GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, sector handel zaaknummer gerechtshof 200.250.919 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden C/17/134996/ HA ZA 14-224 arrest van 3 augustus 2021 in de zaak van [appellant] wonend te: [woonplaats1] , hierna: [appellant] , bij de rechtbank: eiser, in hoger beroep: appellant in het principaal appel en geïntimeerde in het incidenteel appel, advocaat: mr. D.F. Fransen (voorheen mr. E. Visser), te Leeuwarden, tegen 1de vennootschap onder firmaMika/Bouwhorst Project V.O.F., gevestigd te: Katlijk, hierna: Mika v.o.f.,
(34)schade was ontstaan. Het funderen is toen stilgelegd en hervat op 14 november 2008. Vervolgens meldde [appellant] opnieuw schade aan pand 34 en is het funderen opnieuw gestaakt. Vervolgens zijn de funderingswerkzaamheden op 24 november 2008 voortgezet. Daarbij is één paal de laatste anderhalve meter met hoge frequentie in de bodem gedreven. Daarbij zijn de trillingen gemeten. De gemeente is daarbij betrokken. Het funderen is vervolgens opnieuw gestaakt. Op 28 november 2008 zijn door een andere onderaannemer ‘schroefinjectiepalen’ trillingvrij aangebracht waarmee de fundering van pand 36 is voltooid. 4.15 Onder pand 34 werd, met uitzondering van de scheidingsmuur, de oorspronkelijke, onder 2.5 beschreven fundering gehandhaafd. De scheidingsmuur, die constructief deel uitmaakt van zowel pand 34 als pand 36, was daarmee voorzien van een nieuwe fundering. De overige muren van pand 34 steunden nog op de oude fundering. Pand 36 en de scheidingsmuur steunden dus op palen en (de overige muren van) pand 34 op stroken met metselwerk. De oude en nieuwe fundering steunden op andere lagen in de bodem, die qua diepte en vastheid ongelijk waren. De bodemlaag waarop pand 36 en de scheidingmuur waren gefundeerd, is minder zettingsgevoelig dan de minder diep gelegen bodemlaag waarop de rest van pand 34 was gefundeerd. Met ‘zettingsgevoeligheid’ wordt hier bedoeld de mate waarin de bodem/de grond door belasting en/of druk van bovenaf wordt samengedrukt. Anders gezegd: de draagkracht van de bodem voor daarop gebouwde of geplaatste objecten. 4.16 In opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] heeft Lengkeek Expertises op 2 februari 2009 en op 12 november 2009 pand 34 geïnspecteerd en een rapport d.d. 19 april 2010 uitgebracht waarin (hier verkort weergegeven en voor zover in hoger beroep nog relevant) is vermeld dat scheurvorming in diverse ruimtes in pand 34 is geconstateerd, alsmede dat de scheidingswand is hersteld door metselwerk aan de kant van pand 36. Aan de kant van pand 34 is de scheidingsmuur niet hersteld. De vloeren zijn vervuild door het metselwerk. Verder is in het rapport Lengkeek het volgende vermeld:“Gelet op de uiterlijke kenmerken van de scheurvorming ter plaatse van de voor-, zij- en achtergevel hebben wij geconstateerd dat er sprake is van bestaande problemen/scheurvorming. Deze problemen houden verband met een verzakking van het pand die, gelet op de aangetroffen situatie, al geruime tijd geleden in gang is gezet. Ons inziens is thans met betrekking tot deze verzakking al geruime tijd sprake van een stabiele situatie. Na bestudering van het vooropnamerapport van Crawford blijkt dat er met betrekking tot de buitengevels niet (of nauwelijks) sprake is van opgetreden verschillen. Indien er al enige uitbreiding van de scheurvorming is opgetreden, hetgeen overigens niet is gebleken, is er ons inziens geen sprake van toename van herstelkosten. Na een vergelijking van de door Lengkeek Vooropnames uitgevoerde opnamerapporten blijkt dat er ter plaatse van de achtergevel en het dak ten gevolge van de uitgevoerde werkzaamheden geen uitbreiding van de scheurvorming is ontstaan en blijkt dat er ter plaatse tevens geen overige problemen zijn ontstaan. (…) Na ons onderzoek komen wij tot de conclusie dat er sprake is van nieuwe scheurvorming en uitbreiding van bestaande scheurvorming aan de binnenzijde van de woning. Ten aanzien van de door ons geïnventariseerde problemen/scheurvorming aan de binnenzijde van de woning zijn de herstelkosten als volgt door ons begroot. • Herstel aangetroffen scheurvorming en overige gebreken € 7.400,00 inclusief BTW. Ten aanzien van de door ons geïnventariseerde problemen met betrekking tot de erfafscheiding en het aangetroffen bouwafval in de tuin van uw cliënt zijn de kostenconsequenties als volgt door ons begroot. (…) De kosten voor het herstel bedragen circa € 2.150,00 inclusief BTW. Het is niet uit te sluiten dat de gestelde lekkageproblemen veroorzaakt zijn door de door wederpartij uitgevoerde werkzaamheden. OPMERKINGEN Uit de, via uw cliënt, door ons ontvangen foto's blijkt dat de bestaande zoldervloer van het pand van wederpartij is gehandhaafd. Op deze vloer is een met steenwol geïsoleerde houtskeletbouwwand geplaatst voor de bestaande woningscheidende muur. De scheurvorming in de bestaande woningscheidende muur is enkel met pur-schuim opgevuld. Uw cliënt heeft aangegeven dat hij twijfels heeft over de geluidsisolatie van de door wederpartij aangebrachte nieuwe zijgevel en dat deze zijgevel niet zou zijn gebouwd conform de afgegeven bouwvergunning. Ons inziens is in de huidige situatie sprake van een verbeterde geluidsisolatie ten opzichte van de situatie zoals die voorheen was. (…).” 