Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000294-21 Uitspraak d.d.: 4 oktober 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 22 december 2020 met parketnummer 08-952484-19 in de strafzaak tegen [Naam verdachte] , geboren op [geboortedatum & -plaats] , thans verblijvende in de P.I. [detentieplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J. Michels, naar voren is gebracht en van hetgeen door de heer H.T.J. van Bree, medewerker van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij, [naam benadeelde partij] , naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Verdachte heeft blijkens de akte instellen hoger beroep van 22 december 2020 onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Verdachte kan in dat hoger beroep niet worden ontvangen voor zover het gaat om de vrijspraak van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit, nu de wet daartegen van de zijde van de verdachte geen hoger beroep mogelijk maakt. Het hof zal het hoger beroep van verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 22 december 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van – kort gezegd – afpersing, witwassen, diefstal, poging tot diefstal en wederrechtelijke vrijheidsberoving (allen in de deelnemingsvorm van medepleger) veroordeeld tot een gevangenisstraf van tweeëndertig maanden, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest en waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Het hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op juiste wijze en op juiste gronden heeft beslist. Door en namens verdachte is tegen de bewezenverklaring ook uitdrukkelijk geen verweer gevoerd. Het hof heeft ook overigens geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank daarom bevestigen voor zover het gaat om de bewezenverklaring, de door de rechtbank opgenomen kwalificaties en de strafbaarheid van verdachte, met aanvulling van de gronden van het vonnis. De aanvulling zal bestaan uit de toevoeging van verdachtes verklaring ter terechtzitting van het hof als bewijsmiddel. Wel ziet het hof aanleiding om over te gaan tot een andere strafoplegging en een andere motivering van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Het hof zal het vonnis op die onderdelen vernietigen en opnieuw recht doen. De bewijsmiddelen Het hof vult de bewijsmiddelen van het vonnis aan met het volgende bewijsmiddel. - Een proces-verbaal van de terechtzitting bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 20 september 2021, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte [Naam verdachte]: ''Op 8 augustus 2019 in Enschede was ik erbij toen wij met de aangever in zijn auto hebben rondgereden. Ik was er de hele rit bij. Ik zat op de bijrijdersstoel. Het ging op een gegeven moment over geld en ik heb toen gewoon meegeprofiteerd.'' Oplegging van straf en/of maatregel De meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeëndertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden bevestigd. De raadsman van verdachte heeft het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het afpersen van aangever, hetgeen door de rechtbank is bewezen verklaard als een combinatie van strafbare feiten. Er is onder valse voorwendselen – medeverdachte [naam medeverdachte 1] deed zich in een berichtenwisseling via een datingsite voor als een vrouw – een afspraak gemaakt met aangever om elkaar in de avond van 8 augustus 2019 op een parkeerplaats bij een pannenkoekenhuis in Enschede te ontmoeten. Op die parkeerplaats is aangever door medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aangevallen en bedreigd. Op enig moment zijn zij bijgestaan door verdachte. Vervolgens zijn de drie verdachten en aangever in de auto van aangever gestapt en hebben zij urenlang in Enschede rondgereden. Gedurende deze rit is aangever gedwongen zijn bezittingen af te geven, waaronder zijn telefoon en zijn pinpas met pincode. Die nacht hebben zij meermalen geprobeerd geld te pinnen van de rekening van aangever, hetgeen slechts ten dele is gelukt. Daarop is uiteindelijk de rekening van aangever geplunderd via internetbankieren. De opbrengst daarvan, een ruime € 25.000,- is overgemaakt naar de rekeningen van anderen en vervolgens verdeeld. Het contact dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] met aangever had voorafgaand aan het voorval, de beschikbaarheid en aanwezigheid van medeverdachten [naam medeverdachte 2] en verdachte die bewuste nacht wijzen naar het oordeel van het hof op een verdergaande voorbereiding dan het enkel door verdachten voorgestane toevallige ontstaan van de situatie uit nieuwsgierigheid. Het hele voorval speelde zich af tussen grofweg 23:00 uur en 03:00 uur, waarbij aangever voorafgaand aan de autorit door de medeverdachten fors is mishandeld en bedreigd. Ook gedurende de urenlange autorit werd aangever bedreigd. Aangever durfde eerst geen aangifte te doen. Pas nadat hij bezoek kreeg van de politie (die aangever opzocht in verband met de melding van een ongebruikelijke transactie) en er tijdens dat bezoek door één van de verdachten telefonisch contact met aangever werd opgenomen (omdat men meer geld wilde), besloot aangever de politie in te lichten. Uit de ter terechtzitting namens aangever voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat dit voorval voor aangever een verschrikkelijke ervaring is geweest die bij aangever grote angsten teweeg heeft gebracht, met alle gevolgen van dien. Naast aanzienlijke financiële schade heeft aangever lichamelijk en geestelijk letsel opgelopen. De handelwijze van verdachte en zijn medeverdachten, zoals hiervoor beschreven, alsmede de door de verdachten gefingeerde vorm van eigenrichting, hetgeen zij in hoger beroep hebben volgehouden, kunnen onder geen beding worden getolereerd. Het hof is van oordeel dat voor feiten als de onderhavige vanuit oogpunt van vergelding, generale en speciale preventie slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van forse duur passend en geboden is. Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij als first offender moet worden aangemerkt. Het hof heeft voorts acht geslagen op de over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportages en op hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. Daaruit is het hof gebleken dat verdachte zijn leven weer wil oppakken en wil leren van deze ernstige misstap. Verdachte verblijft thans in het Huis van Herstel in [detentieplaats] . Van daaruit werkt hij aan een succesvolle en veilige terugkeer in de samenleving en een delictvrije toekomst. Het hof ziet de plaatsing van verdachte in het Huis van Herstel als een stap in de goede richting. Daar komt bij dat verdachte beschikt over een eigen woning, een bestendige relatie en een baan, hetgeen hij tevens had ten tijde van het feit. Daarin ziet het hof mede aanleiding om, anders dan de rechtbank, geen deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Alles afwegend is het hof van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden moet worden opgelegd, met aftrek van het reeds door verdachte ondergane voorarrest. De door het hof bepaalde straf zal ertoe leiden (als verdachte voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld) dat hij eerder op vrije voeten komt (namelijk na het uitzitten van twee derde van de straf) dan bij de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal geëiste straf het geval zou zijn geweest. Bepalend voor die keuze van het hof zijn de omstandigheid dat verdachte first offender is en het feit dat verdachte zich tijdens zijn detentie inzet voor een succesvolle terugkeer in de samenleving. Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.042,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.