. Daarmee is er sprake van een motiveringsgebrek. Nu dit motiveringsgebrek niet afdoet aan de juistheid van de door de kantonrechter gegeven beslissing, zal het hof deze beslissing bevestigen met verbetering van gronden.
- Het voorgaande brengt mee dat het hof als volgt zal beslissen.
- Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.