GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer 19/00849 uitspraakdatum: 19 oktober 2021 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juni 2019, nummer AWB 18/2004, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Op 17 juli 2017 heeft belanghebbende aangifte gedaan in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) met het oog op de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto van het merk en type VW Golf. De volgens deze aangifte verschuldigde bpm van € 1.527 is op 26 juli 2017 voldaan. 1.2. Op 11 augustus 2017 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van bpm. 1.3. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 maart 2018 het bezwaar ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.6. Het onderzoek ter zitting van de tweeëntwintigste enkelvoudige kamer heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 13 april 2021. Namens belanghebbende is [naam1] verschenen, bijgestaan door [naam2] . Van de zijde van de Inspecteur is [naam3] verschenen, bijgestaan door [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden. 1.7. Het onderzoek is ter zitting van 13 april 2021 gesloten. Het Hof heeft het onderzoek nadien op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend en de zaak met toepassing van artikel 8:10a, derde lid, van de Awb verwezen naar de meervoudige kamer. 1.8. Het tweede onderzoek ter zitting, van de vierde meervoudige belastingkamer, heeft op 29 juni 2021 via beeldbellen plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende [naam1] (hierna: gemachtigde) bijgestaan door [naam2] (hierna: [naam2] ), alsmede namens de Inspecteur [naam3] , bijgestaan door [naam5] . Met instemming van partijen is de zaak gezamenlijk behandeld met de zaken met nummers 19/00428, 19/00443 t/m 19/00447 en 19/00439. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 1.9. Met instemming van partijen heeft het Hof stukken aan het procesdossier toegevoegd. Het betreft een brief van de Inspecteur van 22 juni 2021 en belanghebbendes reactie op die brief van 28 juni 2021. 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende heeft de aangifte bpm, met dagtekening 17 juli 2017, ingediend ter zake van de registratie van een auto met schade van het merk VW, type Golf 2.0 TDI GTD, een auto zonder verhuurverleden. De verschuldigde bpm is met behulp van een taxatie berekend op € 1.527. De bpm is voldaan op 26 juli 2017. De tenaamstelling en de registratie met kenteken [kenteken] heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. De datum van eerste toelating is 24 januari 2014. De historische bruto bpm is € 7.719 en de historische nieuwprijs bedraagt € 49.127. 2.2. Het bij de aangifte overgelegde taxatierapport vermeldt dat de auto is getaxeerd naar de staat waarin deze verkeerde bij opname van de taxateur op 13 juli 2017. In het taxatierapport is vermeld dat de auto schade heeft. De taxateur heeft de kosten van herstel van die schade gecalculeerd op € 8.784 en als schade in het rapport opgenomen. De handelsinkoopwaarde is berekend door aan de hand van de vraagprijzen van drie referentievoertuigen de handelsinkoopwaarde van een soortgelijke, in Nederland geregistreerde gebruikte personenauto in onbeschadigde staat vast te stellen. De handelsinkoopwaarde zonder schade is daarmee berekend op € 18.506 (80% van de gemiddelde vraagprijs van de drie referentieauto’s met prijzen van € 20.950, € 23.500 en € 24.950). Door deze waarde te verminderen met het bedrag aan gecalculeerde schade (€ 8.784) is de handelsinkoopwaarde op € 9.722 vastgesteld. 2.3. Bij uitspraak op bezwaar van 6 maart 2018 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Er is door de Inspecteur geen kostenvergoeding toegekend. 2.4. Het beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard. 2.5. Ter zitting van de meervoudige kamer is in het kader van de heroverweging van het bestreden besluit in bezwaar onder meer de vraag aan de orde gekomen welke verplichtingen voor de Inspecteur voortvloeien uit het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod dat meebrengt dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. In dit verband is van belang dat de Inspecteur bij brief van 22 juni 2021 onder meer de volgende inlichtingen heeft verstrekt [nummering Hof]: ‘BPM 2.5.1. Het aangifteproces is als volgt. Als een auto geïmporteerd wordt, moet deze aangemeld worden bij de RDW. De RDW neemt de gegevens op. Nadat de RDW zijn opgaaf heeft gemaakt wordt een aangifte verstuurd naar de belastingdienst. In