GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.262.899 (zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Almelo 223483) arrest van 21 september 2021 in de zaak van [appellant] wonende te [woonplaats] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. J.J. Wolleswinkel, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nijhuis Bouw B.V., gevestigd te Rijssen, geïntimeerde in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Nijhuis Bouw, advocaat: mr. A.E. Broesterhuizen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Op 3 november 2020 is een tussenarrest gewezen. Daarbij is een comparitie van partijen bepaald. Die comparitie heeft op 30 juni 2021 plaatsgevonden. Voorafgaand aan de comparitie heeft mr. Wolleswinkel nog producties 1 tot en met 16 toegezonden. Deze producties behoren ook tot de processtukken. Van de comparitie is een proces-verbaal gemaakt. Daarna is bepaald dat arrest wordt gewezen. 2Waar gaat deze zaak over? 2.1. Het gaat in deze zaak om de verkoop van vastgoedproject ‘De Zon’ (hierna: project De Zon). Dit project behelsde de herontwikkeling van het onroerend goed aan de [adres1] te [plaats] waarbij vijftien appartementen met gezamenlijke ruimtes en twee commerciële ruimtes zouden worden gebouwd. [appellant] was samen met De Zon B.V. en De Zon Enschede Holding B.V. eigenaar van het te ontwikkelen onroerend goed. Hij wilde project De Zon verkopen aan Nijhuis Bouw. Daarover is met Nijhuis Bouw onderhandeld. 2.2. Volgens [appellant] hebben die onderhandelingen in mei 2017 geresulteerd in een mondelinge koopovereenkomst tussen hem en Nijhuis Bouw. In ieder geval waren de onderhandelingen in december 2017 in een zo ver gevorderd stadium dat Nijhuis Bouw die niet had mogen afbreken, aldus [appellant] . [appellant] heeft bij de rechtbank – kort gezegd – een verklaring voor recht gevorderd dat Nijhuis Bouw jegens hem aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van primair niet nakomen van de op of omstreeks 17/18 mei 2017 tot stand gekomen mondelinge koopovereenkomst, dan wel subsidiair schending van de precontractuele goede trouw door Nijhuis Bouw. [appellant] heeft naast de verklaring voor recht schadevergoeding gevorderd ter hoogte van primair een bedrag van € 926.000,-, dan wel subsidiair het positieve contractsbelang nader op te maken bij staat, dan wel meer subsidiair het negatieve contractsbelang nader op te maken bij staat, in ieder van de gevallen vermeerderd met de wettelijke rente. Ten slotte heeft hij buitengerechtelijke kosten van € 3.678,40 en een proceskostenveroordeling gevorderd. De rechtbank heeft alle vorderingen van [appellant] afgewezen. 2.3. In hoger beroep vordert [appellant] dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen en dat Nijhuis Bouw wordt veroordeeld in de proceskosten in beide instanties, inclusief nakosten. 2.4. Net als de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen en dat het Nijhuis Bouw vrij stond om de onderhandelingen af te breken. Om die reden is ook geen grond aanwezig voor het toekennen van een schadevergoeding aan [appellant] . Hierna wordt uitgelegd hoe het hof tot dit oordeel is gekomen. 3Het oordeel van het hof 3.1. De grieven van [appellant] leggen het geschil in volle omvang voor aan het hof. Het hof zal het geschil tussen partijen hierna per onderwerp bespreken, zonder de grieven afzonderlijk te behandelen. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.19 feiten vastgesteld. Aangezien tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd zal het hof in het hoger beroep die feiten tot uitgangspunt nemen en die waar nodig aanvullen. Is er medio mei 2017 een mondelinge koopovereenkomst gesloten? 3.2. Volgens [appellant] hebben partijen op of omstreeks 17/18 mei 2017 mondelinge overeenstemming bereikt over de verkoop van project De Zon. Hij onderbouwt zijn stelling onder andere door te wijzen op de e-mail van [naam1] (hierna: [naam1] ), projectontwikkelaar van Nijhuis Bouw, van 19 mei 2017 aan [naam2] (hierna: [naam2] ), mede-eigenaar van De Zon B.V., waarin staat: “Fijn dat we eruit zijn voor de Pijpenstraat.” Gelet op wat er vooraf is gegaan aan die e-mail en het gesprek waar de e-mail op volgt, kan deze zin naar het oordeel van het hof niet worden begrepen als de bevestiging van een tussen partijen gesloten mondelinge koopovereenkomst. Daarvoor is het volgende van belang. 