GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.268.843/01 CJIB-nummer : 220521229 Uitspraak d.d. : 18 oktober 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer. Het tussenarrest De inhoud van het tussenarrest van 31 mei 2021 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop De griffier van de rechtbank is in de gelegenheid gesteld het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 18 september 2019 aan het hof te verstrekken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- Nu het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt, kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
- Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht (R602)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 oktober 2018 om 14:06 uur op de A20 Zuid, afrit 16, in Capelle aan den IJssel met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De officier van justitie heeft de feitcode en de omschrijving van de feitcode in de inleidende beschikking gewijzigd in: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft (R619)” en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
- De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de officier van justitie zich ten onrechte bevoegd acht de feitcode te wijzigen, onder verwijzing naar de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 2 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Bahv) bevat een limitatieve lijst van groepen opsporingsambtenaren die belast zijn met het opleggen van sancties ingevolge de Wahv. Hierin staat niet vermeld dat ook de officier van justitie sancties kan opleggen. Aldus is de officier van justitie evenmin bevoegd ambtshalve feitcodes te wijzigen. De inleidende beschikking (het hof begrijpt: de beslissing van de officier van justitie) komt daarom voor vernietiging in aanmerking volgens de gemachtigde.
- Hetgeen de gemachtigde aanvoert miskent dat de officier van justitie op grond van artikel 7:25 van de Awb bevoegd is -in het kader van het beslissen op het administratief beroep op de voet van artikel 6 van de Wahv- het bestreden besluit, dus de inleidende beschikking, te vernietigen en een nieuw besluit te nemen. Deze bevoegdheid brengt mee dat de officier van justitie de inleidende beschikking ook kan wijzigen. Dat de officier van justitie niet wordt genoemd in artikel 2 van het Bahv, waarin is bepaald wie bevoegd is in het kader van de Wahv een sanctie op te leggen, doet hier niet aan af. De officier van justitie heeft de inleidende beschikking gewijzigd, maar dit betekent niet dat de officier van justitie daarmee ook degene is die de sanctie heeft opgelegd. Uit het zaakoverzicht volgt dat de sanctie is opgelegd door een daartoe bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar.
- Dit verweer treft geen doel.
- De gemachtigde voert verder aan dat de officier van justitie ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.
- De officier van justitie heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Gelet op het arrest van het hof van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336) bestaat er recht op vergoeding van de gemaakte proceskosten indien de inleidende beschikking wordt vernietigd of wordt gewijzigd voor wat betreft het sanctiebedrag, de omschrijving van de gedraging en/of de feitcode. De officier van justitie heeft het verzoek om vergoeding van proceskosten daarom ten onrechte afgewezen. Het hof zal alsnog een proceskostenvergoeding toekennen.
- Aan het indienen van het administratief beroepschrift dient in één punt te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt € 534,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 400,50 (1,5 x € 534,- x 0,5).
- Naar het oordeel van het hof bestaat er in dit geval ook aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de fase van het beroep bij de kantonrechter en hoger beroep (vgl. het arrest van het hof van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786).
- Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 748,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep gemaakte proceskosten € 374,- (2 x € 748,- x 0,25).
- Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend en vernietigt die beslissing in zoverre; veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 774,50; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie voor het overige ongegrond; Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.