4.17 Op verzoek van [appellant] heeft de rechtbank bij beschikking van 18 augustus 2011 een voorlopig deskundigenbericht bevolen naar het bestaan, de omvang en de oorzaak van schade aan pand 34. Dit onderzoek is uitgevoerd door Ir. [de deskundige1] van Bureau voor Bouwpathologie BB te Montfoort (hierna: de deskundige). Deze heeft pand 34 op 25 oktober 2011 onderzocht en heeft een deskundigenbericht d.d. 31 mei 2012 geschreven. Daarin in een groot deel van de vertrekken van pand 34 scheurvorming in de wanden en het plafond geconstateerd. Verder heeft de deskundige bij zijn beantwoording van de aan hem gestelde vragen het volgende in zijn rapport vermeld: “Vraag 3. Welke schade (of in voorkomend geval: toegenomen schade) is er aan de orde bij de woning? Wanneer is deze schade ontstaan? Antwoord: De volgende schade is aan de orde bij de woning: Scheurvorming in interieur, wanden, plafonds en afwerkingen. Plaatselijk afgevallen stucwerk. Scheurvorming in exterieur: scheuren in gevels. Kapotte ruit in achtergevel. Klemmende deuren binnen en buiten. Achterstallig onderhoud. Genoemde schades zijn waargenomen tijdens de rondgang in en om de woning in het bijzijn van partijen. Wanneer welke schade is ontstaan is niet geheel sluitend te beantwoorden voor alle waargenomen schades. Er is op twee momenten een vastlegging gemaakt van de schade van de woning, na de sloopwerkzaamheden, vóór de heiwerkzaamheden. Ondergetekende kan dus toegenomen schade vaststellen van af het moment dat de vooropnames zijn gemaakt. De toegenomen schade in de woning van de heer [appellant] is feitelijk vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de foto's van Mika / Bouwhorst gemaakt op 7 mei 2008, de vooropname van Crawford & Company Nederland B.V. op 27 mei 2008 en de opname (na schademelding) van Hayma Advies op 15 augustus 2008 met de door ondergetekende vastgestelde schade tijdens de opname op 25 oktober 2011. Daarnaast is toegenomen schade in de lijst opgenomen daar waar beide partijen tijdens de opname hebben aangegeven dat deze is ontstaan als gevolg van de heiwerkzaamheden. (…) Begane grond: Schade 1: Scheur rechts van voordeur, (zie waarneming 1 en foto 01). Gebaseerd op de mededelingen en de foto's uit het rapport van Crawford en Company en de foto's van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan na 7 mei 2008, (zie foto 01 en 01a). Schade 2: Scheur in aansluiting woningscheidende wand met plafond over de gehele lengte van de gang, (zie waarneming 2 en foto 02). - Gebaseerd op de mededelingen en de foto's uit het rapport van Crawford en Company en de foto’s van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan na 7 mei 2008, (zie foto 02 en 02a). Schade 3: Scheur in boog boven doorgang naar keuken in gang, (zie waarneming 3 en foto 03). Later ook brokstukken eruit gevallen. - Gebaseerd op de mededelingen en de foto's uit het rapport van Crawford en Company en de foto’s van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan na 7 mei 2008, (zie foto 03/04 en 03a/04a). Schade 4: Linker schuifdeur van voorkamer naar achterkamer klemt, schuift in het geheel niet meer, (zie waarneming 5 en foto 05). Gebaseerd op de mededelingen en de foto’s uit het rapport van Crawford en Company en de foto's van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan na 7 mei 2008, (zie foto 05 en 05a). Schade 5: Scheur midden op wand tussen de deur van de keukenen van het toilet, (zie waarneming 9 en foto 13). Deze scheur loopt ook in de muziekkamer en op de overloop - Gebaseerd op de mededelingen en de foto's uit het rapport van Crawford en Company en de foto's van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan na 7 mei 2008, (zie foto 06 en 06a). 1e verdieping: Schade 6: Scheur in woningscheidende wand en de daartegen geplaatste wand ter hoogte van dé trap en op de overloop, (zie waarneming 16 tot en met 18 en foto 27 tot en met 32). - Gebaseerd op de mededelingen en de foto's uit het rapport van Crawford en Company en de foto's van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan na 7 mei 2008, (zie foto 07 en 07a). Schade 7: Scheur in de wand tussen de muziekkamer en de overloop,(zie waarneming 21 en foto 37 tot en met 42). Deze scheur loopt ook op de begane grond op de wand bij de keuken en het toilet. - Gebaseerd op de mededelingen en de foto’s uit het rapport van Crawford en Company en de foto’s van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan na 7 mei 2008, (zie foto 08/09 en 