GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.287.246/01 CJIB-nummer : 228108526 Uitspraak d.d. : 7 september 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2020, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft van de gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt. Bij e-mail van 20 augustus 2021 heeft de gemachtigde van de betrokkene het hof laten weten dat het verzoek om de zaak op een zitting te behandelen is ingetrokken. De beoordeling
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als (snor)fietser bij ontbreken (verplicht) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijvoorbeeld rijden op trottoir, voetpad)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 augustus 2019 om 06:07 uur op de Franciscus Claessenstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voertuig gestolen was ten tijde van het constateren van de gedraging. In de aangifte is duidelijk vermeld dat het voertuig op 25 augustus 2019 tussen 05:50 uur en 06:00 uur is gestolen. Dat de betrokkene een week na de gedraging aangifte van diefstal doet, betekent niet dat de diefstal niet zou hebben plaatsgevonden. Er is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 8 van de Wahv. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Ook voert de gemachtigde aan dat de betrokkene in de inleidende beschikking niet is gewezen op artikel 8 van de Wahv, zoals artikel 5, laatste volzin, van de Wahv verplicht. Ook om deze reden kan de inleidende beschikking niet in stand blijven.
- In artikel 8 van de Wahv is bepaald dat de officier van justitie, indien de sanctie met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder is opgelegd, de inleidende beschikking vernietigt onder andere in het geval degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
- Naar het oordeel van het hof heeft de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt dat tegen de wil van de betrokkene door een ander van zijn voertuig gebruik is gemaakt. De betrokkene heeft aangifte van diefstal gedaan, zo blijkt uit de overgelegde aangifte, maar dit is in het onderhavige geval onvoldoende om aan te nemen dat tegen de wil van de betrokkene door een ander van zijn voertuig gebruikt is gemaakt. Het hof leidt uit de gegevens van het dossier af, dat eerst aangifte is gedaan nà ontvangst van de inleidende beschikking, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van die aangifte. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is waarom niet eerder aangifte kon worden gedaan. De sanctie is dan ook terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
- In de inleidende beschikking is niet gewezen op het bepaalde in artikel 8 van de Wahv, zoals artikel 5 van de Wahv verplicht. Het hof zal hier geen gevolgen aan verbinden. De gemachtigde heeft zich in administratief beroep al beroepen op artikel 8 van de Wahv, zodat niet gebleken is dat de betrokkene door het niet vermelden van dit artikel in de inleidende beschikking, in zijn belangen is geschaad.
- Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
- Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.