3.3. Nijhuis Bouw heeft [appellant] in maart 2017 benaderd voor meer informatie over project De Zon. Op dat moment lagen er al een exploitatieovereenkomst, een omgevingsvergunning, bouwtekeningen en conceptbegrotingen en was er een subsidie aangevraagd en verleend voor project De Zon. Dit omdat [appellant] in eerste instantie heeft geprobeerd project De Zon te verkopen als een kant en klaar beleggingsobject. Nijhuis Bouw had geen belangstelling voor het beleggingsobject, maar was wel geïnteresseerd in realisatie van het project en het vervolgens doorverkopen van de door haar ge-/verbouwde locatie. 3.4. Nijhuis Bouw heeft toegelicht dat zij, voordat zij zich vastlegt op een project, eerst in kaart brengt hoe de kosten van een project zich verhouden tot het verwachte rendement. Daartoe moet er onder andere een stichtingskostenopzet gemaakt worden. [appellant] heeft Nijhuis Bouw in dat kader eind maart 2017 de exploitatieovereenkomst en de omgevingsvergunning gestuurd. Nijhuis Bouw is daarmee aan de slag gegaan en heeft begin april 2017 twee varianten van de stichtingskostenopzet aan [appellant] en [naam2] gestuurd, waarbij is aangegeven dat er aan veel knoppen gedraaid kon worden. Kort daarna heeft [naam1] een e-mail aan [appellant] en [naam2] gestuurd waarin hij aangaf dat het niet eenvoudig was om het bestaande plan van [appellant] “dichtgerekend” te krijgen, en dat ze aan het puzzelen waren met een aantal variabelen. Over de mogelijke aanpassingen heeft Nijhuis Bouw begin mei 2017 ook contact met de gemeente Enschede gehad, die aangaf dat aanpassingen in beginsel mogelijk waren, maar dat zij daarvoor wel 10 procent van de standaard leges in rekening zou brengen. Nijhuis Bouw heeft dit teruggekoppeld aan [appellant] en [naam2] en aangegeven dat Nijhuis Bouw de aanpassingen door ging laten rekenen en een aangepaste stichtingskostenopzet zou voorbereiden. Het standpunt van [appellant] dat hij Nijhuis Bouw een kant-en-klaar pakket heeft aangeboden op grond waarvan Nijhuis Bouw project De Zon direct kon realiseren, gaat er dan ook aan voorbij dat voor Nijhuis Bouw voorop stond dat zij het project financieel rond moest weten te krijgen, wilde zij er aan beginnen en dat dat bij de stand van zaken op dat moment, niet het geval was. Om het project voor haar rendabel en daarmee interessant te laten zijn, was optimalisatie (of eigenlijk een versobering) van het oorspronkelijk plan van [appellant] zoals dat er lag, nodig. Hoewel niet is gebleken dat Nijhuis Bouw [appellant] heeft geïnformeerd over de verschillende fasen die ieder bouwtraject volgens haar in beginsel doorloopt (initiatieffase, haalbaarheidsfase, commitmentfase en realisatiefase) en in welke fase men zich van tijd tot tijd bevond, was het voor [appellant] en [naam2] kenbaar, althans dat had het moeten zijn, dat Nijhuis Bouw niet in het project zou stappen op basis van het bestaande plan van [appellant] en dat de financiële haalbaarheid van het project voor haar een randvoorwaarde was. 3.5. Dat is de situatie op het moment dat de bespreking medio mei 2017 plaatsvindt. Vervolgens was van belang dat partijen het eens zouden worden over de uitgangspunten van de transactie. Zonder die uitgangspunten kon Nijhuis Bouw namelijk geen definitieve stichtingskostenopzet maken en dus niet beoordelen of het plan uiteindelijk haalbaar zou zijn. Het hof maakt uit de overgelegde stukken en verklaringen op dat dat is wat er tijdens de vergadering medio mei 2017 is besproken: de uitgangspunten voor de deal. Die kwamen erop neer dat de intentie van partijen was dat Nijhuis Bouw project De Zon zou aankopen van [appellant] en dat zij vervolgens de commerciële plint aan [appellant] terug zou leveren, tegen een beoogde aan- en verkoopsom van € 165.000,-. Nijhuis Bouw zou vervolgens binnen het kader van die uitgangspunten gaan onderzoeken of het project voor die beoogde prijs door haar te realiseren was. Daarmee is naar het oordeel van het hof geen sprake van overeenstemming over de koop van project De Zon medio mei 2017. 