GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.275.859 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, NL19.576) arrest van 12 oktober 2021 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats1] , appellant, in eerste aanleg: eiser van de vordering, verweerder op de tegenvordering, hierna: de man, advocaat: mr. S.S. Zijderveld, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats1] , geïntimeerde, in eerste aanleg: verweerster op de vordering, eiseres van de tegenvordering, hierna: de vrouw, advocaat: mr. R.C.H. Bruinier. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 2 februari 2021 hier over. 1.2 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het proces-verbaal van de op 6 september 2021 gehouden mondelinge behandeling. 1.3 De stukken voor het wijzen van arrest zijn aan het hof overgelegd en het hof heeft vervolgens arrest bepaald. 2De vaststaande feiten 2.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.7. van het bestreden vonnis van 6 november 2019. Deze feiten zijn hierna voor de leesbaarheid van dit arrest nogmaals opgenomen en door het hof aangevuld. 2.2 Partijen zijn [in] 1985 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 5 september 2012 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 19 september 2012 ingeschreven in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand van de gemeente Veenendaal. 2.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking van 5 september 2012 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de regelingen, zoals tussen partijen zijn overeengekomen in het aan de beschikking gehechte en door de rechtbank gewaarmerkte echtscheidingsconvenant, deel uitmaken van de echtscheidingsbeschikking. 2.4 In het echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) zijn – voor zover hier van belang – de navolgende afspraken vastgelegd: ‘Artikel 1 De woning 1.1 Tot de huwelijksgemeenschap behoren de woning staande en gelegen te [woonplaats1] aan de [adres1] , alsmede de voormalige echtelijke woning te [woonplaats1] aan de [adres2] . De woning aan de [adres1] is aangekocht voor € 235.000,- k.k. en daarna nog verbouwd. Hiervoor is een aflossingsvrije hypothecaire lening afgesloten van € 200.000,- en een overbruggingskrediet van € 100.000,-. De woning aan de [adres2] staat al geruime tijd te koop, thans voor € 295.000,-. Hiervoor is een aflossingsvrije hypothecaire geldlening afgesloten (in drie delen) van in totaal € 190.134,06. 1.2 De vrouw woont thans in de woning aan de [adres1] , doch het is de bedoeling van partijen dat de man daarin zal gaan wonen en de vrouw terugkeert naar de woning aan de [adres2] . Deze laatste woning is thans nog verhuurd, maar partijen zullen het daarheen leiden dat de huurovereenkomst met de huurder zo spoedig mogelijk wordt beëindigd. Het is de bedoeling dat partijen, op voorwaarde dat zij dat de (her)financiering rond komt, de bij hun woning behorende leningen op eigen naam zullen overnemen en bij overname zullen zorgdragen voor ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de andere partij. 1.3 Vanaf het moment dat de vrouw haar intrek heeft genomen in hun woning, komen alle lasten van de [adres2] uitsluitend voor haar rekening en alle lasten van de [adres1] uitsluitend voor rekening van de man. Tot dat moment wordt de betaling van de woonlasten van beide woningen voorgezet zoals dat in het huwelijk steeds gebruikelijk was (waarbij de woonlasten van de [adres2] zullen worden voldaan door de man vanuit de maandelijkse huurtermijnen, die dekkend zijn), met uitzondering van de gebruikslasten van de [adres1] , die nu al voor rekening van de vrouw komen. (…) 4.7 Het krediet bij [de bank1] van zo’n € 15.000,- (volgens opgave van de man), de € 13.000,- die partijen hebben geleend van de broer van de vrouw, de heer [naam1] en het doorlopend krediet bij de [de bank2] met een debetsaldo van ongeveer € 2.000,- (per januari 2012) zal bij helfte worden gedeeld. (…) 8.1 Partijen vrijwaren elkaar over en weer, indien de ene partij wordt aangesproken tot voldoening van een schuld, welke ingevolge de overeenkomst of vervolgafspraken ten laste van de andere partij komt. 8.2 Partijen verklaren terzake van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap na uitvoering van het bovenstaande niet meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar over en weer te dier zake finale kwijting. Partijen doen afstand van hun recht om ingevolge het bepaalde in art. 6:265 BW ontbinding van deze overeenkomst te vorderen. (…)’ 2.5 Op 1 oktober 2012 is de vrouw in de woning aan de [adres2] gaan wonen. 