GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.252.572/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen C/19/122237) arrest van 19 oktober 2021 in de zaak van 1 [appellant] , 2. [appellante] , beide wonende te [woonplaats] , appellanten, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s., advocaat: mr. N.E. Koelemaij, kantoorhoudend te Assen, tegen 1de coöperatie Coöperatieve Rabobank U.A. 2. de naamloze vennootschap Rabohypotheekbank N.V., beide gevestigd te Amsterdam, geïntimeerden, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: Rabobank, en geïntimeerde sub 2: Rabohypotheekbank, advocaat: mr. J.J. Veldhuis, kantoorhoudend te Leeuwarden. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Naar aanleiding van het tussenarrest van 30 april 2019 heeft op 8 september 2020 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van de comparitie van partijen is een proces-verbaal opgemaakt dat aan het procesdossier is toegevoegd. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. Partijen zijn bij brief van 11 augustus 2021 met als bijlage het proces-verbaal geïnformeerd over een raadsheerwisseling na de comparitie van partijen. Zij hebben van een nieuwe mondelinge behandeling afgezien. 2Waar gaat de zaak over? 2.1 In deze zaak verwijten [appellanten] c.s. de Rabobank dat de Rabobank in het kader van de verstrekte hypothecaire financiering met name op een vijftal concrete punten tegenover hen toerekenbaar tekort is geschoten althans onrechtmatig heeft gehandeld ten gevolge waarvan zij schade hebben geleden. Die schade moet de Rabobank vergoeden. De Rabobank heeft hiertegen verweer gevoerd en onder meer erop gewezen dat in een eerdere procedure op deze vordering al is beslist, zodat [appellanten] c.s. hierover niet opnieuw een procedure kunnen voeren (een beroep op gezag van gewijsde). Ook heeft de Rabobank een beroep op verjaring gedaan en de aansprakelijkheid en de schade betwist. 2.2 De rechtbank heeft geoordeeld dat de uitspraak in de eerdere procedure gezag van gewijsde heeft. De vorderingen van [appellanten] c.s. zijn door de rechtbank op deze grond afgewezen. 2.3 Het hof volgt [appellanten] c.s. in zoverre in hun grieven (bezwaren) tegen het vonnis van de rechtbank dat in de eerste procedure op één onderdeel van de vorderingen – betreffende het huurbeding - in de onderhavige tweede procedure niet is beslist. Het verweer van de Rabobank dat die vordering is verjaard, slaagt. Bovendien is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de Rabobank met het overlaten van de uitoefening van het huurbeding aan de veilingkoper, waarbij bij het inroepen van het huurbeding door de veilingkoper een derde, de huurder, het bedrijfspand heeft te verlaten tegenover [appellanten] c.s. zijn tekort geschoten, althans onrechtmatig hebben gehandeld. Voorts is de kans dat [appellanten] c.s. daardoor schade hebben geleden niet aannemelijk gemaakt. Het vonnis van de rechtbank wordt onder verbetering van gronden bekrachtigd. Het hof zal deze beslissingen hierna toelichten. 3De feiten 3.1 [appellanten] c.s. hebben in de vorm van een vennootschap onder firma de onderneming ‘ [naam1] ’ gedreven. De onderneming hield zich onder meer bezig met de handel in terrasmeubelen, buitenzonwering, lampen, sierhekken, brievenbussen, vloerbedekking, laminaat etc. De onderneming was gevestigd in een bedrijfspand aan de [adres1] in [plaats1] (hierna: het bedrijfspand). 3.2 [appellanten] c.s. woonden in de woning aan [adres2] te [plaats1] (hierna: de woning). De woning was hun eigendom. 