GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.259.749 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland C/16/368244 / HA ZA 14-134 Zaaknummers Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, 200.176.618, 200.177.802 en 200.183.452) arrest van 27 juli 2021 de stichting 1. [eiser1] , wonende te [woonplaats1] , hierna: [eiser1] , 2 SC Raw Materials B.V., gevestigd te Hilversum, hierna: Raw Materials, 3 [eiser3] , wonende te [woonplaats2] , hierna: [eiser3] , 4 SC Investment Group B.V.B.A., gevestigd te Essen, België, hierna: Investment Group, 5 [eiser5] , wonende te [woonplaats3] , hierna: [eiser5] , eisers in de procedure tot herroeping, hierna gezamenlijk te noemen: [eisers] c.s., advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall uit Den Haag, tegen: [gedaagde] , wonende te [woonplaats4] , gedaagde in de procedure tot herroeping, hierna: [gedaagde] , advocaat: mr. J.A. Zee uit Amsterdam. 1Het verdere verloop van de procedure tot herroeping 1.1 Naar aanleiding van het arrest van 3 december 2019 heeft op 24 maart 2021 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 1.2 Deze uitspraak wordt gelijktijdig gedaan met de uitspraak in het hoger beroep tegen de beschikking die de rechtbank van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad op 17 juli 2019 heeft gegeven in de zaak met nummer 200.267.277. Het ging daarbij om een afwijzing van een verzoek van [eiser1] en Raw Materials en de hierna nog te noemen [eiser3] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Gelijktijdig met deze uitspraak is ook arrest gewezen in het hoger beroep tegen het vonnis dat de rechtbank van de rechtbank Midden-Nederland in Utrecht op 15 augustus 2018 heeft gegeven in de zaak met nummer A.200.257.818. Het ging daarbij om de afwijzing van een schadevordering van [eiser1] en Raw Materials op [gedaagde] en de Leaderlandvennootschappen. 2Waar gaat deze zaak over? 2.1 Partijen zijn al jaren verwikkeld in een veelheid aan procedures rondom de onderneming van de Leaderlandvennootschappen. Dat heeft ertoe geleid dat dit hof [eisers] c.s. op 12 juni 2018 heeft veroordeeld aan [gedaagde] de schade te vergoeden die het gevolg was van een corporate raid op Leaderland, waarvan [gedaagde] mede-aandeelhouder was: [eisers] c.s. hebben tegenover [gedaagde] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsverplichting geschonden, nu zij op basis van een vooropgezet plan, dat gebaseerd is op list en bedrog, hebben gepoogd hem als aandeelhouder van de Leaderlandvennootschappen in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [naam1] en [eiser3] . Tegen die uitspraak is geen cassatieberoep ingesteld. [eisers] c.s. verzoeken het hof nu om herroeping van dat arrest. 2.2 De veroordeling van [eisers] c.s. in het arrest van 12 juni 2018 is gebaseerd op de volgende in die procedure vastgestelde feiten. 2.3 De eerste Leaderlandvennootschap, Leaderland TTM, is op 6 februari 1997 opgericht door [gedaagde] , [eiser1] en [eiser3] . De onderneming die door deze vennootschap werd gedreven, hield zich bezig met inkoop en verkoop van vetten en oliën van voornamelijk Nederlandse leveranciers en de (intercompany) doorlevering daarvan aan Russische vennootschappen. Op 17 augustus 2012 zijn Leaderland TTM I, TTM II en TTM III opgericht. [gedaagde] en [eiser3] houden sindsdien ieder 25% van de aandelen in de Leaderlandvennootschappen. [eiser1] houdt 50% van de aandelen. [gedaagde] is bij de afsplitsing bestuurder geworden van al deze vennootschappen. 2.4 In oktober 2012 is de verstandhouding tussen [gedaagde] enerzijds en [eiser1] en [eiser3] anderzijds verslechterd. Op 8 oktober 2012 heeft [gedaagde] zich ziek gemeld. Hij is daarna op 19 april 2013 als bestuurder ontslagen. [eiser5] is in zijn plaats benoemd. 2.5 Aan de besluiten tot ontslag van [gedaagde] zijn ten grondslag gelegd een gebrek aan vertrouwen, het overtreden van financiële discipline, het verstrekken van onjuiste gegevens over contracten, het liegen over marktprijzen voor grondstoffen, het misbruik maken van zijn positie en het gebruik van financiële middelen van het bedrijf en het niet teruggeven daarvan. 2.6 De rechtbank Midden-Nederland in Lelystad heeft de arbeidsovereenkomst tussen Leaderland TTM en [gedaagde] met ingang van 15 december 2013 ontbonden. Voor de bepaling van de toepasselijke correctiefactor is meegewogen dat [gedaagde] had moeten weten dat het sluiten van langlopende contracten grote risico's voor de onderneming meebracht en dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij aan de vennootschap onttrokken gelden ten behoeve van de vennootschap heeft besteed of heeft terugbetaald. Een en ander betekent dat de verstoorde verhoudingen ook aan [gedaagde] zijn te wijten, aldus de rechtbank. 