de aangifte kan aangegeven worden dat het kenteken aangevraagd wordt namens een ander of dat de ondertekenaar van de aangever de toekomstig kentekenhouder wordt. Zodra de betaling ontvangen is door de belastingdienst wordt door de belastingdienst aan de RDW een zogenaamd “fiscaal akkoord” afgegeven. Het kenteken wordt daarna verstrekt aan de importeur (aangever)/ toekomstig kentekenhouder. Pas daarna kan het kenteken “op naam gezet” worden. Dit laatste moment is het belastbaar feit voor de BPM. De belastingdienst krijgt van de RDW niet spontaan doorgegeven wanneer het kenteken op naam gezet wordt. In het aangifteproces zijn de kentekengegevens (de cijfer-letter combinatie en/of de datum van tenaamstelling) niet beschikbaar. Het belastbaar moment heeft dan ook nog niet plaats gehad. De belastingdienst registreert dan ook alles via het (volledige) VIN-nummer. Na de afwikkeling van de betaling en het fiscaal akkoord wordt de aangifte normaliter gearchiveerd. 2.5.2. Tot juli 2020 had de belastingdienst BPM de beschikking over de zogenaamde database auto. In deze database kon via het VIN-nummer het kenteken gezocht worden, waarna in dezelfde database de datum van tenaamstelling in Nederland opgezocht kon worden. Deze database is afgesloten vanwege schending van de AVG. (…) 2.5.3. Ter vervanging van de afgesloten database is toegang verkregen tot de website van de RDW. Deze site werkt zo dat eerst met het VIN nummer het kenteken opgevraagd wordt, waarna op dezelfde site de tenaamstellingsdatum in Nederland opgevraagd kan worden. Deze gegevens worden niet opgeslagen in een database of programma van de belastingdienst. De gegevens worden rechtstreeks van de website van de RDW opgevraagd. 2.5.4. Ook is het systeem HSB beschikbaar binnen de BPM. Dit systeem heeft als zoekingang het kenteken of het BSN. Vanaf het moment dat het motorrijtuig staat tenaamgesteld kan via deze weg het actuele houderschap worden geraadpleegd. Mocht het voertuig niet meer in de heffing worden betrokken, dan zijn deze voertuiggegevens niet meer in beeld. Op het BSN van de kentekenhouder verschijnt alleen de auto die op dat moment op naam staat. Zelfs in het geval de eerste kentekenhouder op het moment van opzoeken nog kentekenhouder is, ben ik er niet zeker van dat deze kentekenhouder de eerste is. Naar de aard van het probleem moeten er minimaal enkele dagen verstreken zijn tussen aangifte en registratie. In die tijd kan ook bijvoorbeeld een handelaar het kenteken op naam gehad hebben. Verder zijn er geen manieren om aan de kentekengegevens te komen. (…) MRB 2.5.5. Het heffingssysteem waar de MRB mee werkt is HSB. Het proces van heffing van MRB is een massaal proces dat geautomatiseerd verloopt. Op het moment dat een motorrijtuig wordt tenaamgesteld bij de RDW ontvangt de MRB hiervan een signaal en worden de grondslagen voor de heffing berekend. Vervolgens zal - ook geautomatiseerd - er een betaalinstructie worden gestuurd of vindt automatische incasso plaats. Zoals hierboven omschreven, is het actuele houderschap raadpleegbaar en kan worden gezocht door middel van het kenteken of BSN.’ 3Geschil 3.1. In geschil is of: de hoogte van het geheven griffierecht en de verschuldigdheid daarvan bij aanvang van de gerechtelijke procedure in strijd is met het Unierecht, de Rechtbank terecht stukken van belanghebbende heeft geweigerd, de Rechtbank en het Hof bevoegd zijn uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht, de Inspecteur het verdedigingsbeginsel heeft geschonden, sprake is van een in strijd met het Unierecht vermeend verschil in heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige auto’s zodat de belasting verminderd moet worden en belanghebbende in verband daarmee aanspraak kan maken op een rentevergoeding wegens de vooruitbetalingsverplichting van de bpm, de Inspecteur in bezwaar op grond het in artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen, het bepaalde in de onderdelen 3.4 en 3.5 van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling bpm (hierna: bijlage 1) in strijd is met artikel 110 VWEU, de handelsinkoopwaarde van de auto verminderd moet worden met een korting “exrental” ondanks dat de auto geen verhuurverleden heeft, recht bestaat op vermindering van bpm wegens toepassing van het tarief van het jaar voorafgaand aan het jaar van eerste toelating, voor de auto recht bestaat op vermindering van bpm wegens extra leeftijdskorting, de Inspecteur van rechtswege en zonder een daartoe ingediend verzoek verplicht is aan belanghebbende rente te vergoeden bij vermindering van de verschuldigde bpm, belanghebbende recht heeft op (integrale) vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep, en belanghebbende aanspraak kan maken op een rentevergoeding over het betaalde griffierecht ongeacht de gegrondbevinding van het (hoger) beroep. 