3.3 Aanvankelijk bankierden [appellanten] c.s. zakelijk bij Rabobank Aa en Hunze en privé bij Rabobank Gorredijk-Haulerwijk. 3.4 Bij notariële akte van 10 november 2004 is door [appellanten] c.s. aan Rabohypotheekbank en aan Rabobank Aa en Hunze een recht van hypotheek op het bedrijfspand en de woning verleend. De hypotheek is verleend voor een bedrag van € 600.000,-, te vermeerderen met rentes en kosten tot een totaalbedrag van € 810.000,-. In de notariële akte is onder meer een huurbeding opgenomen, luidende: “Zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de bank mag het onderpand niet worden verhuurd of verpacht of anderszins in gebruik worden afgestaan of worden gedoogd dat derden het onderpand gebruiken, en mag geen vooruitbetaling van huur- of pachtpenningen worden bedongen of aanvaard, en mag het recht op huur- of pachtpenningen niet worden vervreemd, verpand of anderszins bezwaard.” 3.5 In 2006 ontstond een betalingsachterstand in de zakelijke financiering. In haar brief van 27 januari 2006 heeft de Rabobank aan [appellanten] c.s. de afspraken bevestigd die op een bespreking op 19 januari 2006 over die achterstand zijn gemaakt. Tot de afspraken behoorde dat de overbruggingslening (van € 40.000,-) uiterlijk op 30 juni 2006 moest zijn afgelost. [appellanten] c.s. hebben deze brief voor akkoord ondertekend. De lening is niet op de afgesproken datum afgelost. 3.6 In een brief van 6 december 2006 heeft Rabobank Aa en Hunze [appellanten] c.s. voor de aflossing van de overbruggingslening met de opbrengst van de verkoop van (een van) de vakantiewoningen een termijn gesteld tot 31 december 2006. Ook was er een ontstane overstand in de rekening-courant van € 10.415,91 waarvoor zo spoedig mogelijk een oplossing moest komen. Rabobank heeft aangegeven dat zij genoodzaakt zou zijn de financiering op te zeggen als aflossing van de overbruggingslening en het ongedaan maken van de overstand in de rekening-courant zouden uitblijven. In de brief heeft de Rabobank ook aangegeven dat voor de onderneming geen toekomstperspectief wordt gezien en wordt geadviseerd de handelsactiviteiten te beëindigen. 3.7 Aan het voornemen tot opzegging van de financiering heeft de Rabobank toen geen uitvoering gegeven. In het eerste kwartaal van 2007 heeft een herfinanciering en uitbreiding van het krediet plaatsgevonden. De totale financiering (zakelijk en privé) is in handen gekomen van Rabobank Noord-Drenthe. Daartoe is op 24 maart 2007 door [appellanten] c.s. een financieringsvoorstel (onder protest) ondertekend. Dit voorstel hield in een zakelijk rekening-courantkrediet van € 90.000,-, een zakelijke lening van € 317.000,- en drie privéleningen van respectievelijk € 25.000,-, € 98.000,- en € 30.000,-. Daarnaast bleef de zakelijke overbruggingslening van € 40.000,- en de privé-betaalrekening bestaan. Het voorstel bevat onder meer de volgende nadere afspraken: “De recreatiewoning dient zo spoedig mogelijk doch voor 1 juni 2007 te zijn verkocht. De verkoopopbrengst dient volledig te worden gebruikt ter aflossing van de overbruggings-lening ad EUR 40.000,-. Het restant zal worden aangewend voor de inperking van het krediet. Dit financieringsvoorstel voorziet in extra werkkapitaal, waardoor de voorraden uitverkocht kunnen worden met als doel de onderneming te staken voor 31 oktober 2007. Vóór 1 juni 2007 dient duidelijk te zijn of de onderneming per uiterlijk 31 oktober 2007 wordt verkocht danwel het bedrijfspand zal worden verhuurd aan derden. (…)Bij verhuur dient door de bank te worden bepaald of de huurpenningen voldoende zijn om de zakelijke financieringslasten te dragen. De huurpenningen zullen in dat geval worden verpand aan de bank. Overstanden op het krediet in rekening-courant zijn onder geen beding toegestaan.” 