08a/09a ). Schade 8: Kapotte ruit in slaapkamer, (zie waarneming 25 en foto 45). - Gebaseerd op de mededelingen en de foto's uit het rapport van Crawford en Company en de foto's van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan na 7 mei 2008. Zolderverdieping: Schade 9: Beschadiging in de woningscheidende wand, het metselwerk is weggedrukt, (zie waarneming 30). - Gebaseerd op de mededelingen en de foto's uit het rapport van Crawford en Company en de foto's van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan vóór 7 mei 2008 tijdens sloopwerkzaamheden in het pand op nummer 36, (zie foto 10). Schade 10: Scheurvorming in de woningscheidende wand ter plaatse van de aansluiting van de trap, (zie waarneming 30). – Gebaseerd op de mededelingen en de foto's uit het rapport van Crawford en Company en de foto's van Mika/Bouwhorst kan gesteld worden dat deze schade is ontstaan vóór 7 mei 2008 en verergerd na die tijd, (zie foto 11 en 11 a). Gebaseerd op de mededelingen, de foto's uit het rapport van Crawford en Company en de foto's van Mika/Bouwhorst kan voor alle overige geconstateerde schades gesteld worden dat deze niet zijn verergerd en ook niet zijn veroorzaakt door de werkzaamheden aan het pand op nummer 36. Vraag 4. Waardoor wordt deze (toegenomen) schade in voorkomend geval veroorzaakt? Antwoord: De toegenomen schade is veroorzaakt door het heien op 11, 14 en 24 november 2008 in het pand op nummer 36. Uitzondering hierop is de schade op de zolder waar het metselwerk is weggedrukt. Deze is volgens mededeling van beide partijen veroorzaakt door de sloopwerkzaamheden in het naastgelegen pand. Vraag 5. Is er sprake van een eindsituatie? Zo nee, waardoor wordt dat veroorzaakt en hoeveel (extra) schade verwacht u nog? Antwoord: Er is geen sprake van een eindsituatie. De oorzaak hiervan is te vinden in het feit dat de woningscheidende wand tussen nummer 34 en 36 nu is onderheid. De helft van het dubbele woonhuis (nummer 36), inclusief de gemeenschappelijke scheidingsmuur, is nu gefundeerd op een diep gelegen draagkrachtige laag. Het woonhuis van de heer [appellant] op nummer 34 staat, met uitzondering van de woningscheidende wand, nog op staal gefundeerd. Dit is een ondiepe manier van funderen, op een draagkrachtige laag in de bovenste lagen van de bodem. Deze bovenlagen in de bodem ondergaan andere wijzigingen en invloeden van buitenaf dan de dieper gelegen draagkrachtige lagen. Deze koppeling van een fundering op staal aan een onderheide fundering is onwenselijk, zeker in het geval van dit dubbele woonhuis. Wanneer in de toekomst wijzigingen optreden in de draagkracht van de grondlagen tussen de ondiep en de diep gelegen draagkrachtige lagen, bijvoorbeeld door trillingen van zwaar verkeer of wijzigingen in de grondwaterstand, zal het op staal gefundeerde gedeelte van het pand andere zettingen ondergaan dan het onderheide gedeelte. Dit levert ongelijke zettingen in het dubbele woonhuis op met schade tot gevolg. Kortom ongelijke diepte van funderen levert ongelijke zettingen op en dus is schade te verwachten. Of schade zal optreden zal de toekomst dus moeten uitwijzen. De hoeveelheid schade valt niet te voorspellen. Vraag 6. Hoe dient de schade in voorkomend geval te worden hersteld? Dienen ten behoeve van het herstel of ter voorkoming van nieuwe schade werkzaamheden aan de fundering van de woning te worden verricht, mede gelet op het feit dat de woningen onderling niet gedilateerd zijn en de gemeenschappelijke muur tussen nr. 34 en 36 gedurende de werkzaamheden is onderheid? Antwoord: Gezien het feit dat de gemeenschappelijke scheidingswand tussen huisnummer 34 en 36 nu is onderheid, kan schade in de toekomst slechts worden vermeden door ook het resterende gedeelte van het woonhuis op nummer 34 op palen te funderen. Dit is te realiseren door funderingspalen aan te brengen met daarop een dragende vloer die ingekast wordt in de gevels en in de dragende wanden in de woning. Hierbij dient er rekening mee gehouden te worden dat deze nieuwe fundering losgekoppeld wordt / blijft van de fundering van het belendende pand op nummer 32.” 4.18 Alle hiervoor genoemde rapporten van partijdeskundigen en van de door de rechtbank benoemde deskundige hebben als bijlagen een groot aantal foto’s. De in deze procedure overgelegde kopieën van die foto’s zijn voor een groot deel zo slecht dat deze niet goed zijn te beoordelen. Het is aan partijen zorg te dragen voor het aanleveren van leesbare producties ter onderbouwing van hun standpunten. Het hof ziet geen aanleiding partijen in dit stadium van de procedure nog in de gelegenheid te stellen nieuwe kopieën van de foto’s in het geding te brengen. 