Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004368-19 Uitspraak d.d.: 2 februari 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 augustus 2019 met parketnummer 16-706048-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2000, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van dat wat door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, naar voren is gebracht. Omvang van het hoger beroep Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, staat voor verdachte geen hoger beroep open tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak ter zake van het onder de feiten 2 en 5 ten laste gelegde. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing ter zake van het onder de feiten 2 en 5 ten laste gelegde. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 2 augustus 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de volgende bewezen verklaarde feiten veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, een proeftijd van twee jaren en met oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden. Feit 1 – deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; Feit 3, primair – diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; Feit 4 – opzetheling. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis -voor zover dat ter beoordeling aan het hof voorligt- bevestigen behalve voor zover het betreft de oplegging van de straf. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, een proeftijd van twee jaren en met oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 62 dagen voorwaardelijk, met oplegging van bijzondere voorwaarden en een taakstraf voor de duur van 150 uren. De advocaat-generaal heeft zich niet verzet tegen het inkorten van de proeftijd tot één jaar. De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat – gelet op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte – het onwenselijk is dat verdachte opnieuw naar de gevangenis moet. Zij heeft verzocht om onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke jeugddetentie en een taakstraf in de vorm van een werkstraf, op te leggen. Voorts heeft zij verzocht om een proeftijd van één jaar aan het voorwaardelijke deel van de straf te koppelen. De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gecombineerd met een voorwaardelijke jeugddetentieen een taakstraf in de vorm van een werkstraf, van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Met de rechtbank overweegt het hof als volgt en neemt de volgende overwegingen over uit voornoemd vonnis van de rechtbank:. “Verdachte heeft gedurende een langere periode deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband met als oogmerk het plegen van vermogensdelicten, zoals woninginbraken en heling. Verdachte heeft voor dit criminele samenwerkingsverband hand en spandiensten verricht, zoals het neerleggen van een breekvoorwerp op een bepaalde plaats en hij heeft zich ook schuldig gemaakt aan het plegen van een woninginbraak in vereniging en opzetheling. Woninginbraken veroorzaken de nodige materiële schade en maken een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Het tast het gevoel van veiligheid in de eigen woning aan. De rechtbank rekent verdachte het veroorzaken van deze gevoelens aan, vooral omdat hij de woninginbraken in georganiseerd verband heeft gepleegd, waarbij voor hem en zijn mededaders enkel het geldelijk gewin voorop stond.” Bij de bepaling van de strafmaat houdt het hof rekening met de rechterlijke oriëntatiepunten die gelden ter zake woninginbraken in vereniging en opzetheling, en de straffen zoals deze zijn opgelegd in soortgelijke zaken. Op basis hiervan is een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie passend. Het hof heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 december 2020 betreffende verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit veroordeeld is. Het hof heeft ook kennisgenomen van de verschillende rapportages die omtrent verdachte zijn opgemaakt. De meest recente rapportage is van de Raad voor de Kinderbescherming van 23 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.