3.8 De leningen/kredieten zijn overeenkomstig het voorstel van 24 maart 2007 tot stand gekomen en voortgezet. Op de overeenkomsten zijn van toepassing verklaard de Algemene Bankvoorwaarden, de Algemene voorwaarden voor rekening-courant van de Rabobank 2014 en de Algemene voorwaarden voor zakelijke geldleningen van de Rabo-organisatie 2001. 3.9 In 2007 hebben [appellanten] c.s., handelend in hun hoedanigheid van vennoten van [naam1] , een samenwerkingsovereenkomst gesloten met Matras Direct Genemuiden B.V. (hierna: Matras Direct), een detailhandelaar in matrassen. Op grond van die overeenkomst hebben [appellanten] c.s. een deel van hun bedrijfspand ten behoeve van de handel van Matras Direct beschikbaar gesteld en werkzaamheden verricht in het kader van de verkoop van deze matrassen. Op enig moment is een geschil tussen [appellanten] c.s. en Matras Direct ontstaan over de nakoming van de financiële verplichtingen van Matras Direct tegenover [appellanten] c.s. 3.10 Op 15 augustus 2007 heeft de Rabobank een bezoek aan [appellanten] c.s. gebracht. In een brief van 16 augustus 2007 heeft de Rabobank aan [appellanten] c.s. laten weten dat voor een gezonde bedrijfsvoering de omzet en het verwachte resultaat nog steeds onvoldoende zijn. In de brief zijn ter bevestiging de volgende afspraken opgenomen: vóór 31 oktober 2007 moet duidelijk zijn of de onderneming wordt verkocht of dat het bedrijfspand (gedeeltelijk) aan derden wordt verhuurd; uiterlijk op 31 oktober 2007 zal de Rabobank de continuering van de huidige zakelijke financiering inclusief de overbruggingslening bezien; uiterlijk op 15 september 2007 levert [appellanten] c.s. de jaarcijfers over het boekjaar 2006 aan; het huidige kredietlimiet van € 90.000,- wordt voorlopig gehandhaafd. De Rabobank heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van [appellanten] c.s. de financiering uit te breiden en overstanden op de rekeningen toe te staan. Als reden voor die weigering heeft de Rabobank hun financiële situatie opgegeven. 3.11 In een brief van 20 november 2007 heeft de Rabobank [appellanten] c.s. geschreven dat ongeoorloofde debetstanden op rekeningen en kredieten zijn ontstaan en er een achterstand in de betaling van de rente en aflossingen is. De Rabobank heeft in een gesprek te kennen gegeven de huidige financiering niet te willen continueren. Aan [appellanten] c.s. is tot 31 december 2007 de gelegenheid gegeven de gehele financiering bij een andere bank onder te brengen. Als dat niet gebeurt, wordt “reeds nu voor alsdan” de financiering opgezegd. De brief luidt, voor zover van belang: “Reeds geruime tijd bent u in verzuim met de nakoming van uw financiële verplichtingen jegens onze bank. Uw betaalrekening onder nummer 3650.58.939 vertoont per heden een ongeoorloofde debetstand van € 404,11 en uw zakelijk krediet vertoont al geruime tijd een ongeoorloofde debetstand. De bank heeft deze ongeoorloofde debetstand deels ongedaan gemaakt door de rente van uw leningen terug te boeken. Hierdoor is momenteel een achterstand in de rente van 4 maanden. Ook met de aflossing van de overbruggingslening bent u in gebreke. (…) In uw gesprek met de heren [naam2] en [naam3] d.d. 15 oktober 2007 heeft u de bank aangegeven een deel van het bedrijfspand te verhuren. Op basis van uw plannen blijkt dat u de financieringsverplichtingen bij de bank niet kunt voldoen. In het gesprek