4.19 Omdat de rechtbank zich door het deskundigenrapport van BB Bouwpathologie onvolledig en/of onvoldoende duidelijk voorgelicht oordeelde, heeft zij bij beschikking van 9 december 2015 een tweede deskundigenbericht bevolen en daarbij als deskundige benoemd: Prof. dr. ir. ing. [de deskundige2] verbonden aan Crux Engineering B.V. te Amsterdam. De deskundige heeft zijn bevindingen vastgelegd in een rapport d.d. 3 januari 2017 (hierna: rapport Crux). Een aantal van de daarin genoemde feiten zijn, voor zover niet weersproken door partijen, verwerkt in de hiervoor vastgestelde feiten onder 2.4 tot en met 2.12. In het rapport Crux schrijft de deskundige onder meer het volgende: “Voorafgaande aan de sloopwerkzaamheden had Mika c.s. een bouwkundige vooropname moeten laten uitvoeren. Pas nadat [adres] 36 intern gestript was en door de heer [appellant] was aangegeven dat hij hiervan schade heeft ondervonden, is door Crawford in opdracht van De Bouwhorst B.V. een bouwkundige opname gedaan. Daarnaast hadden de sloopwerkzaamheden met de nodige zorgvuldigheid uitgevoerd moeten worden. Gezegd moet worden dat de uitgevoerde bouwkundige opname van Crawford van mei 2008 wel een beeld geeft van de bouwkundige staat van de woning van de heer [appellant] voorafgaande aan de heiwerkzaamheden. Funderingsherstel van het bestaande pand nr. 36 zou worden gedaan met stalen buispalen met schachtdiameter 168mm en voetplaat 200mm. Daar de palen tot in de vastgepakte zandlaag zouden worden geheid en de palen gesitueerd waren pal naast de scheidingsmuur met nr. 34 had minimaal een trillingmeting uitgevoerd moeten zijn tijdens de uitvoering van het heiwerk. Indien voorafgaande aan de heiwerkzaamheden een trillingpredictie was uitgevoerd dan had Mika c.s. kunnen weten dat er bij dit paalsysteem een reële kans op schade aanwezig was. (…) Op grond van de trillingmeting(
- en)hadden de gedaagden de heiwerkzaamheden direct moeten staken en voor een geschroefd paalsysteem moeten kiezen hetgeen ook geschiedde echter pas toen al meerdere palen tot in het vastgepakte zand waren gebracht (heiend dan wel trillend). (…) Onderscheidt dient te worden gemaakt tussen eventuele schade ontstaan ten gevolge van het intern strippen van [adres] 36, het uitgevoerde heiwerk in het kader van het funderingsherstel van [adres] 36 en de overige bouwwerkzaamheden die vervolgens nog zijn uitgevoerd. Doordat voorafgaande aan de sloop- en bouwwerkzaamheden geen bouwkundige opname is uitgevoerd van [adres] 34 en de eerste bouwkundige opname (van Crawford van 27 mei 2008) dateert van ná het intern strippen, kan niet onomstotelijk worden aangegeven wat de schade is die door de sloopwerkzaamheden is ontstaan. Uitzondering hierop is ons inziens de matig tot forse scheurvorming in de halfsteens woningscheidingswand op zolder. Op grond van een vergelijking van de gemaakte foto's voorafgaande aan het heiwerk (maar na uitvoering van het intern strippen van pand 36) met de gemaakte foto's circa 3 jaar na dato (zie hoofdstuk 9.7 in Bijlage 9) achten wij de kans groot / het zeer reëel dat de inpandig ontstane scheuren grotendeels te wijten zijn aan de heiwerkzaamheden. Vanwege de funderingswijze van pand 34 zullen in het verleden zettingen en zettingsverschillen zijn opgetreden. Deze waren blijkbaar dusdanig dat in 1989 gekozen is voor het uitvoeren van een funderingsversterking van de hoek van de voorgevel. Door het heiwerk is de constructie in trilling gebracht wat geleid heeft tot (verdere) scheurvorming, daar de constructie naar alle waarschijnlijkheid al onder spanning stond ten gevolge van de opgetreden hoekverdraaiingen. (…) De noodzaak tot het uitvoeren van funderingsherstel wordt in principe ingegeven door de vervormingen die het pand al heeft ondergaan (hetgeen kan worden bepaald aan de hand van een vloer- en/of lintvoegwaterpassing) en de actuele zakkingssnelheid van het pand (hetgeen bepaald kan worden door het uitvoeren van herhalingsmetingen van op het pand aangebrachte hoogteboutjes). (…) Daar het zeer aannemelijk is dat het pand van [appellant] nog aan zettingen onderhevig is, zal een dergelijk onderzoek vanwege de benodigde tijd die dit vergt, naar alle waarschijnlijkheid leiden tot een verdere toename van de schade terwijl een funderingsherstel in de nabije of verre toekomst toch noodzakelijk is. (…) Gelet op de bodemopbouw en de funderingswijze van de andere bouwmuren is het niet aannemelijk dat in de toekomst geen verdere schade aan de woning van [appellant] zal optreden. De mate waarin is afhankelijk van de funderingsdrukken, de grondslag en invloeden van buiten (onder andere grondwaterstandwijzigingen). Om eventuele gevolgschade te voorkomen is funderingsherstel van het pand van [appellant] noodzakelijk. Het aanbrengen van een dilatatievoeg in de voorgevel zal ons inziens alleen leiden tot een verslechtering, daar de voorgevel zich zal los scheuren van de scheidingswand terwijl aan de situatie in de rest van de woning niks wordt gedaan. De balken in de gang en de keuken zullen net als in de bovengelegen vertrekken in de scheidingswand zijn opgelegd. De zettingsverschillen