GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.263.457/01 CJIB-nummer : 215283290 Uitspraak d.d. : 30 september 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 maart 2018 om 16.45 uur op de Bergweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de inleidende beschikking geen stand kan houden, nu ten onrechte is gesanctioneerd voor de algemene feitcode behorend bij overtreding van het bepaalde in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), terwijl een meer specifieke feitcode van toepassing is op de onderhavige situatie (R396b: het laten stilstaan van een voertuig op een fietsstrook). In die feitcode is het veroorzaken van hinder reeds verdisconteerd. Het stond de ambtenaar om die reden niet vrij om te schrijven voor een andere, meer algemene, feitcode. Bovendien heeft de ambtenaar bij de staandehouding medegedeeld dat een sanctie zou worden opgelegd voor het laten stilstaan van een voertuig op een fietsstrook, waarbij een lager sanctiebedrag hoort. Nu de ambtenaar voor een andere gedraging heeft geschreven, beroept de betrokkene zich op het vertrouwensbeginsel.
- De onder
- vermelde gedraging is een overtreding van artikel 5 van de WVW 1994 dat luidt: “Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
- De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in: “Ik zag dat het voertuig op zodanige wijze op de weg stond waardoor gevaar werd dan wel kon worden veroorzaakt. (…) Het (mogelijke) gevaar bestond uit: fietsers moesten over de openbare weg fietsen tijdens de regenachtige spits. Zeer gevaarlijke situatie. Overtreden artikel: 5 WVW 1994 (…) Verklaring betrokkene: ik moest een pakket ophalen en er stond al een voertuig geparkeerd.
- In het dossier bevindt zich voorts een foto die de ambtenaar ter plaatse heeft gemaakt. Op deze foto is te zien dat het voertuig met kenteken [kenteken] stilstaat op een fietsstrook. Het voertuig staat parallel naast een ander (geparkeerd) voertuig.
- Namens de betrokkene wordt niet betwist dat hij stilstond op een fietsstrook.
- Uit de verklaring van de ambtenaar en de overgelegde foto volgt dat het voertuig van de betrokkene zodanig op de fietsstrook stond dat hinder en (mogelijk) gevaar werd veroorzaakt voor fietsers die er niet langs konden en in de regenachtige spits moesten uitwijken naar de rijbaan. Ook leverde dit hinder op voor weggebruikers voor wie de toegang tot of het vertrek uit het parkeervak werd geblokkeerd. Niet valt in te zien waarom het de ambtenaar in deze situatie niet vrijstond om een sanctie op te leggen op grond van artikel 5 WVW
- Dat voor het stilstaan op een fietsstrook een specifieke feitcode in het leven is geroepen, maakt niet dat in de onderhavige situatie, nu niet alle geconstateerde hinder geacht kan worden te zijn verdisconteerd in één gedraging, geen sanctie kon worden opgelegd voor overtreding van het bepaalde in artikel 5 WVW
- Het hof verwerpt voorts het beroep op het vertrouwensbeginsel. De enkele, niet onderbouwde stelling van de gemachtigde dat de ambtenaar zou hebben toegezegd een sanctie op te leggen voor de gedraging behorend bij feitcode R396b, is onvoldoende om aan te nemen dat een dergelijke toezegging is gedaan door de ambtenaar.
- Voorgaande betekent dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en dat die beslissing zal worden bevestigd. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.