GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummers: gerechtshof 200.278.348 Hoge Raad 19/02195 gerechtshof ’s-Hertogenbosch 200.211.473 rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, 304054 arrest van 12 oktober 2021 na verwijzing in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant] , advocaat: mr. A.J. Exterkate, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Dekker Personeel B.V., gevestigd te Papendrecht, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Dekker Personeel, advocaat: mr. A.A. Bos. 1Het geding in hoger beroep na verwijzing 1.1 Het hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 (verder: het verwijzingsarrest). Daarin heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 februari 2019 (verder: het Bossche arrest) vernietigd en het geding verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing. 1.2 Het verloop van de procedure na verwijzing blijkt uit: - het oproepingsexploot voor dit hof, - de memorie na verwijzing van [appellant] en - de antwoordmemorie na verwijzing van Dekker Personeel. 1.3 Daarna heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing 2.1 Voor het eerdere procedureverloop, de vaststaande feiten en de beoordeling van de zaak verwijst het hof naar het verwijzingsarrest. Op het cassatiemiddel, dat mede was gericht tegen de borgtocht zelf, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen: “3.2 Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de vraag of de uitzondering van art. 1:88 lid 5 BW op het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder c, BW van toepassing is, worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of de rechtshandeling waarvoor de zekerheid wordt verstrekt, zelf behoort tot de rechtshandelingen die ten behoeve van de normale uitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht. (…) 3.4 (…) Aldus heeft het hof miskend dat in de hiervoor in 3.3 bedoelde stellingen van [appellant] besloten ligt dat de zekerheid niet werd verstrekt om het inlenen van personeel te kunnen voortzetten, maar met het oog op het aangaan van een overeenkomst tussen AMH en Dekker Personeel die ertoe strekte dat AMH uitstel van betaling verkreeg van haar bestaande verplichtingen jegens Dekker Personeel en dat laatstgenoemde niet het faillissement van AMH zou aanvragen. Het hof had dan ook moeten onderzoeken of laatstgenoemde overeenkomst behoort tot de rechtshandelingen die ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van AMH pleegden te worden verricht. (…) Daarbij had het hof ook kenbaar moeten ingaan op de stelling van [appellant] dat tegenover de borgtocht niet een tegenprestatie van Dekker Personeel stond die AMH dan wel [appellant] financieel of ander voordeel opleverde.” 2.2 De vragen of [appellant] wel borgtocht is overeengekomen en, zo ja, of deze rechtsgeldig is vernietigd, moet het hof hierna ontkennend respectievelijk bevestigend beantwoorden. 2.3 In zijn e-mail van 22 juni 2015 om 16:58 uur aan (KCF namens) Dekker Personeel heeft [appellant] onder meer verklaard: “Ik heb dan ook geen andere keuze dan hierbij te bevestigen dat ik mij — [appellant] — persoonlijk borg stel voor de voornoemde vordering van Dekker Personeel. De borgtocht komt natuurlijk te vervallen zodra de vordering is voldaan.” [appellant] schreef niet dat hij zich hierbij persoonlijk borg stelde maar dat hij hierbij bevestigde dat hij zich persoonlijk borg stelde. Deze tekst moest Dekker Personeel lezen en begrijpen in het licht van de voorafgaande emailcorrespondentie. Daarin had [appellant] op 1 juni 2015 aan (KCF namens) Dekker Personeel gevraagd om een conceptstuk (voor de verlangde garantstelling) ter goedkeuring van zijn adviseur, zodat een en ander geregeld kon worden. Na enkele deelbetalingen door AMH heeft (KCF namens) Dekker Personeel aan [appellant] op 22 juni 2015 om 15:30 uur gevraagd om afgifte vóór 17:00 uur van een in privé getekende borgstelling, waarop Dekker Personeel zou wachten tot aan het einde van de week en dat anders om 17:00 uur de faillissementsaanvraag eruit ging. KCF heeft in de e-mail van 16:06 uur aan Dekker Personeel bericht dat de advocaat van [appellant] aangaf dat er echt een akkoord met de gemeente was, dat er vrijdag leek te worden betaald, dat hij [appellant] een mail zou laten opstellen waarin deze persoonlijk garant stond voor de betaling en dat hij, de advocaat, dit een zware garantie vond. Daarop is de e-mail van [appellant] van 16:58 uur gevolgd. [appellant] had geen conceptstuk voor een garantie ontvangen en heeft evenmin de gevraagde in privé getekende borgstelling afgegeven, maar hij heeft slechts een borgtocht toegezegd. In het licht van die voorgeschiedenis en omdat zo’n borgtocht, naar Dekker Personeel ook wel kon begrijpen, riskante gevolgen voor de borg kon hebben, dient deze e-mail te worden uitgelegd als een voorovereenkomst tot het stellen van een borgtocht en mocht Dekker Personeel er niet in redelijkheid op vertrouwen dat [appellant] daarmee al meteen een borgtocht stelde. Een borgtocht blijkt aldus niet overeengekomen, er was hooguit een voorovereenkomst in die richting, maar daarop heeft Dekker Personeel haar vordering niet gebaseerd. 