zullen daar dus in de toekomst alleen maar groter gaan worden waardoor de kans op (verdere) scheurvorming toeneemt. (…) De nieuwbouw en het verbouwde gedeelte vormen bouwkundig een geheel. Het meest voor de hand liggende is dan om beide eenzelfde fundering te geven. Doordat in het ontwerp doorgebroken wordt aan de achterkant, zal aan weerszijden van de doorbrak sprake zijn van geconcentreerde belastingen waarop de strookfundering niet gedimensioneerd is. Deze wijziging in belasting zou dan gezien de beneden aanlegniveau aanwezige grondlagen leiden tot zettingen. Een nagenoeg zettingsvrije funderingsconstructie voor de nieuwbouw wordt verkregen door het toepassen van palen die gefundeerd staan in de diepe zandlaag beneden VP-6m. Indien gefundeerd wordt op de tussenzandlaag op VP-2,0 à -2,5 m met behulp van putringen of op een hoger niveau met behulp van stroken dan zijn afhankelijk van de funderingsdrukken en de grondslag zettingen van enkele mm's tot enkele cm's te verwachten hetgeen niet wenselijk is. Doordat de nieuwbouw op palen wordt gefundeerd, dient in dit geval ook het verbouwde gedeelte op palen te worden gefundeerd waardoor het antwoord op de gestelde vraag is. (…) Het heiend dan wel trillend inbrengen van de stalen buispalen heeft ons inziens de meeste schade veroorzaakt aan de woning van [appellant] . Indien direct al voor een trillingvrij paalsysteem was gekozen en niet pas nadat in totaal 8 stalen buispalen waren ingebracht dan zou direct na afloop van de bouwwerkzaamheden waarschijnlijk geen tot zeer geringe schade aan de woning van [appellant] zijn geconstateerd. Op basis van de bouwkundige opnames kan gesteld worden dat door de bouwwerkzaamheden geen directe schade ontstaan is aan de fundering van [appellant] (geen verzakkingen geconstateerd bij de voor- of achtergevel ter hoogte van de woningscheidingswand). Indirect is door het opvangen van de woningscheidingswand 34/36 met palen is wel een situatie ontstaan die zal leiden zettingsverschillen en tot schade aan de fundering en verdere schade aan de woning van [appellant] . (…) Doordat de gezamenlijke muur onderheid is, is de rest van de fundering onder het pand van [appellant] niet slechter geworden maar is een verschil in zettingsgedrag ontstaan. Het pand staat nu als het ware op twee verschillende typen funderingen. Op grond van de opnames die gedaan zijn voorafgaande aan de heiwerkzaamheden, lijkt het pand van [appellant] onderhevig te zijn (geweest) aan zettingen en met name zettingsverschillen. Dit wordt bevestigd door de uitgevoerde funderingsversterking bij de voorgevel in 1989. Door deze verschilzettingen en de verschillende typen funderingen is schade in de toekomst niet uit te sluiten. De fundering is met betrekking tot de draagkracht dus geschikt, maar vanuit oogpunt van (schade door) vervormingen niet. (…) De reeds eerder opgetreden verzakking aan de rechterzijde van de woning van [appellant] is ondervangen door een ondiep funderingsherstel bestaande uit 2 poeren. Deze kan echter nog steeds als een zettingsgevoelige fundering worden geclassificeerd, vanwege de aanwezigheid van samendrukbare lagen onder het aanlegniveau. Doordat deze poeren, net als de kelder, gefundeerd zijn op de tussenzandlaag, terwijl de strookfundering hoger gefundeerd is in een enigszins samendrukbaar grondpakket, zijn zettingsverschillen te verwachten tussen de verschillende funderingsconstructies. Uit de verstrekte informatie blijkt echter niet dat het pand zich in een dusdanige bouwkundige staat verkeerde dat funderingsherstel op de korte noch op de lange termijn strikt noodzakelijk was. De noodzaak om funderingsherstel uit te voeren bij de woning van [appellant] is echter door het uitgevoerde funderingsherstel bij de scheidingsmuur alleen maar toegenomen, doordat het verschil in zettingsgedrag groter is geworden in vergelijking tot de situatie daarvoor. De mate waarin is moeilijk te bepalen daar het historisch zettingsgedrag van de woning niet bekend is evenals de reeds opgetreden zettingen dat niet zijn. Slechts door het uitvoeren van een vloerwaterpassing en hoogtemetingen gedurende minimaal een jaar wordt een indicatie gekregen van de zettingen en zettingssnelheid. Doordat de buitengevels gestuct zijn, kan een lintvoegwaterpassing niet worden uitgevoerd. Normaliter geeft een dergelijke meting een beter beeld van de al opgetreden zettingen. (…) Tussen de uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden en de geconstateerde scheuren intern maar ook bij de achtergevel lijkt een causaal verband te zijn. Doordat in tegenstelling tot de standaardprocedure geen vooropname is gedaan (slechts een opname van Crawford nádat reeds schade geconstateerd was als gevolg van het intern strippen) en geen opname is uitgevoerd nadat de heiwerkzaamheden gestaakt waren (slechts een zeer summiere opname van Lengkeek Expertises circa 3 maanden na dato) is