3.2. Belanghebbende stelt voorts dat hij in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Volgens belanghebbende moet dit verzoek door het Hof in een andere samenstelling dan de huidige zetel worden beoordeeld. 4Beoordeling van het geschil Hoogte griffierecht en verschuldigdheid bij aanvang rechtsgang 4.1. Belanghebbende heeft onder verwijzing naar onder meer het arrest Kantarev (HvJ EU 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:807) gesteld dat zowel de Rechtbank als het Hof te vroeg – hij moet het griffierecht voor het (hoger) beroep eerst volledig, en zonder reële mogelijkheid van vrijstelling, betalen om het onderhavige belastinggeschil door de Rechtbank respectievelijk het Hof te laten beoordelen - en te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij het onderhavige geschil. Volgens belanghebbende kan de toegang tot de nationale rechter alleen worden gewaarborgd indien niet meer griffierecht wordt geheven dan 4% van de vordering die voorwerp is van geschil. Het Nederlandse systeem van griffierecht is volgens belanghebbende daarom in strijd met het Unierecht. Dit betoog slaagt niet op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. Voorts acht het Hof de van belanghebbende geheven bedragen – door de Rechtbank een griffierecht van € 170 en door het Hof een griffierecht van € 259 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, gegeven zijn financiële situatie of gelet op het bepaalde in artikel 8:41, derde lid, van de Awb, in aanmerking komt voor vrijstelling of vermindering van het verschuldigde griffierecht. Weigering stukken Rechtbank 4.2. Belanghebbende verzoekt de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank, omdat de Rechtbank ten onrechte en in strijd met het Unierecht ter zitting het overleggen van nadere stukken met nieuwe gronden in verband met de goede procesorde niet heeft toegestaan. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de betreffende gronden in een eerder stadium had kunnen en moeten overleggen. In hoger beroep heeft belanghebbende niet gesteld dat de betreffende nieuwe gronden niet eerder ingebracht hadden kunnen worden. Er geldt een volledige herkansing van de zaak in hoger beroep, waarbij belanghebbende alsnog voldoende gelegenheid heeft gekregen al zijn gronden naar voren te brengen. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof bevestigd dat hij alle gronden in hoger beroep naar voren heeft kunnen brengen. Gelet op het voorgaande en op de omstandigheid dat ook het Unierecht niet dwingt tot een ander oordeel, ziet het Hof geen aanleiding voor terugwijzing van de zaak. Uitleg Unierecht 4.3. Belanghebbende stelt -zakelijk weergegeven- dat de Rechtbank en het Hof onbevoegd zijn om het Unierecht uit te leggen, omdat uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) daartoe bevoegd is. Dit betoog faalt. Op grond van vaste jurisprudentie is het de taak van de nationale rechter de volledige werking van het Unierecht te verzekeren (vgl. HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687), terwijl de rechter in belastingzaken op grond van artikel 8:69, tweede lid, Awb ambtshalve de rechtsgronden aanvult. Daar waar aan de orde is de nationale rechter dus niet alleen bevoegd, maar ook gehouden het Unierecht te interpreteren en toe te passen. Rechtbank en Hof zijn, als niet in hoogste instantie oordelende rechterlijke instanties, op grond van artikel 267 VWEU in voorkomend geval niet gehouden een Unierechtelijk geschilpunt voor te leggen aan het Hof van Justitie EU, ook niet als het rechtsvorming zou betreffen waarover dat Hof (nog) niet heeft geoordeeld. De andersluidende conclusie die belanghebbende trekt uit het arrest Hans Åkerberg Fransson (HvJ EU 26 februari 2013, ECLI:EU:C:2013:105) berust op een onjuiste lezing van dat arrest. Het arrest IATA (HvJ EU 10 januari 2006, ECLI:EU:C:2006:10), waar belanghebbende zich eveneens op beroept en dat betrekking heeft op de bevoegdheid te oordelen over de (on)geldigheid van handelingen van gemeenschapsinstellingen, is niet van toepassing op het onderhavige geschil, nu een handeling van een zodanige instelling niet ter beoordeling voorligt. Verdedigingsbeginsel 4.4. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur hem onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunten toe te lichten, zodat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden. Belanghebbende heeft de door hem berekende bpm op aangifte voldaan en daartegen vervolgens bezwaar gemaakt. Volgens een brief van de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende van 12 februari 2018 heeft de Inspecteur op 8 februari 2018 telefonisch met de gemachtigde afgesproken dat het hoorgesprek over (onder meer) de onderhavige zaak zal plaatsvinden op 19 februari 2018. De gemachtigde is op het afgesproken tijdstip verschenen vergezeld door [naam2] van [naam6] B.V. Tijdens de bijeenkomst is de onderhavige zaak niet inhoudelijk besproken omdat de gemachtigde en [naam2] daartoe niet bereid waren. Deze weigering doet er niet aan af dat de Inspecteur op het afgesproken tijdstip aan belanghebbende de gelegenheid heeft geboden te worden gehoord. De tijdens het gesprek aan de orde gestelde beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid in zaken waar [naam2] bij betrokken is, blijkt niet uit de eerder overgelegde machtiging, zodat de Inspecteur daar terecht geen rekening mee heeft gehouden. Daarnaast heeft de Inspecteur voorafgaand aan het doen van de uitspraak op bezwaar de voorgenomen beslissing toegestuurd, waarbij hij belanghebbendes gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld daarop schriftelijk te reageren. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet is geschonden. Vooruitbetaling bpm en vergoeding van rente 4.5. Belanghebbende stelt dat voor de onderhavige auto de bpm in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting (veel) eerder plaats (moeten) vinden dan dat van het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister). Het Hof is van oordeel dat het niet in strijd is met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten een registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt (vgl. HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415). Verder is van belang dat de vraag of de Belastingdienst terecht het fiscaal akkoord niet geeft zolang de nageheven bpm voor het desbetreffende motorrijtuig niet is voldaan, niet ter beoordeling staat van de belastingrechter (zie HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:507). Voor een vergoeding van rente omdat bpm voorafgaand aan het belastbaar feit op aangifte moet worden voldaan, bestaat daarom geen aanleiding. Bewijslastverdeling 4.6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Daarbij betwist belanghebbende dat de stelplicht en - bij betwisting - de bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren op hem rusten, zoals de Inspecteur onder verwijzing naar vaste jurisprudentie heeft gesteld. 4.7. Het Hof stelt voorop dat de Inspecteur in bezwaar op grond van artikel 3:2 Awb de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten om zijn uitspraak zorgvuldig voor te bereiden. 4.8. Het Hof overweegt verder dat het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod meebrengt dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Daarom moet de als belastbare grondslag gehanteerde waarde van het ingevoerde tweedehands voertuig een weergave zijn van de waarde van een vergelijkbaar voertuig dat al op het nationale grondgebied is geregistreerd. Om dat te bereiken moet bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert. Het discriminatieverbod brengt mee dat die reële waardedaling of die werkelijke waarde zo goed mogelijk moet worden benaderd. Artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, hierna: Wet BPM), waarin is bepaald dat voor gebruikte personenauto’s de verschuldigde bpm wordt berekend met inachtneming van een vermindering (de afschrijving), moet met inachtneming hiervan worden uitgelegd en toegepast (vgl. HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666). 