2.4 Dekker Personeel heeft wel aangevoerd dat [appellant] in zijn conclusie van antwoord en spreekaantekeningen bij de rechtbank heeft erkend dat hij zich borg heeft gesteld, welke gerechtelijke erkentenis hij op grond van artikel 154 Rv niet kan herroepen. Dit verweer gaat echter niet op. Reeds in zijn conclusie van antwoord sub 32 heeft [appellant] aangevoerd:“Vooropgesteld merkt [appellant] op dat - indien al sprake is van enige borgtocht - er hier sprake is van een particuliere borgtocht ex artikel 7:857 BW.” Daarmee had [appellant] toen al de vraag opgeworpen of hij wel een borgtocht was aangegaan. Dat hij zijn toezegging in de e-mail van 16:58 uur verder bij de rechtbank als borgtocht heeft aangeduid, lag in het licht van de bepalingen over borgtocht in de artikelen 7:857, 1:88 leden 1 en 5 en 1:89 BW voor de hand: de toepasselijkheid van die artikelen valt in de praktijk lastig te bespreken als er geen borgtocht zou bestaan en [appellant] betoog had dan ook, naar Dekker Personeel redelijkerwijs behoorde te begrijpen, een subsidiair karakter. Die verdere aanduiding van zijn toezegging als borgtocht kan dus niet worden aangemerkt als een, door artikel 154 Rv vereiste, uitdrukkelijke erkenning van de waarheid van de door Dekker Personeel gestelde borgtocht. Al het voorgaande vormt een eerste afwijzingsgrond. 2.5 Voor het geval toch moet worden aangenomen dat [appellant] zich in de e-mail van 16:58 uur borg heeft gesteld voor de (facturen-)schuld van € 38.062,35 van AMH aan Dekker Personeel geldt het volgende. 2.6 Toen [appellant] deze borgtocht aanging, was hij (gelijk te stellen aan) een (middellijke) bestuurder van AMH, waarvan hij met zijn echtgenote als medebestuurder (middellijk) de meerderheid van de aandelen had. Dit staat vast op grond van rov. 5.5 van het Bossche arrest, dat door [appellant] in zoverre niet in cassatie is bestreden en waaraan het hof als verwijzingsrechter is gebonden. 2.7 De overeenkomst strekte ertoe dat [appellant] zich als borg verbond voor een schuld van AMH en wel, naar het oordeel van het hof, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, dat wil zeggen anders dan voor handelingen die kenmerkend zijn in die zin dat zij in de normale uitoefening daarvan gebruikelijk zijn. Het aangaan van borgtochten behoorde namelijk niet tot die categorie; kenmerkend voor het bedrijf (in de normale uitoefening daarvan gebruikelijk) was asbestsanering en slopen en renoveren van bouwwerken (waartoe AMH onder meer personeel inleende van Dekker Personeel). Dit wordt niet anders doordat J&S (Beheer B.V.), de holding van AMH, op grond van artikel 1.2, aanhef en onder d van haar statuten onder meer ten doel had overeenkomsten te sluiten “waarbij de vennootschap zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich sterk maakt, zowel persoonlijk als zakelijk, of zich naast of voor anderen (tot zekerheid) verbindt, in het bijzonder - doch niet uitsluitend - ten behoeve van dochtermaatschappijen, groepsmaatschappijen en/of deelnemingen van de vennootschap”, noch doordat AMH op grond van artikel 2 lid 3 van haar statuten onder meer ten doel had: “Het stellen van borgtocht en andere garanties en het in eigendom overdragen of verhypothekeren, verpanden of anderszins bezwaren van vermogensbestanddelen, een en ander tot zekerheid voor de voldoening van de schulden der vennootschap en van de schulden van derden, al dan niet tegen contraprestatie”. Die statutaire doelen bepalen nog niet de normale uitoefening van het bedrijf en Dekker Personeel heeft ook niet aangevoerd dat J&S en/of AMH ooit in die zin zekerheden hadden verstrekt. 2.8 Op grond van artikel 1:88, lid 1, aanhef en onder c BW had [appellant] dus voor de borgtocht de toestemming van zijn echtgenote nodig. Maar die toestemming was op grond van het vijfde lid van dat artikel weer niet vereist indien de borgstelling geschiedde ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van AMH. En daarmee komen we bij de kern van het verwijzingsarrest. 2.9 Het ging hier om een zekerheidstelling in juni 2015 voor betaling van eerder aangegane bedrijfsschulden van AMH jegens Dekker Personeel van € 38.062,35 wegens het inlenen van personeel voor asbestsanering en het slopen en renoveren van bouwwerken. In die tijd had AMH een conflict met opdrachtgever gemeente Eindhoven wegens een meerwerkclaim van circa € 650.000 waarvan zij betaling verwachtte, maar waar partijen niet uit kwamen. Volgens het eerste faillissementsverslag van 5 oktober 2015 had AMH destijds 17 werknemers, een balanstotaal van ruim € 1,6 miljoen in 2013 en uiteindelijk bij haar faillietverklaring van 18 augustus 2015 voor ongeveer € 122.000 aan preferente en ongeveer € 3 miljoen aan concurrente schulden (haar onderneming is voor € 180.000 doorgestart). Blijkens de e-mailwisseling tussen [appellant] en (KCF namens) Dekker Personeel bestond de tegenprestatie van Dekker Personeel op 1 juni 2015 uit een betalingsuitstel van twee weken en op 22 juni 2015 om 15:30 uur uit een betalingsuitstel (een extra betaaltijd) tot aan het einde van de week en het afzien van een onmiddellijke faillissementsaanvraag van AMH. Meer (financieel) voordeel of financiële ruimte heeft Dekker Personeel daarvoor niet toegezegd, niet voor [appellant] en ook niet, in verdere afwachting van een betaling door de gemeente Eindhoven op de meerwerkclaim, voor AMH. Niet is gebleken dat AMH tegenover de borgstelling toen mocht verwachten dat zij kon doorgaan met het inhuren van personeel (op krediet), zoals zij voor het laatst had gedaan op 5 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.