het niet mogelijk om de ontstane schade als gevolg van de heiwerkzaamheden te bepalen. (…). in tegenstelling tot wat normaliter het geval is, is voorafgaande aan de sloopwerkzaamheden geen bouwkundige opname gedaan door Mika c.s. evenals na afloop van de heiwerkzaamheden. Pas op 25 mei 2008 is door Crawford een (voor)opname gedaan in opdracht van De Bouwhorst B.V. (zie [ 1]) en is door Hayma in opdracht van Mika Projecten B.V. een inspectie gedaan op 15 augustus 2008 (zie [2]). Dit is te laat geweest. (…) De ten opzichte van de (voor)opname van Crawford geconstateerde schade lijkt zeer waarschijnlijk te zijn veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden aan nr. 36 en nr. 38. De garage waarnaar verwezen wordt in de vraag behoort toe aan nummer 34 en niet 32. De plafondbalken van de garage zijn opgelegd in de zijmuren van [adres] 32 en 34. De zijmuur van [adres] 32 is gefundeerd op een (tussen)zandlaag terwijl de zijmuur van [adres] 34 gedeeltelijk op deze (tussen)zandlaag is gefundeerd (namelijk ter plaatse van de kelder) maar ook op een hoger niveau in een naar verwachting meer zettingsgevoelige grondlaag. De garage is gebouwd ergens tussen 1920 en 1938 en zal geleidt hebben tot een belastingsverhoging op de gemetselde strookfundering. Het valt niet uit te sluiten dat hierdoor additionele zettingen zijn opgetreden bij de hoog gefundeerde strookfundering. (…) De nieuwe betonvloer van nr. 36 die gefundeerd is op de vaste zandlaag (bovenkant op 5,5 à 6m beneden maaiveld), is ingekast in de woningscheidingswand van 34/36. In vergelijking tot de vaste zandlaag zijn de bovenliggende grondlagen waarop de andere bouwmuren van nr. 34 zijn gefundeerd in meer of mindere mate zettingsgevoelig. Ondanks het feit dat het gebouw in 1870 gebouwd is, kan het pand nog aan zettingen onderhevig zijn mede door de in het verleden uitgevoerde uitbreidingen (toename van de belasting op de funderingstrook) en kruip die bij leem voorkomt. De grootte van deze zettingen kan daarnaast ook worden beïnvloedt door eventuele grondwaterstandwijzigingen in de toekomst. Het is dus niet aannemelijk dat nu sprake is van een eindsituatie. Daar de mate van zettingen en met name zettingsverschillen moeilijk te voorspellen is, kan de hoeveelheid extra schade in de toekomst niet worden aangegeven. (…) De woningscheidingswand van 34/36 is door het uitgevoerde funderingsherstel gefundeerd op palen terwijl de voorgevel op een ondiepe gemetselde strookfundering staat. Door in de voorgevel een dilatatievoeg aan te brengen zal de voorgevel zich waarschijnlijk los scheuren van de woningscheidingswand van 34/36. Bij de achtergevel kan vanwege de gepleegde nieuwbouw geen dilatatievoeg worden aangebracht. Doordat daarnaast de plafondbalken in de gang en de bovengelegen vertrekken in de woningscheidingswand van 34/36 liggen, zal het aanbrengen van een dilatatievoeg in de voorgevel juist tot een verslechtering leiden. Door ook funderingsherstel te plegen bij [adres] 34 zullen beide panden in principe hetzelfde zettingsgedrag vertonen. Nadeel van deze oplossing is dat zich nu eventueel een probleem voordoet bij de garage. De balken van de garage liggen namelijk ook in de zijmuur van [adres] 32 die op de (tussen)zandlaag is gefundeerd. Vanwege het funderingsniveau van dit pand verwachten wij een gering zettingsgedrag. (…)” 5De vordering bij en de beslissing door de rechtbank 5.1 [appellant] heeft bij de rechtbank (verkort weergegeven) in zijn dagvaarding gevorderd Mika c.s. en het Aannemersbedrijf hoofdelijk te veroordelen tot betaling van diverse schadeposten. In zijn conclusie na deskundigenbericht heeft [appellant] zijn eis gewijzigd door ten dele andere schadebedragen te vorderen. 5.2 De rechtbank heeft terecht onderscheid gemaakt tussen de processuele positie van de wel verschenen partijen Bouwhorst Projecten en het Aannemersbedrijf enerzijds en de niet verschenen partijen Mika v.o.f. en Mika Projecten anderzijds. 5.3 Tegenover Mika v.o.f. en Mika Projecten heeft de eiswijziging hiervoor genoemd onder 5.2 geen effect omdat gesteld noch gebleken is dat de eiswijziging bij exploot kenbaar is gemaakt aan Mika Projecten. Tegenover deze partijen moest de rechtbank de in de dagvaarding omschreven eis beoordelen op de gronden genoemd in artikel 139 Rv. De rechtbank heeft dat gedaan en daarbij de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond geoordeeld. Zij moest deze vorderingen vervolgens volledig toewijzen. 5.4 Ten aanzien van Bouwhorst Projecten en het Aannemersbedrijf heeft de rechtbank de vordering van [appellant] na wijziging van eis en, rekening houdend met de gevoerde verweren beoordeeld en deze ten dele toegewezen. Voor de kosten voor de fundering en de gevolgschade heeft de rechtbank geoordeeld dat deze voor 75% zijn toe te rekenen aan de door het Aannemersbedrijf c.q. in opdracht van Mika c.s. uitgevoerde werkzaamheden. Kort weergegeven heeft de rechtbank Bouwhorst Projecten en het Aannemersbedrijf hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling aan [appellant] van:
- a)€ 6.034,52 (schadeposten 1 tot en met 10) te vermeerderen met btw en de wettelijke rente;
- b)€ 47.306,67 (fundering), te vermeerderen met de wettelijke rente;
- c)€ 521,57 (raam) inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- d)€ 24.543,75 (gevolgschade) inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke rente;
- e)€ 3.848,60 (kosten vaststelling schade en aansprakelijkheid) met de wettelijke rente;
- f)de proceskosten (€ 18.659,30) te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten; 6Partijen in het hoger beroep 6.1 Er is door [appellant] principaal appel en door Mika c.s. en het Aannemersbedrijf incidenteel appel in gesteld. Anders dan in eerste aanleg, zijn naast Bouwhorst Projecten en het Aannemersbedrijf thans ook Mika v.o.f. en Mika Projecten in de procedure verschenen. 6.2 Daarom kunnen de verweren die Bouwhorst Projecten en het Aannemersbedrijf bij de rechtbank hebben gevoerd nog aan de orde komen als de bezwaren van [appellant] worden gehonoreerd. Mika v.o.f. en Mika Projecten kunnen daar niet van profiteren. Zij zullen hun eigen verweren in het hoger beroep aan de orde moeten stellen. 6.3 In het incidentele appel geldt voor [appellant] op zijn beurt dat de tegen Bouwhorst Projecten en het Aannemersbedrijf na de dagvaarding bij de rechtbank nog aangevoerde gronden en standpunten in dit hoger beroep aan de orde kunnen komen. Tegen Mika v.o.f. en Mika Projecten zijn deze argumenten toen niet aangevoerd. Daarom moet [appellant] dat in hoger beroep alsnog doen. 6.4 De omstandigheid dat Mika v.o.f. is opgeheven per 31 december 2015 en dat Mika Projecten per 11 januari 2019 is ontbonden wegens gebrek aan baten, heeft procesrechtelijk geen betekenis voor de procedure. Deze is aangevangen op een moment dat van opheffing respectievelijk ontbinding nog geen sprake was, zodat de procedure in hoger beroep kan worden voortgezet tussen dezelfde partijen. Of er door de opheffing en/of ontbinding sprake zal zijn executieproblemen, zal later moeten blijken. 7De wijziging van eis in hoger beroep 7.1 [appellant] heeft in de memorie van grieven zijn eis (opnieuw) gewijzigd. Hij vordert (primair) dat het hof Mika c.s. en het Aannemersbedrijf hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:
- a)€ 9.650,- (schade 1 tot en met 10), € 8.750,- en € 23.500,- steeds met 21% btw en de wettelijke rente;
- b)€ 97.500,- (fundering) te vermeerderen met 21% btw en de wettelijke rente;
- c)€ 521,57 (raam) inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke rente;
- d)€ 98.291,- (gevolgschade) te vermeerderen met 21% btw en de wettelijke rente;
- e)€ 51.886,80 (kosten vaststelling schade en aansprakelijkheid) met de wettelijke rente;
- f)€ 10.000,- (immateriële schade) met de wettelijke rente;
- g)de proceskosten met nakosten, de kosten van het deskundigenbericht, en de proceskosten in de procedure voor het voorlopig deskundigenbericht met de wettelijke rente. 7.2 Tegen deze wijziging van eis hebben Mika c.s. zich niet verzet en ook het hof ziet geen redenen om de eiswijziging ambtshalve te weigeren op grond strijd met een goede procesorde. Het hof zal daarom rechtdoen op de gewijzigde eis. 8De beoordeling van de vordering en de grieven Inleidende opmerkingen en leeswijzer 8.1 Het gaat er in deze zaak om of en in hoeverre door werkzaamheden, uitgevoerd door het Aannemersbedrijf of door werkzaamheden in opdracht van Mika c.s. schade aan [appellant] is veroorzaakt die voor vergoeding in aanmerking komt. [appellant] meent dat hem te weinig schadevergoeding is toegekend. Mika c.s. menen dat zij door de rechtbank ten onrechte tot de vergoeding van een te hoog bedrag zijn veroordeeld. Het hof zal de grieven in het principaal en het incidenteel appel door elkaar en soms gezamenlijk behandelen aan de hand van het volgende. 8.2 Het hof geeft eerst aandacht aan de (kennelijk) door Mika v.o.f. en Mika Projecten opgeworpen grief A in het incidentele hoger beroep. Daarin gaat het om de procesrechtelijke consequenties van het in eerste aanleg door deze partijen niet verschijnen. In grief B in het incidentele hoger beroep stellen Mika c.s. de grondslag van de tegen hen gerichte vordering ter discussie. Beide partijen verzetten zich in hoger beroep tegen de door de rechtbank gehanteerde verdeelsleutel voor schade ten gevolge van de nieuw aangebrachte fundering (grief I in principaal appel en de grieven C en D in incidentele appel). De vraag of een verdeelsleutel moet worden toegepast en zo ja hoe, ligt daarmee in hoger beroep in volle omvang ter tafel. 8.3 De overige grieven handelen over een aantal schadeposten en wel de volgende:- de kosten voor het plaatsen van een voorzetwand (grief II principaal appel);- de kosten voor tijdelijke huisvesting elders (grief III principaal appel);- de kosten voor meerdere deskundigen (grieven IV en V principaal appel);- immateriële schadevergoeding (grief VI principaal appel). 