is u aangegeven dat de bank de huidige financiering niet wenst te continueren op basis van de door u gekozen strategie. Teneinde te bezien of het mogelijk is om voor de gerezen problemen in gezamenlijk overleg een acceptabele oplossing te vinden, heeft u met de heren [naam2] en [naam3] de afspraak gemaakt om uiterlijk op 31-12-2007 uw gehele financiering bij een andere bank onder te brengen. Voor het geval u hieraan niet voldoet, zeg ik u bij deze reeds nu voor alsdan de verstrekte financiering – voor zover nodig – met onmiddellijke ingang op en sommeer ik u binnen drie weken aan onze bank te voldoen (…) € 605.100,46 te vermeerderen met de vooralsnog p.m. gestelde posten (…).” [appellanten] c.s. zijn er niet in geslaagd een andere financier te vinden. 3.12 In 2008 heeft de Rabobank met [appellanten] c.s. gecorrespondeerd. Deze correspondentie heeft als strekking dat [appellanten] c.s. zullen omkijken naar een andere financier, [appellanten] c.s. de lopende rente en de renteachterstanden zullen voldoen en de overstand op de rekening-courant zullen aanzuiveren. [appellanten] c.s. zijn er ook toen niet in geslaagd een andere financier te vinden. 3.13 Op 1 juli 2009 heeft de Rabobank aan de notaris opdracht gegeven een aan [appellanten] c.s. toebehorende vakantiewoning te veilen. In december 2009 heeft de Rabobank deze vakantiewoning verkocht voor een bedrag van € 33.000,-. De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik was door een door de Rabobank ingeschakelde makelaar geraamd op een bedrag van € 35.000,-. 3.14 De Rabobank heeft [appellanten] c.s. in de brief van 9 december 2009 laten weten dat de verkoopopbrengst van de vakantiewoning onvoldoende is geweest om de achterstanden te voldoen. De Rabobank heeft aangekondigd dat het bedrijfspand zal worden geveild. [appellanten] c.s. werden tot 1 januari 2010 in de gelegenheid gesteld het bedrijfspand tegen een reële marktprijs te verkopen. In verband met gesprekken van [appellanten] c.s. met Westerhoeve Beheer Groep (hierna: Westerhoeve) over verkoop van het bedrijfspand met de mogelijkheid tot huur en terugkoop heeft de Rabobank de werkzaamheden voor de veiling enige maanden opgeschort. 3.15 In de brief van 6 juli 2010 heeft de Rabobank de notaris verzocht de veiling van het bedrijfspand in gang te zetten. In de brief heeft de Rabobank een specificatie van de vordering van de Rabobank op [appellanten] c.s. gegeven, te weten (tenminste) € 612.834,83, waaronder de overbruggingslening van € 40.000,-. Voorts is in de brief opgenomen: “De bank heeft geen toestemming gegeven voor verhuur van de objecten. Wij weten echter dat de zoon in het pand een onderneming exploiteert.” 3.16 [naam1] is een samenwerking aangegaan met Matras Concurrent v.o.f. (hierna: Matras Concurrent). Daartoe is op 15 december 2010 een samenwerkingsovereenkomst getekend. Volgens deze samenwerkingsovereenkomst gebruikt Matras Concurrent voor onbepaalde tijd het bedrijfspand tegen betaling van een gebruikersvergoeding van € 2.715,-, incl. servicekosten en excl. btw per maand. Voorts is opgenomen dat de winst die zal worden gemaakt uit de verkoop van zaken vanuit het bedrijfspand onderling tussen partijen wordt verdeeld, te weten 50% voor Matras Concurrent en 50% voor [naam1] . 3.17 In de brief van 18 februari 2011 heeft de Rabobank [appellanten] c.s. bevestigd dat de vergoeding voor het beschikbaar stellen van het bedrijfspand aan Matras Concurrent zal worden gestort op een specifieke rekening bij de Rabobank. Voorts werd gemeld dat [appellanten] c.s. de Rabobank hebben laten weten dat door Matras Direct beslag op de huuropbrengst is gelegd en dat [appellanten] c.s. in een kort geding opheffing van de beslagen zullen vorderen. De Rabobank heeft laten weten dat een en ander aanleiding is de veiling van het bedrijfspand weer in gang te zetten. 