4.9. Het Hof overweegt verder dat de heffingssystematiek uitgaat van voldoening van de bpm op aangifte voorafgaand aan het belastbare feit, te weten - in dit geval - de tenaamstelling van de auto in het kentekenregister. Dit brengt mee dat de belastingplichtige gehouden is voor de aangifte het verschuldigde bedrag aan bpm te bepalen en te voldoen - kort gezegd - naar de waarde en de staat van de auto op het toekomstige tijdstip van tenaamstelling (HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415). Mede gelet op de in onderdeel 6.1. van het Besluit van 16 juni 2015, nr BLKB2015/642M, Staatscourant 2015, 17269 (hierna: het Kaderbesluit) opgenomen goedkeuring dat bij het bepalen van het forfaitaire verminderingspercentage rekening mag worden gehouden met een periode van 5 werkdagen die is gelegen tussen het moment waarop aangifte wordt gedaan en het moment waarop de auto te naam wordt gesteld, zal de belastingplichtige daartoe in staat moeten zijn als de auto te naam wordt gesteld kort nadat aangifte is gedaan. Dit kan anders zijn als het tijdsverloop tussen die twee momenten de periode van de goedkeuring (ruim) overschrijdt. De verplichting om de verschuldigde bpm op voorhand te bepalen kan dan met veel onzekerheid zijn omgeven, zeker naar mate het beoogde belastbare feit verder in de toekomst is gelegen of ten tijde van het doen van aangifte hieromtrent nog geen duidelijkheid bestaat. Daarbij moet worden opgemerkt dat het wettelijke systeem niet voorschrijft op welk moment aangifte moet worden gedaan of dat registratie binnen een bepaalde termijn na de aangifte moet plaatsvinden. Met het oog op gebruikmaking met de auto van de weg in Nederland is de belastingplichtige vrij om zowel het moment waarop aangifte wordt gedaan als het moment van tenaamstelling zelf te bepalen. In het Kaderbesluit is terecht onderkend dat door het tijdsverloop tussen het moment van aangifte en het moment van tenaamstelling sprake kan zijn van een waardedaling en dat de belastingplichtige dan mogelijk recht heeft op een (extra) vermindering van de op aangifte voldane bpm. Door het maken van bezwaar tegen de voldoening op aangifte kan hiermee rekening worden gehouden, waarbij moet worden opgemerkt dat het moment waarop de auto te naam wordt gesteld gelegen kan zijn nadat de bezwaartermijn is verlopen. In gevallen als het onderhavige, waar de waardevermindering bij de aangifte is onderbouwd met een taxatierapport, ligt het in beginsel op de weg van belanghebbende om de bedoelde waardevermindering te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken door een nieuw taxatierapport in te dienen waaruit die lagere waarde blijkt. Dit strookt met de bewijslastverdeling die volgt uit HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847. De besluitgever heeft eveneens onderkend dat dit een bewerkelijke methode is. Als tegemoetkoming in de bewijslast is daarom – bij wijze van goedkeuring en onder voorwaarde - een praktische werkwijze toegestaan. Volgens die praktische werkwijze wordt de extra afschrijving bepaald door het bij de aangifte verkregen herrekende bruto-bpm bedrag te vermenigvuldigen met het procentuele verschil van de tabel op het moment van aangifte en op het moment van tenaamstelling. De voorwaarde voor toepassing van de praktische werkwijze houdt in dat de staat van de auto, zoals die staat is opgenomen in het taxatierapport, tussen het moment van aangifte en tenaamstelling niet is gewijzigd. 4.10. Het Hof overweegt enerzijds dat de wetgever een heffingssystematiek heeft ingevoerd waarbij de verschuldigde bpm door de belastingplichtige moet worden bepaald en betaald voorafgaand aan het belastbare feit, waarbij in voorkomend geval door tijdsverloop aanspraak kan bestaan op vermindering van de betaalde bpm. Anderzijds rust op Nederland als lidstaat van de Unie de verplichting te verzekeren dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat, als door een belastingplichtige in bezwaar wordt gesteld dat aanspraak kan worden gemaakt op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, in het bijzonder wanneer daarbij gewezen wordt op het tijdsverloop tussen aangifte en tenaamstelling, de Inspecteur met behulp van de hem ter beschikking staande gegevens gehouden is zich ervan te vergewissen dat niet te veel bpm is geheven. Tot verdergaand zelfstandig onderzoek is de Inspecteur in beginsel niet gehouden, aangezien een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Het voert echter te ver om van een belastingplichtige bewijs te verlangen voor zover het objectieve gegevens betreft waarover de Inspecteur reeds de beschikking heeft, zoals de (destijds) door de Belastingdienst in de database auto verwerkte autokenmerken, waaronder de gegevens betreffende de tenaamstelling van de auto (zie 2.5.2). 