Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000647-19 Uitspraak d.d.: 29 juli 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2019 met parketnummer 18-061186-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 juli 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren te vervangen door 10 dagen hechtenis en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M. Heikens, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Verdachte is door de politierechter veroordeeld ter zake van smaad tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren te vervangen door 10 dagen hechtenis met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.500, - aan immateriële schade. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 22 januari 2018 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk de eer en/of de goede naam van feestcafé " [benadeelde partij] " heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door aan het [naam1] en/of [naam2] , althans aan een verslaggever van en/of een contact bij het [naam1] en/of een verslaggever van en/of een contact bij [naam2] , -zakelijk weergegeven- te berichten en/of te vertellen dat een/de uitsmijter/beveiliger van feestcafé " [benadeelde partij] " homoseksuele bezoekers de toegang tot genoemde feestcafé heeft ontzegd vanwege hun seksuele geaardheid, althans woorden van gelijke aard en/of strekking; Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal is van mening dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Standpunt van de raadsman De raadsman is van mening dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken, waarbij een beroep op art. 10 EVRM wordt gedaan, subsidiair hem een geslaagd beroep op art. 261 lid 3 Sr. toekomt, meer subsidiair art. 9a Sr. van toepassing is en meest subsidiair een voorwaardelijke straf zou moeten worden opgelegd. De vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen dan wel, wat betreft de immateriële schade, te worden gematigd. Oordeel van het hof Feiten en omstandigheden Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Voor de ingang van [benadeelde partij] in [plaats] aan de [adres] , na middernacht op 22 januari 2018, is tussen verdachte en zijn twee medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] (hierna gezamenlijk genoemd: verdachten) en de portiers [naam3] en [naam4] , de getuigen [getuige1] en [getuige2] , discussie ontstaan. Hierbij zou het woord ‘homo’ zijn gevallen. Vervolgens is de verdachten de toegang tot [benadeelde partij] geweigerd. Daarbij is niet hardop uitgesproken dat hun geaardheid de reden van weigering zou zijn – zij zouden zijn geweigerd omdat zij niet bij het publiek pasten dan wel om escalatie te voorkomen – doch de verdachten hadden het gevoel/idee dat dit wel de reden van weigering was. De verklaringen van [naam3] , [naam4] , [getuige1] en [getuige2] staan tegenover de verklaringen van de verdachten. De verklaring van de verdachte wordt ondersteund door de verklaring van zijn medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] . Tevens verklaren zij alle drie dat zij later die avond/in de ochtend in de bar [naam5] een gesprek tussen twee bedrijfsleider van [benadeelde partij] dan wel een bedrijfsleider van [benadeelde partij] en iemand anders hebben gehoord waarin werd aangegeven dat portier [naam4] het niet zo op homo’s zou hebben. De verdachten hebben vervolgens tegenover verslaggevers van [naam2] en het [naam1] negatieve uitlatingen gedaan over een beveiliger/uitsmijter van feestcafé [benadeelde partij] . Deze uitlatingen zijn vervat in nieuwsartikelen die zijn gepubliceerd. De uitbater van [benadeelde partij] , [naam6] , heeft vervolgens aangifte gedaan wegens smaad/laster. Het hof is van oordeel dat verdachten zich hebben schuldig gemaakt aan smaad en overweegt hiertoe als volgt, gelet op de verweren die van de zijde van de verdediging zijn gevoerd. Art. 10 EVRM Het hof is met de politierechter van oordeel dat artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) in deze zaak niet aan een bewezenverklaring van smaad in de weg staat en concludeert dat een strafrechtelijke veroordeling van verdachte ter bescherming van de belangen van aangever gerechtvaardigd is. De gewaarborgde vrijheid van meningsuiting in artikel 10 EVRM kan alleen beperkt worden door de wet of voor zover dat noodzakelijk is in de democratische samenleving. De vrijheid van meningsuiting kan onder meer beperkt worden ter bescherming van de rechten en goede naam van derden. Op basis van de rechtspraak dient er een dringende noodzaak te bestaan voor de beperking van voornoemd recht. Deze dringende noodzaak dient beoordeeld te worden aan de hand van de feitelijk situatie en de omstandigheden van het geval. Het hof oordeelt dat het van groot belang is dat discriminatie en daarmee ook de discriminatie van homo’s, aan de kaak wordt gesteld. De wijze waarop dit gebeurt, dient evenwel van dien aard te zijn dat ondernemers en burgers worden beschermd tegen een reactie die niet passend en proportioneel is. In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat de grens van de vrijheid van meningsuiting is overschreden door het optreden van één portier door middel van contacten met de pers aan de kaak te stellen, die vervolgens tot nieuwsartikelen hebben geleid, wetende dat dit grote gevolgen kon hebben voor [benadeelde partij] als geheel. Het beroep op art. 10 EVRM wordt daarom verworpen. Art. 261, derde lid, Wetboek van Strafrecht Voor de toepasbaarheid van het derde lid van art. 261 Sr. is vereist dat verdachte heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof hecht geloof aan de verklaringen van verdachten dat zij het gevoel hadden te zijn geweigerd door de portier van [benadeelde partij] gezien hun verklaring dat zij later in de ochtend in de bar [naam5] een gesprek tussen twee bedrijfsleiders/een bedrijfsleider en iemand anders hebben gehoord waarin werd aangegeven dat een van de portiers het niet zo op homo’s zou hebben. Hoewel hierdoor niet in rechte is komen vast te staan dat verdachten zijn geweigerd omdat zij homo’s zijn, is het hof van oordeel dat hierdoor wel het gerechtvaardigde gevoel bij verdachten is ontstaan dat zij zijn geweigerd vanwege hun geaardheid en aldus te goeder trouw zijn in de zin van art. 261 lid 3 Sr. Echter door meteen contact op te nemen met de media, wetende dat dit grote gevolgen kon hebben voor [benadeelde partij] , hebben verdachten een buitenproportioneel middel ingezet om hun gevoelen aan de kaak te stellen. Enige noodzaak daartoe uit oogpunt van het algemeen belang was er niet. Zoals de politierechter ook al heeft aangegeven, waren er diverse andere wegen die verdachten hadden kunnen bewandelen: het in gesprek gaan met de bedrijfsleider/uitbater van [benadeelde partij] , direct aangifte doen tegen de betreffende portier, contact opnemen met het Panel Deurbeleid, dan wel tijdens het horen van het gesprek in [naam5] op de bedrijfsleider(s) afstappen en met hem in gesprek gaan. Een en ander brengt mee dat de uitzonderingsbepaling van artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht in dit geval niet van toepassing is nu het algemeen belang de tenlastelegging niet vereiste. Het beroep op art. 261 lid 3 Sr. wordt verworpen. Bewijsmiddelen Het hof past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.