GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.280.088 (zaaknummer rechtbank Gelderland 353783) beschikking van 24 augustus 2021 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. K. Broere te Arnhem, en [verweerder] , wonende te [woonplaats1] , verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. J.W. Post te Zutphen. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (echtscheidings)beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 2 april 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder: de bestreden beschikking. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 29 juni 2020; - het verweerschrift met producties; - een journaalbericht van mr. Broere van 2 december 2020 met producties; - een journaalbericht van mr. Post van 4 december 2020 met producties;- een journaalbericht van mr. Broere van 11 december 2020 met producties, waaronder een pleitnota. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 15 december 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2.3 Na de mondelinge behandeling zijn, met toestemming van het hof, ingekomen het journaalbericht van mr. Post van 21 december 2020 met een productie en het journaalbericht van mr. Broere van 13 januari 2021 met producties. 3De feiten 3.1 Het huwelijk van partijen is [in] 2020 ontbonden door echtscheiding. 3.2 De man en de vrouw zijn de ouders van: - [de minderjarige1] (verder: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2005 te [woonplaats1] en - [de minderjarige2] (verder: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2008 te [woonplaats1] , over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige1] heeft thans haar hoofdverblijfplaats bij de man en [de minderjarige2] bij de vrouw. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 7 februari 2020 voor de periode dat nog niet definitief is beslist over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie voor [de minderjarige2] dient te betalen van € 198,- per maand, de vrouw aan de man per dezelfde ingangsdatum en voor dezelfde periode kinderalimentatie voor [de minderjarige1] dient te betalen van € 87,- per maand en het zelfstandig verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een uitkering in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van € 627,- bruto per maand afgewezen. 4.2 De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking voor zover die betreft de afwijzing van het verzoek om partneralimentatie. Grief I ziet op de behoefte van de vrouw en grief II ziet op de draagkracht van de man. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de partneralimentatie en opnieuw beschikkende - met vermeerdering van haar zelfstandig verzoek in eerste aanleg - de partneralimentatie met ingang van 6 mei 2020 vast te stellen op € 777,- bruto per maand, dan wel op een bedrag en met ingang van een datum die het hof juist acht. 4.3 De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. De man verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering van gronden, te bekrachtigen dan wel een beslissing te nemen als het hof juist acht. 5De motivering van de beslissing Door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie 5.1 Het hof stelt vast dat partijen geen discussie hebben over de hiervoor onder 4.1 vastgestelde kinderalimentatie. Deze bedragen worden maandelijks door de man en de vrouw over en weer betaald. Deze bedragen zijn vastgesteld op grond van de volgende gegevens, die tussen partijen niet in geschil zijn: behoefte van de kinderen - de behoefte van de beide kinderen in 2018 van € 1.207,- per maand (€ 603,50 per kind per maand), geïndexeerd naar 1 januari 2020 € 1.262,- per maand voor beide kinderen ( 631,- per kind per maand; Deze behoefte is gebaseerd op een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.141,- per maand in 2018; draagkracht van de man en de vrouw op basis van het NBI - de draagkracht van de man in 2020 van € 1.045,- per maand voor beide kinderen (€ 523,- per kind per maand). Deze draagkracht is gebaseerd op een netto besteedbaar inkomen van € 3.526,- per maand (inclusief een bedrag van € 2.768,- per jaar voor kindgebonden budget). De rechtbank is hierbij uitgegaan van een bruto jaarloon van € 52.688,- en is ontleend aan de cumulatieve gegevens van de man in de salarisspecificatie van december 2019 (€ 55.115,- loon voor Loonheffing verminderd met € 2.427,- uitbetaling ADV-uren);- de draagkracht van de vrouw in 2020 van € 662,- per maand voor beide kinderen (€ 331,- per kind per maand). Deze draagkracht is gebaseerd op een netto besteedbaar inkomen van € 2.744,- per maand (inclusief een bedrag van € 3.596,- per jaar voor kindgebonden budget). De rechtbank is hierbij uitgegaan van het bruto jaarloon van € 32.968,- zoals vermeld in de jaaropgave 2019 van de vrouw; - de totale draagkracht van partijen in 2020 van € 1.707,- per maand voor beide kinderen; aandeel van de man en de vrouw - het aandeel van de man na vergelijking van de draagkracht van € 773,- per maand voor beide kinderen (€ 386,- per kind per maand); - het aandeel van de vrouw na vergelijking van de draagkracht van € 489,- per maand voor beide kinderen (afgerond € 245,- per kind per maand); zorgkorting - een zorgkorting van 25% per kind per maand, € 158,- per kind