4.11. Voor de beoordeling van een bezwaar tegen de op aangifte voldane bpm betekent het voorgaande dat de Inspecteur in bezwaar aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens zal moeten beoordelen hoeveel bpm naar zijn opvatting is verschuldigd en of aanspraak bestaat op een vermindering van de betaalde bpm. Daartoe zal hij onder meer aan de hand van de kentekengegevens van een auto moeten nagaan wanneer het belastbare feit, de tenaamstelling, zich heeft voorgedaan. Die kentekengegevens zijn daarmee op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 Awb. Voor zover deze beoordeling afhankelijk is van niet zonder meer voor de Inspecteur kenbare feiten zal een belastingplichtige die moeten stellen en bij betwisting aannemelijk moeten maken. In een voorkomend geval zal de Inspecteur de belastingplichtige erop moeten wijzen dat aanvullende gegevens nodig zijn onder het stellen van een redelijke termijn om de betreffende gegevens te overleggen. 4.12. Voor de toepassing van het hierboven weergegeven beoordelingskader in de onderhavige zaak zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Voor de auto is de bpm op 17 juli 2017 aangegeven. Op 11 augustus 2017 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De auto is op 1 augustus 2017 te naam gesteld. De Inspecteur heeft op 6 maart 2018 uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift – onder de noemer van een verschil in heffingsmodaliteit - gewezen op het tijdsverloop tussen het moment van aangifte en het moment van tenaamstelling. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat hem bekend was dat belanghebbende daarmee doelde op de opgetreden waardevermindering in de tussenliggende periode, en dat op een vermindering van de bpm wegens die lagere waarde aanspraak werd gemaakt. In hoger beroep is niet langer tussen partijen in geschil dat op grond van extra leeftijdskorting € 31 minder bpm is verschuldigd en dat op grond het tarief 2013 een bedrag van € 109 minder bpm is verschuldigd. 4.13. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met behulp van de hem ter beschikking staande gegevens, waaronder de database auto, zich er in bezwaar niet in voldoende mate van vergewist dat niet te veel bpm op aangifte was voldaan. De uitspraak op bezwaar gaat in dit opzicht uit van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de stelplicht en bewijslast die op belanghebbende zou rusten, aangezien de onder 4.12 vermelde verminderingen door de Inspecteur in de regel kunnen wordt bepaald zonder dat aanvullende gegevens nodig zijn van de kant van een belastingplichtige. 4.14. De Inspecteur beschikt over de datum van de tenaamstelling van de auto zodat op eenvoudige wijze de extra leeftijdskorting volgens de praktische werkwijze in het Kaderbesluit kan worden berekend. 4.15. Wat betreft de mogelijke toepassing van het tarief uit 2013 (op grond van artikel 16a van de Wet BPM), dan wel of sprake is van een lager tussentijds tarief stelt het Hof voorop dat het bpm-tarief sinds 1 januari 2013 volledig bepaald wordt door de CO2-uitstoot (zie artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet BPM). De datum eerste toelating van de auto is 24 januari 2014, de CO2-uitstoot is opgenomen in de aangifte, in het formulier “Berekening bpm bij de aangifte en melding bpm” van de Belastingdienst en in het “Formulier tbv bpm-aangifte” van de RDW (hierna tezamen: de Formulieren), en alle (historische) tarieven zijn de Inspecteur bekend. Het voorgaande houdt in dat een vergelijking van tarieven door de Inspecteur aan de hand van informatie uit het aan hem ter beschikking staande dossier kan worden gedaan. Door een (cijfermatige) onderbouwing te verlangen voor het beroep op het laagste tussenliggende tarief, heeft de Inspecteur daarom een te ver gaande eis gesteld aan de stelplicht en bewijslast van belanghebbende. Dit is naar het oordeel van het Hof anders indien voor de beoordeling van de hoogte van het tarief aanvullende informatie nodig is, waarover de Inspecteur niet beschikt. Wat betreft de toepassing van artikel 16a van de Wet BPM merkt het Hof nog het volgende op. Voor de beoordeling of belanghebbende recht heeft op toepassing van het tot 1 januari 2014 geldende tarief komt het erop aan of het verschil tussen enerzijds het voor de registratie van de personenauto te heffen bedrag aan bpm, berekend naar het met ingang van 1 januari 2014 geldende tarief, en anderzijds het restbedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op gelijksoortige in Nederland gebruikte motorrijtuigen, uitsluitend kan worden teruggevoerd op toepassing van artikel 16a van de Wet BPM. Dat is het geval indien op het tijdstip van de registratie van de personenauto (1 augustus 2017) in Nederland gebruikte motorrijtuigen in de handel waren die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.