2.7 Deze ontbinding en het daaraan voorafgaande ontslag was echter het gevolg van c.q. maakte deel uit van een vooropgezet plan van [eisers] en consorten dat was gebaseerd op list en bedrog, in een poging [gedaagde] als aandeelhouder van de Leaderlandvennootschappen in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [eiser1] en [eiser3] . 2.8 Naast procedures in Nederland, onder meer bij de Ondernemingskamer, en een procedure in Rusland, zijn tussen [gedaagde] , Leaderland TTM en [naam1] (onder meer) ook sekwester- en beslagprocedures in België aanhangig (geweest). Thans zijn, naast de onderhavige procedure strekkende tot herroeping van het arrest van dit hof van 12 juni 2018 ook nog enkele procedures tussen partijen aanhangig, waaronder de schadestaatprocedure als vervolg op het arrest van 12 juni 2018 (aanhangig bij de rechtbank Midden-Nederland) en een procedure tussen [eiser1] en Raw Materials tegen Leaderland TTM, I, II, en III (alle in liquidatie) en [gedaagde] (200.257.818). Deze zaak staat nu voor arrest. 3Het oordeel van het hof De opzet en de conclusie van deze uitspraak 3.1 Het hof zal de argumenten van [eisers] c.s. hierna per onderwerp en met tussenkopjes bespreken. De conclusie is dat het verzoek om herroeping wordt afgewezen. De Nederlandse rechter is bevoegd. Nederlands recht in van toepassing 3.2 Omdat Investment Group is gevestigd in België en [eiser5] in Rusland woont, heeft de vordering een internationaal karakter. De Nederlandse rechter is bevoegd daarvan kennis te nemen, omdat een heropening moet worden behandeld door de rechter die over de vordering het laatst een oordeel heeft geveld. 3.3 Het hof is in het arrest van 12 juni 2018 uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. In overeenstemming hiermee zijn partijen in deze procedure ook van Nederlands recht uitgegaan – naar het hof begrijpt omdat het een vordering uit onrechtmatige daad betreft en zij tot die keuze bevoegd zijn op grond van artikel 14 Rome II. Het hof ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. Inleidende opmerkingen over de vordering tot herroeping 3.4 Uitgangspunt van het wettelijke stelsel is, dat rechterlijke uitspraken in burgerrechtelijke procedures voor de daarin betrokken partijen bindend zijn, zolang die uitspraken niet zijn vernietigd op grond van een daartegen met succes ingesteld schorsend rechtsmiddel, verzet, hoger beroep of cassatie. Het beginsel van de rechtszekerheid staat dus voorop, en onderstreept het serieuze karakter van de rechtspraak. Het in artikel 328 Rv geregelde rechtsmiddel herroeping maakt daarop een uitzondering in die gevallen waarin de eis van de rechtvaardigheid prevaleert boven het belang van de aan de onaantastbaarheid van een rechterlijke beslissing verbonden rechtszekerheid. De rechter is gelet daarop gehouden zeer terughoudend om te gaan met de toelating van dit buitengewone rechtsmiddel. Hierna zal het hof uitleggen waarom het verzoek in dit geval bij lange na niet aan deze strenge eis voldoet. De onderbouwing van het verzoek kan hoe dan ook niet tot herroeping van het arrest van 12 juni 2018 leiden 3.5 In deze procedure proberen [eisers] c.s. een nadere onderbouwing te geven aan het verwijt dat [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid tegenover hen tot schadevergoeding is gehouden. Aangevoerd wordt dat [gedaagde] voorafgaand aan zijn vertrek samenwerkte met of betrokken was bij de grootste Russische concurrent van Leaderland, EFKO (ЭФКО), met de bedoeling Leaderland ten gronde te richten. De maatregelen die [eisers] c.s. hebben moeten nemen, waren erop gericht om dat tegen te gaan en Leaderland van de ondergang te redden. Het zou dus niet [eisers] c.s. zijn geweest die een crisis heeft veroorzaakt of voorgewend, maar [gedaagde] . 3.5 Die onderbouwing kan, ook als zij juist zou zijn, in de al genomen beslissing geen verandering brengen. In het arrest uit 2018 heeft het hof onder verwijzing naar deze beschuldigingen immers al vastgesteld dat deze verwijten niet kunnen afdoen aan het verwijt dat [gedaagde] op zijn beurt aan [eisers] c.s. maakt. Dat wil zeggen: dat die partijen een schijnconstructie hebben opgetuigd om [gedaagde] buiten spel te zetten. Daartoe overwoog het hof: “6.17 [eisers] c.s. hebben betoogd dat niet zijzelf, maar juist [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid tegenover hen tot schadevergoeding is gehouden. In de procedures die daarover zijn gevoerd, hebben zij aangevoerd dat onder het bestuur van [gedaagde] vanaf medio 2011 tot aan diens ontslag (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.