2.6 Geen van partijen is in staat gebleken de voor hen bedoelde woning toegedeeld te krijgen en ervoor te zorgen dat de ander wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de betreffende woning verbonden schulden, zoals overeengekomen in het echtscheidingsconvenant. Beide woningen zouden daarom moeten worden verkocht. In 2013 heeft de man de woning aan de [adres1] te [woonplaats1] verkocht. De vrouw heeft daaraan haar medewerking verleend. De woning aan de [adres2] te [woonplaats1] heeft enige tijd in de verkoop gestaan, maar is tot op heden niet verkocht. 2.7 De verkoopopbrengst van € 236.000,- van de woning aan de [adres1] te [woonplaats1] was onvoldoende om de hypothecaire geldlening (van € 200.000,-) én het overbruggingskrediet van € 100.000,- bij de [de bank2] (hierna: het overbruggingskrediet) af te lossen. De hypothecaire geldlening van € 203.085,73 is ter gelegenheid van de notariële overdracht afgelost. Aan de man is een bedrag van € 27.835,76 uitgekeerd. In plaats van aflossing van het overbruggingskrediet heeft de man de resterende € 27.835,75 aangewend om (andere) schulden mee te voldoen (de schuld aan [de bank1] voor meer dan zijn aandeel en de schuld aan de broer van de vrouw voor zijn aandeel, te weten de helft) en rijlessen voor de dochter van partijen mee te betalen. Er resteerde een bedrag groot € 7.935,15. Dat bedrag heeft de man gehouden. Daarna heeft de man rente over het overbruggingskrediet voldaan en op de hoofdsom niets afgelost, zodat het overbruggingskrediet nog steeds € 100.000,- bedraagt. 2.8 In het echtscheidingsconvenant is door partijen geen regeling getroffen voor (de waarde van) een polis bij [naam2] met polisnummer [nummer1] die tot de gemeenschap van goederen behoorde. 3Het geschil en de beslissing van de rechtbank 3.1 De man heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd: Primair: - toedeling van de woning aan de [adres2] aan hem, met veroordeling van de vrouw haar medewerking te verlenen aan verkoop, ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, toedeling van de hypothecaire geldleningen aan de man, voldoening door de vrouw aan de man van € 2.168,94 ter verrekeningen van vorderingen over en weer, uit te keren ter gelegenheid van het transport van de woning, met wettelijke rente over en weer bij gebreke van door de rechtbank te veroordelen bedragen. Subsidiair, indien hoofdelijk ontslag niet kan worden gerealiseerd: - veroordeling van de vrouw haar medewerking te verlenen aan verkoop van de woning, waarna verdeling bij helfte van de overwaarde tussen partijen dient plaats te vinden, onder bepaling van voorwaarden (indien een gezamenlijke opdracht aan een makelaar binnen 4 weken uitblijft is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd tot het verstrekken van een opdracht tot verkoop, waarbij de laatprijs en vraagprijs door makelaar bindend wordt vastgesteld wanneer partijen binnen twee weken daar zelf niet in slagen, partijen verplichten hun medewerking te verlenen aan transport van de woning aan de koper, de kosten verbonden aan de verkoop en het transport door ieder bij helfte te dragen, bij aandienen van een kandidaat-koper moet de vrouw meewerken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst, zo niet dan moet het te wijzen vonnis in de plaats treden van de instemmende verklaring van de vrouw, medewerking van de vrouw aan het notarieel transport en bij weigering dient het te wijzen vonnis voor wat betreft de verklaring van de vrouw in de notariële transportakte in de plaats te treden). 3.2 De vrouw heeft bij de rechtbank geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan en voorts – na wijziging bij akte van 3 september 2019 en deels intrekkingen – op de tegenvordering gevorderd: - dat de wijze van verdeling zal worden gelast van de tussen partijen bestaande (bedoeld zal zijn:) ontbonden huwelijksgemeenschap; - primair toedeling van de woning aan de [adres2] aan de man met een waarde van € 282.000,-, ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire geldleningen bij de [de bank2] met nummers [nummer2] en [nummer3] , kosten notariële levering voor rekening van de man en uiterlijk ten tijde van de notariële levering uitbetaling door de man aan de vrouw van een bedrag van € 91.865,94, - subsidiairpartijen te veroordelen tot volledige medewerking aan verkoop door [naam3] Makelaars te [woonplaats1] onder bepaling van voorwaarden (afwezigheid partijen bij bezichtigingen, medewerking partijen aan tekenen voorlopige koopakte en aan overdracht, ontruiming en in goede staat opleveren en ontruimd houden door partijen, aflossen hypothecaire geldleningen met de verkoopopbrengst, en dat een ieder gehouden is de helft van de kosten van verkoop en overdracht te voldoen, waarbij het restant toekomt aan de vrouw, dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van de man voor elk van de