9. De processuele positie van Mika v.o.f. en Mika Projecten in eerste aanleg (grief A) 9.1 Zoals hiervoor al overwogen, zijn Mika vof en Mika Projecten in de procedure bij de rechtbank niet verschenen en is tegen hen verstek verleend. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de vorderingen zoals geformuleerd in de dagvaarding voor wat betreft deze twee gedaagden haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen en dat deze volledig moeten worden toegewezen. 9.2 De rechtbank heeft daarmee de in artikel 139 Rv omschreven norm toegepast op de gedaagden tegen wie verstek is verleend. Terecht verzetten Mika v.o.f. en Mika Projecten zich niet tegen de toepassing van die norm. Mika v.o.f. en Mika projecten bepleiten echter dat de rechtbank bij de beoordeling van ‘de gegrondheid’ van de in eerste aanleg tegen hen gerichte vorderingen rekening moest houden met de verweren die door de wel verschenen gedaagden Bouwhorst Projecten en het Aannemersbedrijf naar voren zijn gebracht. 9.3 Dit standpunt vindt echter geen steun in het civiele procesrecht. De leer van de gescheiden grondslagen brengt mee dat als bij subjectieve cumulatie, zoals hier aan de orde is, vorderingen tegen meerdere gedaagden moeten worden beoordeeld, het verweer van de ene gedaagde niet strekt tot voordeel van een medegedaagde. Het gaat immers om procesrechtelijk te onderscheiden procedures tegen meerdere gedaagden. De vordering tegen ieder van hen dient te worden beoordeeld op de door die betreffende gedaagde gevoerde verweren. 9.4 Als een gedaagde heeft afgezien van ieder verweer, zoals bij een niet verschenen gedaagde tegen wie verstek is verleend, resteert de beoordeling op grond van artikel 139 Rv. Beoordeeld moet dan worden of de in de dagvaarding gestelde gronden de rechter tot het oordeel ongegrond dan wel onrechtmatig behoren te leiden. Is dat niet het geval, dan moet de rechter de vorderingen jegens de niet verschenen gedaagden toewijzen. De rechtbank heeft dus op goede gronden de vorderingen van [appellant] tegen Mika v.o.f. en Mika Projecten volledig toegewezen. Grief A in het incidenteel appel faalt. 10. De (rechts)gronden voor de aansprakelijkheid van Mika c.s. (grief B) 10.1 Voorop staat dat de rechtbank onder 2.5 van haar eindvonnis alleen de grondslagen van de tegen Bouwhorst Projecten en het Aannemersbedrijf gerichte vorderingen heeft beoordeeld. Tegen Mika v.o.f. en Mika Projecten was immers verstek verleend. Anders dan in rechtsoverweging 5.1 van het vonnis van 29 april 2015, overweegt de rechtbank onder 2.5 van haar eindvonnis dat Bouwhorst Projecten als eigenaar van pand 36 en opdrachtgever in de zin van artikel 6:171 BW aansprakelijk is voor de door haar ingeschakelde opdrachtnemers. Met betrekking tot het Aannemersbedrijf overweegt de rechtbank dat deze onzorgvuldig te werk is gegaan. 10.2 Volgens de rechtbank volgt uit het Rapport Crux dat het slopen niet zorgvuldig is gebeurd. Voor wat betreft de methode van funderen is vooraf onvoldoende onderzocht of de gebruikte methoden van het in de grond brengen van de funderingspalen zich verdroegen met de slechte tot matige bouwkundige staat van pand 34. Er hadden vanaf het begin trillingmetingen moeten worden verricht. Dan zou direct zijn gekozen voor het ‘trillingvrij inbrengen’ van funderingspalen. Pas nadat eerst andere methoden van funderen zijn toegepast is uiteindelijk gekozen voor trillingvrij funderen. Door de nieuw aangebrachte fundering is sprake van twee typen fundering met verschil in zettingsgedrag. Volgens de rechtbank veroorzaakt dit schade aan pand 34. De nieuwe fundering onder de gemeenschappelijke scheidingsmuur had zonder toestemming door [appellant] niet mogen worden aangebracht. De consequenties van het aanbrengen van die fundering waren het Aannemersbedrijf bekend of hadden dat behoren te zijn. Er was geen noodzaak waardoor het aanpassen van de fundering zonder toestemming van [appellant] of vervangende toestemming door de Kantonrechter geen uitstel verdroeg. Bouwhorst Projecten en het Aannemersbedrijf waren daarom niet bevoegd tot het (doen) aanbrengen van de nieuwe fundering zodat zij aansprakelijk zijn voor de gemaakte fouten. Bouwhorst Projecten op grond van artikel 6:171 BW en het Aannemersbedrijf op grond van artikel 6:162 BW. Alles aldus de rechtbank. 10.3 Het hof zal eerst beoordelen of sprake is van een door het Aannemersbedrijf gemaakte fout. Zonder een dergelijke fout is het Aannemersbedrijf immers niet aansprakelijk en is ook van kwalitatieve aansprakelijkheid van de vof en haar vennoten geen sprake. 10.4 Bij de beantwoording van de vraag of door het Aannemersbedrijf een fout is gemaakt, is sprake van een driedeling. Het gaat om aansprakelijkheid voor