GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.284.458/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 8191947) arrest van 3 augustus 2021 in de zaak van [appellant] , die woont in [woonplaats1] , appellant, bij de rechtbank: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. G. Boot, die kantoor houdt in Bilthoven, tegen [geïntimeerde] , die woont in [woonplaats2] , geïntimeerde, bij de rechtbank: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. I.J. Penning, die kantoor houdt in Utrecht. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 Bij arrest van 15 december 2020 heeft het hof een mondelinge behandeling van de zaak gelast voor 9 maart 2021. De inhoud van dat arrest wordt hier overgenomen. [appellant] heeft het hof op 12 januari 2021 bericht dat partijen afzien van die mondelinge behandeling. 1.2 Vervolgens is op 12 januari 2021 aan [appellant] zes weken uitstel verleend voor het nemen van de memorie van grieven. Op de rol van 23 februari 2021 is een nader uitstel van vier weken verleend en is de zaak verwezen naar de rol van 23 maart 2021 voor het nemen van de memorie van grieven (ambtshalve peremptoir). 1.3 [appellant] heeft op de rol van 23 maart 2021 een nader uitstel van zes weken gevraagd in verband met schikkingsonderhandelingen. De rolraadsheer heeft dit uitstel verleend, zodat de zaak is verwezen naar de rol van 4 mei 2021 voor het nemen van de memorie van grieven, ambtshalve peremptoir. Daarbij is in het roljournaal aangetekend dat de zaak op 4 mei 2021 niet nogmaals zal worden aangehouden. 1.4 [appellant] heeft op de rol van 4 mei 2021 geen memorie van grieven genomen. Wel heeft [appellant] op deze datum een akte genomen, inhoudende een provisionele vordering op grond van art. 223 Rv. 1.5 Op de rol van 4 mei 2021 is ambtshalve akte van niet dienen verleend aan [geïntimeerde] , omdat [appellant] geen memorie van grieven heeft genomen. De advocaat van [appellant] heeft bij brief van 7 mei 2021 verzocht om deze beslissing terug te draaien. Bij rolbeschikking van 11 mei 2021 heeft de rolraadsheer dit verzoek afgewezen. De inhoud van die rolbeschikking wordt hier overgenomen. 1.6 Op 12 mei 2021 is een pleidooiverzoek van [appellant] ontvangen. De advocaat van [appellant] heeft het pleidooiverzoek schriftelijk onderbouwd. Bij rolbeschikking van 18 mei 2021 heeft de rolraadsheer dit verzoek afgewezen. De inhoud van die rolbeschikking wordt hier overgenomen. 1.7 [geïntimeerde] heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid op grond van art. 2.19 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven incidenteel hoger beroep in te stellen (Lpr, 11e versie). 1.8 Partijen hebben arrest gevraagd en [geïntimeerde] heeft hiervoor de stukken aan het hof gegeven. 2De beoordeling akte van niet dienen 2.1 In art. 133 lid 4 Rv is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Op grond van art. 353 Rv is deze bepaling ook in hoger beroep van toepassing. In art. 1.8 Lpr is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit. 2.2 De reguliere uitstelmogelijkheden voor het nemen van de memorie van grieven (zes plus vier weken; art. 2.15 en 2.16 Lpr) waren voor [appellant] reeds op 23 maart 2021 verstreken. Niettemin is aan hem een nader uitstel van zes weken gegeven tot 4 mei 2021, ambtshalve peremptoir. Daarbij is uitdrukkelijk aangetekend dat verder uitstel niet zou worden verleend. In plaats van de memorie van grieven te nemen, heeft [appellant] op de rol van 4 mei 2021 een incident opgeworpen in de vorm van een provisionele vordering. 2.3 Het hof overweegt dat de goede procesorde meebrengt dat op de roldatum waartegen ambtshalve peremptoirstelling heeft plaatsgevonden, van grieven behoort te worden gediend. Dat is niet anders indien op die roldatum een in de wet geregeld incident wordt opgeworpen, ook al wordt op een dergelijke vordering vaak beslist voordat in de hoofdzaak wordt beslist. De hoofdzaak wordt door die incidentele vordering niet geschorst, zodat een peremptoirstelling daardoor niet vervalt (vgl. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5664). 2.4 Er bestaat niet zonder meer aanspraak op een voorafgaande behandeling en beoordeling van een incidentele vordering. Ook voor de provisionele vordering ontbreekt een bijzondere wettelijke regel die daartoe dwingt. Daarom geldt de maatstaf van art. 209 Rv dat op een incidentele vordering eerst en vooraf wordt beslist indien de zaak dat meebrengt. Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding. 2.5 Het gaat in dit geschil om twee broers die op 21 augustus 2002 gezamenlijk eigenaar zijn geworden van een winkelpand op het adres [adres] in [woonplaats1] . Het pand is gekocht voor € 260.000,-. [geïntimeerde] heeft voor die aankoop € 68.000,- betaald. [appellant] heeft voor de rest van de koopsom en de bijkomende kosten op zijn naam een hypotheek afgesloten van € 218.000,-. Sinds 31 mei 2011 wordt het pand verhuurd voor € 2.083,- per maand. [appellant] beheert het pand en hij incasseert ook de huur. 2.6 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat hij recht heeft op de helft van de vruchten die het winkelpand oplevert. Op grond daarvan heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevorderd plus veroordelingen van [appellant] tot betaling van € 23.825,50 en tot het doen van maandelijkse betalingen van € 395,38, met nevenvorderingen. Het verweer van [appellant] komt erop neer dat de berekeningen van [geïntimeerde] niet kloppen omdat daarin een aantal kosten ten onrechte niet zijn meegenomen. De uitkomst van de procedure in eerste aanleg is dat de kantonrechter voor recht heeft verklaard dat [geïntimeerde] vanaf 1 september 2019 recht heeft op de helft van de vruchten. Verder heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld om € 23.825,50 aan [geïntimeerde] te betalen en iedere maand € 395,38 vanaf 1 september 2019, met nevenveroordelingen. [appellant] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten en alle veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.7 In de dagvaarding in hoger beroep heeft [appellant] gevorderd dat de vonnissen van de kantonrechter worden vernietigd en dat alle vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten in beide instanties en tot terugbetaling van alles wat [appellant] heeft betaald op grond van de door de kantonrechter uitgesproken veroordelingen. In zijn akte van 4 mei 2021 heeft [appellant] de provisionele vorderingen geformuleerd dat (a) [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 5.500,-, en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.