gevorderde rechtshandelingen na ommekomst van de daarbij bepaalde termijn, dan wel dat de man aan de vrouw een dwangsom verbeurt bij geen gevolg geven aan de gevorderde veroordelingen, de termijn ex artikel 3:301 lid 1 sub b BW op 14 dagen bepalen, door man te bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de overbruggingslening bij de [de bank2] op straffe van een dwangsom); - de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 912,27 binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan de man tevens vertragingsrente ex artikel 6:199 BW verschuldigd zal worden over het bedrag van € 912,27 vanaf de 15e dag na dagtekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening - de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 8.749,47 uit hoofde van verzwijging dan wel het verborgen houden ex artikel 3:194 lid 2 BW van de waarde van de kapitaalverzekering bij [naam2] met polisnummer [nummer1] binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan de man tevens vertragingsrente ex artikel 6:199 BW verschuldigd zal worden over het bedrag van € 8.749,47 vanaf de 15e dag na dagtekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening - de proceskosten tussen partijen te compenseren. 3.3 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis op de vordering en de tegenvordering – voor zover hier van belang – : - partijen veroordeeld hun volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] , door binnen vier weken na de datum van het vonnis opdracht tot verkoop te geven aan [naam3] Makelaars te [woonplaats1] en daaraan een aantal voorwaarden verbonden (bezichtiging door potentieel kopers buiten aanwezigheid van partijen, bij een volgens de makelaar redelijk bod, partijen moeten hun medewerking verlenen aan het tekenen van de voorlopige koopakte, aan de levering van de woning aan de koper en aan de notariële overdracht en de woning ontruimd en in goede staat op te leveren en leeg en ontruimd te houden); - voor recht verklaard dat wat van de verkoopopbrengst resteert, na aflossing van de hypothecaire geldleningen bij de [de bank2] met nummers [nummer2] en [nummer3] en de kosten van de makelaar, de notaris en overdrachtskosten ter zake van de verkoop en levering, toekomt aan de vrouw, - de man veroordeeld de overbruggingslening bij de [de bank2] met nummer [nummer4] groot € 100.000,- te voldoen als eigen schuld, zonder verrekening en - de man veroordeeld om aan de vrouw – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – te betalen een bedrag van € 8.749,47 uit hoofde van verzwijging dan wel verborgen houden ex artikel 3:194 lid 2 BW van de waarde van de kapitaalverzekering bij [naam2] met polisnummer [nummer1] en wel binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, bij gebreke waarvan de man tevens vertragingsrente ex artikel 6:199 BW verschuldigd zal worden over het bedrag van € 8.749,47 en wel vanaf de 15e dag na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening. Tot slot is het meer of anders gevorderde afgewezen en is bepaald dat elk van partijen de eigen proceskosten draagt. 4Het geschil in hoger beroep 4.1 De man komt met vijf grieven op tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 november 2019 en vordert dat het hof dat vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. zal verklaren voor recht dat ter zake van de woning staande en gelegen [adres2] te [woonplaats1] alsmede ter zake van de door partijen afgesloten hypothecaire geldleningen bij [de bank2] met nummers [nummer2] , [nummer3] en [nummer4] sprake is van een onverdeelde gemeenschap; II. de wijze van verdeling zal gelasten van de tussen partijen bestaande (bedoeld zal zijn:) ontbonden huwelijksgemeenschap, met inachtneming van de standpunten van de man zoals omschreven in de memorie van grieven; III. a. de vrouw zal veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning en de helft van de overwaarde van de woning (verkoopopbrengst -/- hypothecaire geldschuld -/- de verkoopkosten) tussen partijen bij helfte wordt verdeeld; b. zal bepalen dat indien partijen niet binnen 4 weken na het in deze te wijzen arrest gezamenlijk makelaar [naam3] te [woonplaats1] opdracht hebben gegeven tot verkoop, ieder van hen afzonderlijk bevoegd is tot het verstrekken van de opdracht aan deze makelaar tot verkoop van de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] ; c. zal bepalen dat, indien partijen niet binnen 2 weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs voor partijen bindend vaststelt; d. zal bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het transport van de woning aan de koper; e. zal bepalen dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen; f. zal bepalen dat zodra er een kandidaat-koper is