← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:9123

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.262.365/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 7358542) arrest van 28 september 2021 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, bij de rechtbank: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. W.J. Lenstra, die kantoor houdt te Utrecht, tegen WMD Drinkwater B.V., gevestigd te Assen, geïntimeerde, bij de rechtbank: eiseres, hierna: WMD, advocaat: mr. P. van Rossum, die kantoor houdt te Emmen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 april 2021 hier over. 1.2 Na dit tussenarrest is een akte van WMD (met productie) en een antwoordakte van [appellant] ontvangen. Vervolgens heeft het hof bepaald dat vandaag arrest wordt gewezen. 2De verdere beoordeling van de grieven en de vordering 2.1 Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat [appellant] op 27 augustus 2015 een overeenkomst tot levering van drinkwater met WMD heeft gesloten en dat hij op grond daarvan gehouden is de facturen voor geleverd drinkwater te betalen voor zover die facturen zien op verbruikt drinkwater vanaf 27 augustus

  1. Omdat met de factuur van 13 februari 2016 drinkwater in rekening is gebracht dat verbruikt is vanaf 2 december 2014 en de factuur niet nader is gespecificeerd, heeft het hof WMD in de gelegenheid gesteld bij akte te specificeren welk bedrag in rekening wordt gebracht ter zake van het drinkwaterverbruik vanaf 27 augustus 2015 waarbij als uitgangspunt kan gelden de meterstand per 28 augustus 2015 van 1.746 m³. 2.2 WMD heeft in haar akte na het tussenarrest een credit-factuur overgelegd die gebaseerd is op de correctie van het waterverbruik en het vast recht in de periode van 2 december 2014 tot en met 26 augustus
  2. Volgens WMD was de meterstand op 2 december 2014 1.347 m³, zodat een bedrag van € 279,15 is gecrediteerd. [appellant] is daarmee volgens WMD nog gehouden een bedrag van € 2.077,89 te voldoen (te vermeerderen met rente en kosten). 2.3 [appellant] heeft in zijn antwoord akte opnieuw betwist dat tussen hem en WMD een overeenkomst tot stand is gekomen. Met het oordeel in rechtsoverweging 4.5 van het tussenarrest dat [appellant] een overeenkomst tot levering van drinkwater met WMD heeft gesloten en dat hij op grond daarvan gehouden is de facturen voor geleverd drinkwater te betalen heeft het hof echter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist op een geschilpunt tussen partijen. Daarmee is sprake van een bindende eindbeslissing. De rechter mag van een dergelijke beslissing in dezelfde instantie in beginsel niet terugkomen, tenzij blijkt van zodanige bijzondere omstandigheden dat het onaanvaardbaar zou zijn dat de rechter (in dit geval het hof) dat niet doet, dan wel blijkt dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die het onaanvaardbaar zouden maken dat het hof aan zijn eindbeslissing vasthoudt. Verder is er geen sprake van dat het hof op een ondeugdelijke juridische of feitelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Het hof ziet daarom geen aanleiding terug te komen op de bindende eindbeslissing. 2.4 [appellant] heeft verder de juistheid van de creditnota betwist. Volgens hem ligt het door WDM gestelde waterverbruik over de periode na 27 augustus 2015 zodanig veel hoger dan in de voorgaande periode, dat de factuur van WDM ongeloofwaardig is. Het hof is van oordeel dat [appellant] met deze niet onderbouwde stelling de door WDM overgelegde creditnota onvoldoende heeft weersproken. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van de creditnota, in het bijzonder de daarin én in de jaarafrekening 2016 genoemde meterstanden en tarieven. Dat betekent dat [appellant] zal worden veroordeeld tot de betaling van € 2.077,89, te vermeerderen met wettelijke rente. De door WDM gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn door [appellant] in hoger beroep niet weersproken. Bij de hoofdsom van € 2.077,89 past op grond van de in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten opgenomen staffel een bedrag van € 311,
  3. Het hof zal dit bedrag dan ook toewijzen. 2.5 De slotsom is dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen, behoudens voor wat betreft de veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Het hof zal [appellant] veroordelen tot betaling van € 2.389,57 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.077,
  4. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld (2 punten, tarief I). Het verzoek van [appellant] in punt 9 van zijn antwoordakte – om WMD in de kosten te veroordelen vanwege haar onduidelijke administratie – wordt daarmee afgewezen. 3De beslissing Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel van 2 april 2019, behoudens voor wat betreft de proceskostenveroordeling. Het hof veroordeelt [appellant] om aan WMD tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.389,57, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.077,89 vanaf 14 november 2018 tot de dag van volledige betaling. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter voor het overige. Het hof veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van WMD berekend op € 741,- voor verschotten en € 1.574,- voor geliquideerd salaris voor de advocaat. Het hof verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Dit arrest is gewezen door mr. R.E. Weening, mr. J. Smit en mr. W.P.M. ter Berg en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 28 september
  5. HR 5 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1946 HR 4 september 2016, ECLI:NL:HR:2015:2461 en HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.