GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.253.524/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C16/443298) arrest van 26 januari 2021 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , Turkije, appellant,in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. E. Sengül, kantoorhoudend te Kampen, die ook schriftelijk heeft gepleit, tegen [geïntimeerde] , wonende op [B] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. D. Talsma, kantoorhoudend te Drachten, die ook schriftelijk heeft gepleit. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 augustus 2019 hier over. 1.2 In dat tussenarrest is een comparitie van partijen bepaald. Deze comparitie zou op 25 juni 2020 plaatsvinden, maar kon vanwege de maatregelen rond het Covid 19 virus niet (fysiek) doorgaan. Partijen hebben toen aangegeven dat zij in plaats van de comparitie een schriftelijk pleidooi wilden. 1.3 De advocaten van partijen hebben vervolgens hun pleitnotities ingediend. Volgens [appellant] heeft de advocaat van [geïntimeerde] haar pleitnotitie pas opgesteld nadat zij kennis had genomen van zijn pleitnotitie (zonder het repliek-gedeelte). Als dat zo is gegaan, is dat niet conform het rolreglement. Maar de advocaat van [appellant] heeft vervolgens toch op de pleitnota van de advocaat van [geïntimeerde] kunnen reageren (inclusief op de daarin volgens hem al vervatte reactie op zijn eigen pleitnotitie), zodat [appellant] door deze gang van zaken niet is benadeeld. Het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] een stelling bij schriftelijk pleidooi heeft gewijzigd naar aanleiding van wat in de pleitnotitie van zijn advocaat is aangevoerd, is speculatief en ziet er bovendien aan voorbij dat de advocaat van [geïntimeerde] , als het rolreglement was gevolgd, ook nog in het repliekgedeelte van haar pleitnotitie had kunnen reageren op het eerste deel van de pleitnotitie van de advocaat van [geïntimeerde] . Zij had dan ook een nuancering had kunnen aanbrengen op een eerder ingenomen stelling. 1.4 Vervolgens zijn de aanvullende stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof een datum voor arrest bepaald. 2 2 Waar gaat het om? 2.1 [appellant] vordert in hoger beroep een bedrag van € 23.670,-, te vermeerderen met rente en kosten van [geïntimeerde] . Hij stelt dat hij dit bedrag in delen in de periode van juli 2013 tot en met juli 2015 aan [geïntimeerde] heeft betaald. [geïntimeerde] zou de aan hem betaalde bedragen gebruiken ten behoeve van [appellant] en zijn gezin, die in Nederland zouden gaan wonen. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de bedragen niet ten behoeve van hem en zijn gezin gebruikt. [geïntimeerde] heeft de besteding van de bedragen volgens [appellant] ook niet willen verantwoorden. 2.2 De achtergrond van het geschil tussen partijen wordt gevormd door de volgende feiten. 2.3 [appellant] woont in Turkije, [geïntimeerde] woont op [B] . Zij kennen elkaar uit het verleden. In 2013 zijn zij opnieuw met elkaar in contact gekomen en er ontstond (opnieuw) een vriendschappelijke relatie tussen hen. In 2015 en 2016 hebben de vrouw ( [C] ) en twee kinderen van [appellant] tijdelijk in Nederland, op [B] , gewoond. [appellant] bleef vanwege zijn werk in Turkije wonen, maar kwam geregeld naar Nederland. 2.4 [appellant] heeft de volgende bedragen overgeboekt:- € 1.750,- op 10 juli 2013 via Western Union, met als ontvanger [geïntimeerde] ;- € 870,- op 12 augustus 2013 via Western Union, met als ontvanger [geïntimeerde] ;- € 2.500,- op 4 juli 2014 via Western Union, met als ontvanger [D] ;- € 5.250,- op 30 juni 2015 door storting op de bankrekening van [geïntimeerde] ;- € 15.000,- op 27 juli 2015 door storting op de bankrekening van [geïntimeerde] .Het gaat in totaal om een bedrag van € 25.370,-. 2.5 Op 4 september 2015 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 1.700,- overgemaakt naar de Nederlandse bankrekening die [C] inmiddels had geopend. 2.6 De vrouw van [appellant] , [C] en [geïntimeerde] hebben op 23 februari 2015 een v.o.f. opgericht waarin zij een restaurant, [E] , exploiteerden. [C] is op 15 februari 2016 uitgetreden uit de v.o.f. [C] en [geïntimeerde] hebben op 14 februari 2016 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat [geïntimeerde] nog een bedrag van € 23.700,-, aangeduid als de restschuld, aan [C] verschuldigd is en dat dit bedrag in maandelijkse termijnen van € 650,- moet worden terugbetaald. 2.7 In een e-mailbericht van 27 september 2016 heeft [appellant] [geïntimeerde] verzocht om hem een overzicht te verstrekken van de door hem voor [appellant] gedane uitgaven. 