GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummers : Wahv 200.269.126/01 en Wahv 200.269.139/01 CJIB-nummers : 209646303 en 209646302 Uitspraak d.d. : 17 augustus 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissingen van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 18 september 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo. De beslissingen van de kantonrechter De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de beslissingen van de officier van justitie gegrond verklaard en de beslissingen van de officier van justitie en de inleidende beschikkingen vernietigd. De kantonrechter heeft de zaken als samenhangend aangemerkt en voor beide zaken samen een proceskostenvergoeding toegekend tot een bedrag van € 128,-. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen verweerschriften in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: - wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,- of - wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
- De kantonrechter heeft de beroepen gegrond verklaard en de inleidende beschikkingen vernietigd. Van geen van voormelde situaties is hier sprake.
- De gemachtigde van de betrokkene is het niet eens met de beslissingen van de kantonrechter voor wat betreft de proceskostenvergoeding. Volgens de gemachtigde kan hoger beroep worden ingesteld tegen deze beslissingen. Over dit onderwerp heeft geen hoor- en wederhoor op de zitting van de kantonrechter plaatsgevonden.
- In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
- De betrokkene heeft toegang tot de rechter gehad. De gemachtigde is ter zitting verschenen. De omstandigheid dat ter zitting over de proceskostenvergoeding geen hoor en wederhoor zou hebben plaatsgevonden, doet daaraan niet af. De gronden van de gemachtigde komen er verder op neer dat de kantonrechter onjuiste beslissingen heeft genomen omtrent de proceskostenvergoeding. Die gronden kunnen niet leiden tot het buiten toepassing laten van het appelverbod.
- Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
- Gegeven deze beslissing zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.