die bereid is een prijs te betalen (tussen de laat- en vraagprijs) die door de makelaar geadviseerd wordt, de vrouw mee dient te werken aan de totstandkoming van de verkoopovereenkomst (op de gebruikelijke, door de ingeschakelde makelaar gehanteerde voorwaarden), het te wijzen arrest in de plaats treedt van de instemmende verklaring van de vrouw; g. zal bepalen dat de vrouw dient mee te werken aan het notarieel transport en te bepalen dat, voor het geval de vrouw weigert haar medewerking aan de levering van de woning aan de koper te verlenen de door het hof te wijzen arrest voor wat betreft de verklaring van de vrouw in de notariële transportakte in de plaats treedt; IV. zal verklaren voor recht dat wat van de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres2] resteert, na aflossing van de hypothecaire geldleningen bij [de bank2] met nummers [nummer2] , [nummer3] en [nummer4] , de kosten van makelaar en notaris toekomt aan beide partijen ieder voor een gelijk aandeel; V. zal verklaren voor recht dat ieder der partijen de helft van de opgebouwde waarde ad € 8.749,47 van de kapitaalverzekering [naam2] met polisnummer [nummer1] toekomt; VI. de vrouw zal veroordelen – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – te betalen een bedrag van € 4.374,74 ter zake van de door de man betaalde helft van de uitgekeerde waarde van de kapitaalverzekering [naam2] met polisnummer [nummer1] binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen arrest, bij gebreke waarvan de vrouw tevens vertragingsrente ex artikel 6:119 BW verschuldigd zal worden over het voornoemde bedrag vanaf de 15e dag na dagtekening van het te wijzen arrest tot aan de dag van de algehele voldoening. 4.2 De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn beroep, dan wel tot verwerping van de door hem opgeworpen grieven, met bekrachtiging van het bestreden vonnis. 5De motivering van de beslissing in hoger beroep grieven 1, 2, 3 en 4 5.1 De grieven 1 tot en met 4 zien op de rechtsoverwegingen 4.6, 4.8 en 4.11 van het bestreden vonnis. Het meest verstrekkende standpunt van de man is dat er geen verdeling tot stand is gekomen. De man voert daartoe aan dat er sprake is van onverdeeldheid van de onroerende zaak, te weten de woning aan de [adres2] te [woonplaats1] . Hij meent dat er sprake is van een voorwaardelijke verdeling van de onroerende zaken, de woning aan de [adres2] en de woning aan de [adres1] , beide te [woonplaats1] , met als voorwaarde dat ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid eerst gerealiseerd moest kunnen worden. In het echtscheidingsconvenant is geen sprake van een toedeling van een onroerende zaak, maar van een intentie voor een mogelijke afwikkeling. 5.2 De vrouw betwist dat en voert gemotiveerd verweer. Volgens de vrouw hebben zij en de man door het sluiten van het echtscheidingsconvenant overeenstemming bereikt over de wijze van verdeling van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende vermogensbestanddelen per 1 december 2011, waaronder de [adres1] , de [adres2] en de op de onroerende zaken rustende hypothecaire geldleningen. De man heeft volgens de vrouw met inachtneming van voornoemde afspraken gehandeld. De door de vrouw omschreven wijze van verdeling in deze procedure (zie punt 16 MvA) moet als vaststaand worden beschouwd, zonder dat daarvan nader bewijs kan worden verlangd. De vrouw heeft er recht en belang bij dat eerst duidelijkheid wordt verkregen over de wijze van verdeling van de uiteindelijke verkoopopbrengst. Zolang de procedure in hoger beroep loopt, kan niet tot verkoop van de woning aan de [adres2] worden overgegaan. 5.3 Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn in 1985 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap dient artikel 1:94 BW (oud) tot uitgangspunt te worden genomen. De gemeenschap van goederen omvatte tot 1 januari 2018, wat haar baten betreft, alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtelieden, met uitzondering van onder meer die goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen. Na ontbinding van het huwelijk wordt een dergelijke gemeenschap bij helfte gedeeld. 5.4 In 2012 hebben partijen een echtscheidingsconvenant ondertekend. In het echtscheidingsconvenant zijn – onder meer – afspraken gemaakt ter zake van de voornoemde woningen te [woonplaats1] . De gemaakte afspraken zien specifiek op de woning aan de [adres1] en de woning aan de [adres2] . Voorts hebben partijen afspraken gemaakt ter zake van het krediet bij [de bank1] van circa € 15.000,- en de lening/schuld van partijen bij de broer van de vrouw van € 13.000,-. Thans ligt de vraag voor of er een verdeling met betrekking tot de woning(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.