2.8 [appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland (locatie Lelystad). Hij heeft gevorderd dat [geïntimeerde] veroordeeld wordt tot betaling aan hem van € 25.370,-, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. 2.9 In hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn eis verminderd met het door [geïntimeerde] betaalde bedrag van € 1.700,-. Het hof zal over deze verminderde vordering beslissen. 3 3 De beoordeling van het geschil Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.1 Omdat [geïntimeerde] in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. 3.2 De rechtbank heeft vastgesteld dat beide partijen uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht en heeft om die reden Nederlands recht toegepast. In hoger beroep heeft geen van partijen daar bezwaar tegen gemaakt, zodat ook het hof zal uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Hoeveel heeft [appellant] aan [geïntimeerde] betaald? 3.3 [geïntimeerde] heeft betwist dat het bedrag van € 2.500,- dat op 4 juli 2014 via Western Union is overgeboekt voor hem bestemd was. [geïntimeerde] stelt dat hij [D] , aan wie het bedrag is betaald, ook niet kent. Het bedrag is ook niet bij hem, [geïntimeerde] , terechtgekomen. [appellant] vindt het verweer van [geïntimeerde] niet overtuigend. Hij wijst erop dat [geïntimeerde] in de conclusie van antwoord de ontvangst van het bedrag van € 2.500,- niet heeft bestreden en in die conclusie heeft verwezen naar een overzicht van door hem ten behoeve van [geïntimeerde] gedane bestedingen dat sluit op een bedrag van € 25.599,99, ongeveer het bedrag van € 25.370,- dat hij, inclusief de betaling van € 2.500,- in totaal heeft overgemaakt. 3.4 Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. [appellant] ziet over het hoofd dat [geïntimeerde] in punt 31 van de conclusie van antwoord uitdrukkelijk heeft bestreden dat het bedrag van€ 2.500,- voor hem bestemd was. Daarnaast heeft hij het verweer gevoerd dat de in 2013 en 2014 gedane betalingen bedoeld waren voor kosten ten behoeve van de oprichting van de onderneming en dat die betalingen onderdeel uitmaken van de vaststellingsovereenkomst. Aan het feit dat het genoemde overzicht sluit op een bedrag van ongeveer € 26.000,- (dus ook ruimschoots meer dan € 25.370,-) kan redelijkerwijs niet de conclusie worden verbonden dat ook [geïntimeerde] is uitgegaan van de ontvangst van een bedrag van € 25.370,-. 3.5 [appellant] vordert onder meer de terugbetaling van het bedrag van € 2.500,-. Op hem rusten stelplicht en bewijslast van zijn stelling dat hij het op 4 juli 2014 overgemaakte bedrag van € 2.500,- aan [geïntimeerde] ter beschikking is gekomen. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [geïntimeerde] deze stelling gemotiveerd heeft weersproken. [appellant] heeft niet aangeboden deze stelling te bewijzen en het hof ziet ook geen reden hem ambtshalve tot dit bewijs toe te laten. Dat betekent dat de vordering van [appellant] in elk geval betreffende het bedrag van € 2.500,- niet toewijsbaar is. Grief II van [appellant] , die is gericht tegen het vergelijkbare oordeel van de rechtbank op dit punt, faalt dan ook. De grondslag van de vordering van [appellant] 3.6 De feitelijke grondslag van de resterende vordering van [appellant] op [geïntimeerde] van € 22.780,- is dat hij [geïntimeerde] dat bedrag ter beschikking heeft gesteld en dat deze het ten behoeve van [appellant] en zijn gezin diende aan te wenden. Omdat [geïntimeerde] niet heeft aangetoond dat hij het bedrag daadwerkelijk ten behoeve van [appellant] en zijn gezin heeft besteed (met uitzondering van de overboeking op 4 september 2015 van € 1.700,-), dient [geïntimeerde] het bedrag aan hem terug te betalen, aldus [appellant] . 3.7 [appellant] geeft (in hoger beroep) drie juridische grondslagen voor zijn vordering: allereerst moet de verhouding tussen hem en [geïntimeerde] worden gezien als een overeenkomst van opdracht. [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit deze overeenkomst, waardoor ontbinding van de overeenkomst is gerechtvaardigd. Als geen sprake is van een overeenkomst van opdracht, is volgens [appellant] sprake van onverschuldigde betaling, dan wel van ongerechtvaardigde verrijking. 3.8 Volgens [geïntimeerde] is geen sprake van een overeenkomst van opdracht, maar van een vriendendienst. Het hof zal eerst ingaan op de vraag of sprake is van een overeenkomst van opdracht of van een vriendendienst. 