← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:9764

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : GEMW 200.293.724/01 Uitspraak d.d. : 19 oktober 2021 Arrest op het hoger beroep tegen de beslissingen van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2021, betreffende [eiser] (hierna: eiser), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van eiser is L. Blanker, wonende te Amsterdam. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerk [nummer1] . Het verloop van de procedure De gemachtigde van eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van eiser heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Verweerder heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. De gemachtigde heeft erop gewezen dat verweerder te laat verweer heeft gevoerd.
  2. Het hof stelt vast dat het verweerschrift op 24 juni 2021 is ontvangen. Dat is na het verstrijken van de termijn van vier weken die daarvoor op 10 mei 2021 is gegeven. De termijn om een verweerschrift in te dienen is een termijn van orde. Dat betekent dat de wet geen consequenties verbindt aan een overschrijding ervan. Hoewel het buiten de termijn indienen van een verweerschrift onzorgvuldig kan worden genoemd, ziet het hof geen aanleiding om daaraan gevolgen te verbinden.
  3. Bij de beschikking met voormeld kenmerk is aan eiser een boete van € 95,- opgelegd voor overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent afvalstoffen (Afvalstoffenverordening 2009). Deze overtreding zou zijn begaan op 24 september 2019 op het Veenendaalplein in Amsterdam.
  4. Artikel 8, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 luidt als volgt: “Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, vierde lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening of brengdepot is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan met behulp van het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.”
  5. De buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) die de sanctie heeft opgelegd, heeft – kort gezegd – verklaard dat hij op 24 september 2019 rond 13:05 uur een kartonnen doos vlakbij het grofvuil op straat zag liggen. Op de doos zat een etiket met de naam- en adresgegevens van eiser.
  6. Namens eiser is aangevoerd dat de doos niet door hem op straat is achtergelaten. Eiser had zijn jongere broer een paar schoenen cadeau gegeven op zijn verjaardag. Eisers broertje wilde de lege doos op de juiste plaats weggooien, maar werd lastiggevallen door drie grotere jongens, die zijn nieuwe schoenen opeisten. Het broertje werd door deze jongens achtervolgd en is in paniek weggerend. Eiser zelf lag ziek in bed en was daarom niet in staat de doos weg te gooien. De gemachtigde stelt dat sprake is van overmacht.
  7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een overmachtssituatie niet aannemelijk is.
  8. Vaststaat dat een van eiser afkomstige kartonnen doos vlakbij het grofvuil is aangetroffen in de straat waar eiser woont. Aldus is deze doos niet op de juiste wijze ter inzameling aangeboden. Voor zover eiser zich beroept op een overmachtssituatie ligt het op zijn weg om de in dat verband door hem gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken. Daarin is hij niet geslaagd. Het was eisers verantwoordelijkheid om zijn afval op de juiste wijze aan te bieden. Wanneer hij daar wegens ziekte tijdelijk niet toe in staat was, had hij de doos zolang thuis kunnen bewaren en deze op een later moment kunnen afvoeren. Dat eiser het afvoeren van de doos aan zijn jongere broertje heeft overgelaten, betekent niet dat hij er niet langer voor verantwoordelijk was dat dit op de juiste wijze gebeurde. Ten slotte is niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een poging tot beroving van het broertje van eiser.
  9. Het hof concludeert dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hof bevestigt daarom de beslissing van de kantonrechter. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.