GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.288.330 en 200.288.331 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 490527 en 495567) beschikking van 31 augustus 2021 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] , verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. N. Türkkol te Amsterdam, en [verweerster] , wonende te [woonplaats1] , verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A.C. Otten te Bussum. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 oktober 2020 (zoals hersteld bij beschikking van 11 december 2020), uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna ook: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv met producties, ingekomen op 14 januari 2021; het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep en aanvulling eis met productie 1 en 2; het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, met bijlagen; twee emailberichten van mr. Otten van 15 juli 2021 met – respectievelijk – productie A en de reactie op het verzoek van het hof aan mr. Türkkol om ontbrekende stukken bij het beroepsschrift alsnog in te dienen, en twee emailberichten van mr. Türkkol van 15 juli 2021 met – respectievelijk - de gevraagde ontbrekende stukken en de reactie op het email-bericht van mr. Otten. 2.2 Het verzoek tot schorsing is afgesplitst van de hoofdzaak. De mondelinge behandeling van dat verzoek heeft op 6 april 2021 plaatsgevonden. Bij beschikking van dit hof van 20 april 2021 is dat verzoek afgewezen. 2.3 De mondelinge behandeling in de hoofdzaak heeft op 16 juli 2021 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, vergezeld door haar advocaat. Namens de man is zijn advocaat verschenen. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2018 gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. 3.2 De vrouw heeft op 25 oktober 2019 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en bij wege van zelfstandige verzoeken om het treffen van nevenvoorzieningen verzocht. 3.3 Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 20 december 2019 is voor de duur van het geding en uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] te [woonplaats1] en dat de man aan de vrouw € 1.740,- per maand dient te verstrekken als bijdrage in haar levensonderhoud. 3.4 Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 26 maart 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.5 Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank, samengevat: beslist dat de man het recht heeft om in de echtelijke woning te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot twee maanden na de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand; beslist dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.813,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in haar kosten van haar levensonderhoud (verder: partneralimentatie), en de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap gelast. Het meer of anders verzocht is afgewezen. 3.6 Bij de herstelbeschikking van 11 december 2020 heeft de rechtbank de beschikking van 15 oktober 2020 (met uitzondering van de uitgesproken echtscheiding) alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil de partneralimentatie en enkele onderdelen van de verdeling. 4.2 De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de behoefte van de vrouw (grief 1 en 2), de draagkracht van de man (grief 3 en 4) en de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning (grief 5). Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de partneralimentatie en de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, de door de man te betalen partneralimentatie op nihil te stellen, althans zodanig te verlagen als het hof juist acht, en te bepalen dat bij de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning rekening wordt gehouden met een schenking met uitsluitingsclausule. 4.3 De vrouw voert verweer en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn grieven ongegrond en/of onbewezen te verklaren. 4.4 Op haar beurt is de vrouw met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij vult haar verzoek aan. Haar grief ziet op een onderdeel van de verdeling. Zij verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking op die punten waarvan zij in hoger beroep komt te vernietigen en te bepalen dat de Nissan aan haar wordt toegedeeld zonder enige verrekening, te bepalen dat de man de originele schenkingsovereenkomst aan het hof en aan haar overlegt en te bepalen dat de man de nog in zijn bezit zijnde kleren en foto’s van hun overleden zoontje [de zoon] aan de vrouw afstaat, bij gebreke waarvan hij een dwangsom van € 500,- per dag verbeurt. 4.5 De man verzoekt het hof het hoger beroep van de vrouw en haar wijziging van verzoek af te wijzen. 