← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:8641

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.291.513 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 507511) beschikking van 14 september 2021 in de zaak van [verzoeker] en [verzoekster], beiden wonende te [woonplaats1] ,verzoekers in hoger beroep, verder te noemen: de ouders, advocaat: mr. A.DJ. van Ruyven te De Bilt, en de raad voor de kinderbescherming, gevestigd te Utrecht, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad. Verder is als belanghebbende betrokken: de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, verder te noemen: de William Schrikker Stichting. 1Onderwerp Het gaat in deze zaak over de beëindiging van het gezag van de ouders over hun zoon [de minderjarige] , geboren [in] 2014 in [woonplaats1] . 2Belangrijke informatie 2.1 Sinds de geboorte van [de minderjarige] hadden de ouders samen het gezag over [de minderjarige] . Dat staat in het gezagsregister. Dat betekent dat de ouders samen belangrijke beslissingen over [de minderjarige] konden nemen. 2.2 [de minderjarige] stond van 27 oktober 2014 tot 27 januari 2021 onder toezicht, eerst van Bureau Jeugdzorg en later van de William Schrikker Stichting. 2.3 [de minderjarige] is op 19 maart 2019 uit huis geplaatst en is toen in een pleeggezin in [plaats1] gaan wonen. Zijn oudere broer [naam1] woonde al in dat pleeggezin. Vóór de uithuisplaatsing woonde [de minderjarige] bij de ouders. Sinds 14 juni 2021 woont [de minderjarige] in een gezinshuis in Ede. 3De beslissing van de rechtbank De raad heeft de rechtbank gevraagd om het gezag van de ouders over [de minderjarige] te beëindigen. De rechtbank heeft daarover op 14 december 2020 een beslissing genomen. De rechtbank heeft het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd en de William Schrikker Stichting benoemd als voogd over [de minderjarige] . Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing meteen uitgevoerd mag worden, ook als er hoger beroep is ingesteld. 4Het hoger beroep 4.1 De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij zijn in hoger beroep gegaan. De ouders vragen het hof om de beslissing van de rechtbank terug te draaien, zodat zij weer het gezag over [de minderjarige] hebben. 4.2 De raad vindt dat de rechtbank een goede beslissing heeft genomen en vraagt het hof om die beslissing in stand te laten. 5De rechtszaak bij het hof 5.1 Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift van de ouders van 11 maart 2021; het verweerschrift van de raad. 5.2 De zitting (mondelinge behandeling) bij het hof was op 9 juli

  1. Aanwezig waren: de ouders, met hun advocaat; [naam2] voor de raad; [naam3] voor de William Schrikker Stichting. 6De redenen voor de beslissing 6.1 In artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter het gezag van een ouder kan beëindigen indien: een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding niet kan dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of de ouder het gezag misbruikt. 6.2 Ook de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind zijn van belang voor deze zaak. Uit die artikelen volgt dat de belangen van het kind voorop staan bij het nemen van een beslissing over de beëindiging van het gezag van de ouders. Een kind dat niet bij zijn ouder(s) verblijft, heeft er recht op dat duidelijk is bij wie hij dan wel opgroeit, dat hij daar ononderbroken en ongestoord kan opgroeien en dat hij een band kan aangaan met zijn opvoeders. Dat recht van het kind staat voorop, ook als de ouders het goed vinden dat het kind in een pleeggezin opgroeit. 6.3 Het hof is het eens met het oordeel van de rechtbank dat het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd moet worden. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof zal nu uitleggen (motiveren) waarom het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. 6.4 In de beslissing van de rechtbank staat dat [de minderjarige] een forse ontwikkelingsachterstand heeft en daarom veel van zijn opvoeders vraagt. Het hof is het daarmee eens. De ouders kunnen [de minderjarige] niet bieden wat hij nodig heeft, waardoor [de minderjarige] al een lange tijd niet meer bij de ouders woont en ook in de toekomst niet bij de ouders kan wonen. Dat blijkt uit het rapport van de raad van 10 augustus 2020 (er zijn geen andere rapporten of stukken ingediend) en ook uit het gesprek dat het hof heeft gehad met de ouders, de raad en de William Schrikker Stichting op de zitting. Daarmee is voldaan aan de eisen die in de wet staan voor beëindiging van het gezag. Zoals tijdens de zitting ook door de raad is gezegd, wordt het de ouders niet kwalijk genomen dat zij niet zelf voor [de minderjarige] kunnen zorgen. De ouders hebben hun beperkingen, maar zij doen hun best om er voor [de minderjarige] te zijn en zij zijn betrokken ouders. Door de problemen die [de minderjarige] heeft, heeft hij meer nodig dan een gemiddeld kind en het lukt de ouders niet hem dat te geven. Ook de pleegouders bij wie [de minderjarige] twee jaar heeft gewoond, zijn tot de conclusie gekomen dat de opvoeding van [de minderjarige] te veel voor hen is. 6.5 De ouders zeggen dat zij begrijpen dat [de minderjarige] niet bij hen kan wonen, maar het hof verwacht niet dat de ouders ermee zullen instemmen dat [de minderjarige] tot zijn 18e in het gezinshuis blijft wonen als er geen machtiging tot uithuisplaatsing is. Zolang de ouders het gezag hebben, moet daarom elk jaar een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing worden gevraagd en moet de rechter daarover elk jaar een beslissing nemen. Door het gezag van de ouders te beëindigen en de William Schrikker Stichting tot voogd te benoemen, is dat niet meer nodig. Daarmee is het voor iedereen duidelijk dat [de minderjarige] niet meer bij de ouders gaat wonen, ook voor [de minderjarige] zelf. 6.6 Het hof begrijpt dat de ouders bezorgd zijn dat hun rol in het leven van [de minderjarige] kleiner wordt door de beëindiging van hun gezag en dat zij geen informatie meer over hem zullen krijgen. Maar ook zonder gezag blijven zij de ouders van [de minderjarige] . Als ouders hebben zij recht op omgang met [de minderjarige] en de voogd is verplicht de ouders te informeren over belangrijke zaken over [de minderjarige] . Daarmee houden de ouders een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige] . Het is ook voor het hof duidelijk dat de ouders veel van [de minderjarige] houden. 7De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 december
  2. Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, M.H.F. van Vugt en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. H, Bouhuys als griffier, en is op 14 september 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.