3.6. Dat er medio mei 2017 geen koopovereenkomst is gesloten, wordt ook bevestigd door de e-mail van 31 mei 2017 van [naam1] aan [appellant] en [naam2] , met in de bijlage een conceptversie van een intentieovereenkomst. In die concept-intentieovereenkomst zijn de hierboven genoemde uitgangspunten vastgelegd met de mededeling dat die zijn gebaseerd op de visie van Nijhuis Bouw op de locatie. Die visie van Nijhuis Bouw op de locatie gaat volgens de intentieovereenkomst uit van technische en financiële optimalisatie van de huidige plannen voor project De Zon. Met andere woorden: als de visie van Nijhuis Bouw op de locatie (te weten de optimalisatie van de plannen) niet te realiseren was, hadden de uitgangspunten ook geen waarde meer. Of die optimalisatie te realiseren was, was in mei 2017 nog niet bekend. Zoals ook blijkt uit de concept-intentieovereenkomst was daarvoor onder andere van belang dat de gemeente medewerking aan de plannen zou verlenen binnen de afgegeven omgevingsvergunning. Uit de concept-intentieovereenkomst volgt dat er daarnaast nog andere punten open stonden: de grond moest geschikt blijken voor het beoogde gebruik, de levering moest (fiscaal gezien) vorm worden gegeven, partijen moesten het eens worden over de te realiseren horecaruimte op de begane grond en Nijhuis Bouw moest beleggers vinden voor de te realiseren appartementen. Dit waren geen ondergeschikte punten. Partijen hebben hier in de periode na mei 2017 ook verder over onderhandeld. Ten slotte bevat de concept-intentieovereenkomst een bepaling over exclusiviteit op grond waarvan de eigenaar ( [appellant] dus) gedurende de duur van de intentieovereenkomst geen contact met andere aannemers/ontwikkelaars over dit werk mocht hebben. Zo’n bepaling is overbodig op het moment dat partijen definitieve overeenstemming hebben bereikt. De inhoud van de concept-intentieovereenkomst bevestigt hiermee de uitgangspunten van partijen en het einddoel waar partijen naartoe werken, maar niet dat er al sprake is van een koop van de locatie door Nijhuis Bouw. Dat is ook in lijn met de mededeling van [naam1] in zijn begeleidende e-mail bij de concept-intentieovereenkomst, waarin hij heeft aangegeven dat de intentieovereenkomst volgens hem de tijd zou kunnen overbruggen totdat partijen een definitieve koopovereenkomst konden sluiten. Dat laatste zou pas mogelijk zijn op het moment dat voor Nijhuis Bouw duidelijk was dat zij het project op een voor haar rendabele wijze kon realiseren. 3.7. Ook de correspondentie na mei 2017 maakt duidelijk dat er nog geen definitieve koopovereenkomst was. Zo is onder andere in de notulen van de bespreking op 10 juli 2017 opgenomen dat de contractstukken nog definitief moeten worden gemaakt en in zijn e-mail van 21 juli 2017 schrijft [naam1] : “nadat we alle gegevens compleet hebben, kunnen we een overeenkomst sluiten. Naar de vorm en inhoud van de overeenkomst moeten we goed kijken omdat we de subsidie veilig moeten stellen. (…)”. [appellant] en [naam2] hebben ook zelf meerdere malen navraag gedaan naar de definitieve koopovereenkomst: zo vragen zij op 27 juli 2017 of de afspraak van 1 augustus 2017 om een koopovereenkomst te sluiten gehaald gaat worden, en vragen zij op 1 november 2017 of het koopcontract al klaar is. Als partijen in mei 2017 werkelijk al overeenstemming bereikt zouden hebben, was dit niet nodig geweest. 3.8. [appellant] voert verder aan dat uit het feit dat Nijhuis Bouw in de periode na mei 2017 uitvoeringshandelingen heeft verricht, blijkt dat er medio mei 2017 een koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Het hof volgt [appellant] daar niet in. Nadat partijen elkaar in mei 2017 hadden gevonden in de uitgangspunten voor hun samenwerking, is Nijhuis Bouw aan de slag gegaan om te proberen een voor haar (financieel) haalbaar plan voor de realisatie van project De Zon op te stellen. Dat hield onder andere in dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.