5De motivering van de beslissing stukken 5.1 In zijn beroepschrift noemt de man een vijftal nieuwe stukken die niet bij het beroepschrift zijn gevoegd. De griffier heeft de man daar op 15 juli 2021 op gewezen, waarna hij die stukken die dag alsnog heeft overgelegd. Namens de vrouw is daartegen bezwaar gemaakt, dat erop neerkomt dat de man ook al bij de behandeling van het schorsingsverzoek op het ontbreken van die stukken is gewezen en nu te laat is met het overleggen daarvan. Na schorsing van de mondelinge behandeling heeft het hof de door de man overgelegde schenkingsovereenkomst toegelaten, omdat de vrouw daarop inhoudelijk en met overlegging van een stuk heeft gereageerd. De overige door de man op 15 juli 2021 overgelegde stukken laat het hof buiten beschouwing. de partneralimentatie de behoefte van de vrouw (grieven 1 en 2) 5.2 De man stelt dat de behoefte van de vrouw ten onrechte is gebaseerd op de hofnorm en bovendien te hoog is vastgesteld. De vrouw betwist de stellingen van de man. 5.3 De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw vastgesteld op € 2.986,- netto per maand op grond van de hofnorm: 60% van het gezamenlijk netto besteedbaar inkomen ten tijde van het huwelijk. Daarbij heeft de rechtbank zich gebaseerd op de door de vrouw overgelegde berekening, waarover op zich geen discussie bestond. Ook het hof zal de hofnorm hanteren, omdat deze in de praktijk ontwikkelde vuistregel een heldere en eenvoudig te hanteren maatstaf biedt die leidt tot een reële schatting van de behoefte. 5.4 Voor het aldus vaststellen van de behoefte is het gezamenlijk inkomen van partijen maatgevend. In dit kader is op de mondelinge behandeling namens de man betwijfeld of de welstand gelet op het kortdurende huwelijk waarin partijen nauwelijks hebben samengewoond, een optelsom is van hun inkomens. Het hof gaat aan die stelling voorbij nu gesteld noch gebleken is dat het gezamenlijk inkomen van partijen niet geheel of in elk geval niet grotendeels aan partijen samen werd besteed. Partijen voldeden daarmee aan hun verplichting om elkaar het nodige te verschaffen (artikel 1: 81 BW) en die verplichting werkt door in de alimentatieplicht. Dat hun huwelijk niet lang heeft geduurd is van invloed op de duur van die verplichting, maar niet op de hoogte van de behoefte na huwelijk. Dat de hofnorm als methode voor vaststelling van de behoefte na huwelijk in dit geval om andere redenen niet geschikt zou zijn is gesteld noch gebleken. 5.5 De vrouw had en heeft een Wajong-uitkering van € 1.176,- bruto (€ 1.084,- netto) per maand (exclusief vakantiegeld). De man is ondernemer; hij heeft een [bedrijf] . De onderneming wordt gedreven als eenmanszaak. De man had in eerste aanleg voor de mondelinge behandeling aldaar gewijzigde IB-aangiftes en jaarstukken overgelegd, stukken die afweken van de stukken die in de voorlopige voorzieningen procedure en in eerste instantie bij de rechtbank waren overgelegd. Als reden daarvoor heeft de man verklaard dat zijn voormalige boekhouder kennelijk vanaf 2014 geen aangiftes IB had gedaan. Zijn nieuwe boekhouder heeft dat alsnog gedaan en nieuwe jaarstukken opgesteld. De vrouw heeft die nieuwe stukken betwist en de rechtbank heeft deze stukken niet gevolgd, mede omdat een prognose voor de te verwachten winst ontbrak en is uitgegaan van de in de voorlopige voorzieningenprocedure geschatte winst van € 65.595,- per jaar. Het hof acht de verklaring van de man voor de redenen tot wijziging van de jaarstukken en de aangiften ongeloofwaardig. Daarom gaat hof uit van de privé onttrekkingen uit de onderneming in het jaar 2019, het laatste jaar van het huwelijk. Desgevraagd is namens de man verklaard dat die onttrekkingen in 2019 € 75.067,- waren en dat hij in 2019 geen belasting heeft betaald. Daarom stonden deze onttrekkingen partijen gedurende het huwelijk netto ter beschikking. Het gezamenlijke netto jaarinkomen van partijen komt daarmee op ruim € 89.000,-. Dat is - afgerond - € 7.400,- per maand en toepassing van de hofnorm leidt tot een netto behoefte van € 4.400,-. Dat is zelfs aanzienlijk meer dan de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw die de rechtbank vaststelde: € 2.986,- netto per maand. Die behoefte is dus geenszins te hoog vastgesteld zoals door de man is betoogd. Dit betekent dat grief 1 en 2 van de man falen. de draagkracht van de man (grieven 3 en 4) 5.6 De echtscheidingsbeschikking is op 26 maart 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat de partneralimentatie met ingang van die datum verschuldigd is. Het hof zal de draagkracht van de man per die datum moeten beoordelen, nu de man stelt over onvoldoende draagkracht te beschikken. Het ligt op zijn weg om met gedegen stukken te komen op grond waarvan het hof de stellingen van de man dienaangaande kan beoordelen, maar de man heeft geen stukken overgelegd waaruit zijn inkomen in 2021 kan worden afgeleid. Het hof kan daarom de draagkracht van de man niet vaststellen. Namens de man is op de mondelinge behandeling nog betoogd dat de man in 2020 geen aanspraak heeft gemaakt op een tegemoetkomingsregeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.