3.9 In de praktijk is de scheidslijn tussen een overeenkomst van opdracht en een vriendendienst dun. Een vriendendienst is een eenvoudige toezegging tot hulp en bijstand in de particuliere sfeer die niet als een overeenkomst moet worden opgevat. Op grond van artikel 7:400 BW is de overeenkomst van opdracht de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt werkzaamheden te verrichten, anders dan op grond van de arbeidsovereenkomst. Kenmerkend voor een overeenkomst van opdracht is dat de ene partij bepaalde verrichtingen aan de andere partij kan opdragen, die de andere partij dan moet uitvoeren, waarbij hij zich ook moet houden aan de door de opdrachtgever gegeven aanwijzingen (vgl. artikel 7:402 BW). De overeenkomst van opdracht is een overeenkomst tot dienstbetoon. Daarin ligt het raakvlak met de vriendendienst. Of een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, in die zin dat er rechtens afdwingbare afspraken zijn gemaakt, dan wel of sprake is geweest van een vriendendienst is afhankelijk van de bedoeling van partijen en van wat partijen over en weer jegens elkaar hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van een overeenkomst van opdracht, rusten op degene die zich op het bestaan van deze overeenkomst beroept en daaraan rechtsgevolgen verbindt, in dit geval dus op [appellant] . 3.10 Wat door [appellant] is aangevoerd, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. Partijen zijn het erover eens dat tussen hen een vriendschappelijke verhouding bestond en dat [geïntimeerde] in het kader van die verhouding heeft toegezegd [appellant] te willen helpen bij de vestiging van diens gezin in Nederland. Dat wijst niet op een overeenkomst tot opdracht. Om te kunnen oordelen dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten, had het op de weg van [appellant] gelegen om ten minste aan te voeren wat hij met [geïntimeerde] heeft afgesproken over de aard, de omvang en de frequentie van de werkzaamheden die door hem aan [geïntimeerde] werden opgedragen. [appellant] heeft daarover niets concreets gesteld. Uit zijn stellingen volgt ook niet dat [geïntimeerde] aan hem gegeven opdrachten moest uitvoeren en dat in die zin geen sprake was van de vrijblijvendheid die kenmerkend is voor een vriendendienst, en die meebrengt dat de gevraagde dienst ook geweigerd kan worden. Ook volgt uit de stellingen van [appellant] niet dat [geïntimeerde] zich bij de uitvoering van aan hem verleende opdrachten moest houden aan door [appellant] gegeven aanwijzingen. Bovendien heeft [appellant] niet weersproken dat geen afspraken zijn gemaakt over een vergoeding voor de door [geïntimeerde] gemaakte onkosten. 3.11 De conclusie is dan ook dat [appellant] zijn stelling dat tussen hem en [geïntimeerde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, onvoldoende heeft onderbouwd. Dat betekent dat op de verhouding tussen hen de artikelen 7:401-412 BW niet van toepassing zijn. Het beroep dat [appellant] doet op artikel 7:403 lid 2 BW, dat een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording door de opdrachtnemer inhoudt, gaat om die reden niet op. Het bezwaar dat [appellant] maakt tegen het oordeel van de rechtbank op dit punt, is dan ook onterecht. 3.12 Het enkele feit dat geen sprake is van een overeenkomst van opdracht maar van een vriendendienst betekent niet dat [geïntimeerde] kon doen wat hij wilde met het van [appellant] ontvangen geld. Integendeel, en daar zijn partijen het ook over eens, [geïntimeerde] moest dat geld besteden overeenkomstig de bedoeling ervan, te weten ten behoeve van (het gezin van) [appellant] . Indien (of voor zover) hij dat niet heeft gedaan, moet hij het niet door hem conform de bedoeling bestede bedrag in beginsel terugbetalen. [appellant] baseert die verplichting indien geen sprake is van een overeenkomst van opdracht op onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Naar het oordeel van het hof kan de precieze rechtsgrond in het midden blijven, omdat partijen het er wel over eens zijn dat [geïntimeerde] ook indien sprake is van een vriendendienst het door hem ontvangen geld ten behoeve van [appellant] diende te besteden en dat hij wat hij niet ten behoeve van [appellant] had besteed aan hem moest terugbetalen. Dat [geïntimeerde] zich verplicht wist het niet bestede bedrag terug te betalen, volgt ook uit het feit dat hij het bedrag dat volgens hem ‘over’ was, te weten € 1.700,-, weer op de bankrekening van de echtgenote van [appellant] heeft overgemaakt. Heeft [geïntimeerde] het door hem ontvangen geld ten behoeve van [appellant] besteed?3.13 Volgens [appellant] dient [geïntimeerde] te stellen en te bewijzen dat hij de aan hem beschikbaar gestelde gelden overeenkomstig de bedoeling heeft besteed. Het verweer van [geïntimeerde] dat hij dat ook heeft gedaan, is volgens hem een bevrijdend verweer. [appellant] beroept zich in dit verband op een arrest van de Hoge Raad van 27 november 2009, ook aangehaald in een arrest van dit hof van 11 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.