per maand. bijdrage van de man voor [de minderjarige2] Het hof merkt op dat niet ter discussie staat dat de man na vergelijking van de draagkracht van partijen met € 228,- per maand kon bijdragen in de kosten van [de minderjarige2] en dat de rechtbank dat bedrag heeft gematigd (met € 30,- per maand) omdat dat bedrag de door vrouw verzochte bijdrage voor [de minderjarige2] (€ 198,- per maand) oversteeg. Behoefte aan partneralimentatie 5.2 Partijen zijn het er over eens dat de netto behoefte van de vrouw in 2020 € 2.467,- per maand bedraagt (60% van het in 2018 vastgestelde netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.141,- per maand). Aanvullende behoefte aan partneralimentatie 5.3 De rechtbank heeft de aanvullende behoefte van de vrouw berekend door op het onder 5.1 vermelde netto inkomen van de vrouw van € 2.744,- per maand het kindgebonden budget van € 299,- per maand (€ 3596,- per jaar, hiervoor onder 5.1)in mindering te brengen, zodat zij een bedrag van € 2.445,- netto per maand heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Aangezien het bedrag van € 2.445,- netto per maand nagenoeg gelijk is aan het bedrag van de netto behoefte van € 2.467,- per maand, heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank geen behoefte meer aan een aanvullende bijdrage van de man. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen. 5.4 De vrouw voert in grief I aan dat de rechtbank haar aanvullende behoefte onjuist heeft berekend. Van het door de rechtbank berekende netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.445,- moeten nog de kosten van de kinderen afgetrokken worden. De behoefte van de kinderen aan een bijdrage in de kosten van hun levensonderhoud bedraagt € 631,- per kind per maand. De vrouw ontvangt netto € 111,- aan kinderalimentatie per maand (dat is € 198,- minus € 87,-) waardoor zij € 520,- per maand aan kosten van de kinderen draagt. Dat bedrag is dus niet beschikbaar om in haar levensonderhoud te voorzien en dient te worden afgetrokken van haar netto inkomen, aldus de vrouw. 5.5 De man betwist de stellingen van de vrouw. Volgens de man is de berekening die de rechtbank heeft toegepast (netto besteedbaar inkomen minus kindgebonden budget) een gebruikelijke en juiste benadering. De kosten van de kinderen worden voldaan uit het inkomen van de vrouw, de kinderbijslag, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding en het kindgebonden budget. De man betwist verder dat de vrouw daadwerkelijk met het door haar gestelde bedrag van € 520,- per maand bijdraagt in de kosten van de kinderen. 5.6 Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft voor haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. Anders dan de rechtbank gaat het hof bij de beoordeling van de vraag of de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud uit van de financiële gegevens van de vrouw over 2020, zoals die blijken uit de onder 2.3 vermelde stukken. Het gaat hierbij om:- een bruto jaarloon van € 33.704,-, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting;- een kindgebonden budget van € 3.547,- per jaar, dat is € 148,- per kind per maand;- een bijdrage in de kosten van [de minderjarige1] van € 245,- per maand (te betalen kinderalimentatie € 87,- + zorgkosten € 158,-), met aftrek van € 148,- per maand kindgebonden budget, zodat resteert € 97,- per maand;- een bijdrage in de kosten van [de minderjarige2] van € 275,- per maand (eigen aandeel van 631,- min € 198,- ontvangen kinderalimentatie min € 158,- zorgkosten), met aftrek van € 148,- per maand kindgebonden budget, zodat resteert € 127,- per maand.Uitgaande van de netto behoefte van de vrouw van € 2.467,- per maand in 2020 leidt dit tot een aanvullende behoefte van € 210,- netto per maand, dat is € 409,- bruto per maand. 5.7 In verband met de verschillende periodes in deze procedure (zie hierna 5.8) heeft het hof ook de aanvullende behoefte van de vrouw in 2021 berekend en is daarbij uitgegaan van de volgende gegevens:- een bruto jaarloon van € 33.704,-, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De vrouw heeft geen recht meer op de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor [de minderjarige2] omdat [de minderjarige2] ouder is dan 12 jaar;- een kindgebonden budget van € 3.892,- per jaar, dat is € 162,- per kind per maand;- een bijdrage in de kosten van [de minderjarige1] van € 245,- per maand (te betalen kinderalimentatie € 87,- + zorgkosten € 158,-), met aftrek van € 162,- per maand kindgebonden budget, zodat resteert € 83,- per maand;- een bijdrage in de kosten van [de minderjarige2] van € 275,- per maand (eigen aandeel van 631,- min € 198,- ontvangen kinderalimentatie min € 158,- zorgkosten), met aftrek van € 162,- per maand kindgebonden budget, zodat resteert € 113,- per maand.Uitgaande van de netto behoefte van de vrouw van € 2.467,- per maand leidt dit tot een aanvullende behoefte van € 377,- netto per maand, dat is € 737,- bruto per maand. Het hof heeft uit praktisch oogpunt de kinderalimentatie bedragen niet geïndexeerd. Ingangsdatum 5.8 Het hof hanteert als ingangsdatum voor de te berekenen draagkracht van de man de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, te weten 6 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.