← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:8918

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006040-18 Uitspraak d.d.: 15 september 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 5 november 2018 met parketnummer 18-730345-17 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, briefadres: [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de twee inbeslaggenomen pistolen, merk Glock, en een magazijnhouder. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.O. Roosjen, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte op 5 november 2018 veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Voorts heeft de rechter de onttrekking aan het verkeer bevolen van het inbeslaggenomen pistool, merk Glock en de magazijnhouder. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 19 september 2017, te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , een of meer wapens van categorie III onder 1, te weten twee pistolen, merk/type Bruni BBM Gap (kaliber 9 mm knal), voorhanden heeft gehad. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bekend dat hij het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Het hof beschouwt verdachte derhalve als een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 19 september 2017 te [plaats] wapens van categorie III onder 1, te weten twee pistolen, merk/type Bruni BBM Gap (kaliber 9 mm knal), voorhanden heeft gehad. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich op 19 september 2017 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III, namelijk twee 9 mm gaspistolen van het merk/type Bruni BBM Gap. Daarmee heeft hij gehandeld in strijd met het algemene verbod om wapens van de categorieën II en III voorhanden te hebben. Het ongecontroleerde bezit van wapens, al dan niet in (vermeend) onklaar gemaakte staat, vormt een ernstige bedreiging voor de maatschappij. Dat dient verdachte terdege te beseffen. Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 juli

  1. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten, waarvoor hem onder meer taakstraf en gevangenisstraf is opgelegd. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Van belang is dat verdachte in juni 2021 is vrijgekomen na het ondergaan van een vrijheidsstraf voor de duur van 12 maanden. Inmiddels ontvangt verdachte een uitkering en is hij bezig met het vinden van huisvesting via de organisatie Zienn. Het hof is van oordeel dat oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Voor een andere, mildere strafmodaliteit, komt verdachte, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, alsook gelet op artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, niet in aanmerking. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte zijn leven inmiddels lijkt te hebben gestabiliseerd; om dit niet teveel te doorkruisen zal het een substantieel deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. De op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken dient tevens als stok achter de deur teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit. Redelijke termijn Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in deze zaak het volgende. De redelijke termijn is aangevangen op 20 september 2017 op het moment dat verdachte door de politie werd verhoord. De rechtbank heeft op 5 november 2018 vonnis gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg niet overschreden. Vervolgens heeft verdachte appèl ingesteld op 5 november 2018 en is het dossier bij het hof binnengekomen op 1 februari
  2. Ter zake van de inzendingstermijn is aldus ook geen sprake van een schending van de redelijke termijn. Dit arrest wijst het hof op 15 september
  3. Dat betekent dat tussen de datum waarop verdachte hoger beroep heeft ingesteld en de datum waarop dit hof arrest wijst 2 jaren en ruim 10 maanden zijn verstreken. Daarmee is de redelijke termijn in de fase van hoger beroep met ruim 10 maanden overschreden, waardoor de duur van de totale berechting in twee feitelijke instanties bijna 4 jaren heeft geduurd. Daarmee heeft de duur van de totale berechting in twee feitelijke instanties niet de redelijke termijn overschreden. Bovendien hebben er twee eerdere zittingen bij het hof plaatsgevonden, namelijk op 25 februari 2020 en 21 juli 2020, waarop de zaak op verzoek van de verdediging is aangehouden. Ten aanzien van de tweede aanhouding overweegt het hof dat verdachte contact had gehad met zijn vriendin in de penitentiaire inrichting voorafgaande aan de zitting op 21 juli
  4. Dit was in strijd met de destijds geldende coronaregels in de penitentiaire inrichting. Om die reden is de zaak wederom aangehouden voor onbepaalde tijd. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep is dus grotendeels te wijten aan verdachte. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Inbeslaggenomen goederen Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 75 (vijfenzeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 2 pistolen, merk Glock, en 1 magazijnhouder. Aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. M.J.F. van der Wolf, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. D. Janssen, griffier, en op 15 september 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.