3.18 Op 14 juli 2011 hebben derden ten laste van [naam1] executoriaal beslag op onder meer de woning gelegd. 3.19 De Rabobank heeft de voorzieningenrechter van de toenmalige rechtbank Assen verlof gevraagd, als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 BW, om het bedrijfspand onderhands te mogen verkopen conform de bij het verzoekschrift gevoegde koopovereenkomst van 6 juni 2011. In die koopovereenkomst is het bedrijfspand verkocht aan de heer [de executiekoper] (hierna: de executiekoper) voor een koopsom van € 280.100,- onder de opschortende voorwaarde dat de in artikel 3:268 lid 2 BW bedoelde rechterlijke goedkeuring onvoorwaardelijk zal worden. Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 19 juli 2011. Op die zitting hebben [appellanten] c.s. het voorstel gedaan dat zij aan de Rabobank een volmacht verlenen om hun woning te verkopen. De behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden teneinde de Rabobank in de gelegenheid te stellen zich over dit voorstel uit te laten. Op de vervolgzitting van 30 augustus 2011 heeft de Rabobank laten weten dat het voorstel van [appellanten] c.s. niet is geaccepteerd. Na de vervolgzitting van 30 augustus 2011 en kort vóór het geven van de beschikking door de rechtbank, hebben [appellanten] c.s. bij faxbericht van 12 september 2011 aan de voorzieningenrechter een hoger bod op het bedrijfspand, te weten € 290.000,- k.k., voorgelegd. Dit bod was afkomstig van Westerhoeve. Bij beschikking van 14 september 2011 heeft de voorzieningenrechter het door de Rabobank gevraagde verlof verleend. Het door [appellanten] c.s. nog aangedragen bod van Westerhoeve is volgens de voorzieningenrechter te laat ingediend en is door de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het verzoek niet betrokken. 3.20 Op de onderhandse executoriale verkoop van het bedrijfspand aan de executiekoper zijn de veilingvoorwaarden van toepassing. Daarin is onder meer opgenomen: “De uitoefening van de in artikel 3:264 van het Burgerlijk Wetboek vermelde bevoegdheid wordt aan de koper overgelaten.” 3.21 Bij notariële akte van 27 september 2011 is het bedrijfspand aan de executiekoper geleverd. In de notariële akte is onder meer opgenomen: “Voor zover aan verkoper bekend is het registergoed in gebruik bij rechthebbende en niet aan derden in huur of gebruik afgestaan. Voor het geval daar toch sprake van mocht zijn zal verkoper niet aansprakelijk zijn voor het bestaan van zo’n overeenkomst en voor de daaruit voortvloeiende gevolgen. Indien het registergoed in gebruik is en niet vrij van gebruik wordt geleverd, is het aan de koper om met de grosse van deze akte en op zijn kosten ontruiming van het registergoed te bewerkstelligen. De gewezen eigenaar is verplicht het verkochte te ontruimen.” 3.22 Toen de gebruikers van het bedrijfspand, [naam1] en Matras Concurrent, niet vrijwillig het bedrijfspand wilden ontruimen, heeft de executiekoper in kort geding gevorderd dat hem toestemming wordt gegeven het huurbeding in te roepen en dat Matras Concurrent en [naam1] worden veroordeeld het bedrijfspand te ontruimen. [naam1] en Matras Concurrent hebben verweer gevoerd en daarbij onder meer de stelling betrokken dat het bedrijfspand aan Matras Concurrent is verhuurd, dat de Rabobank met de eerdere verhuur aan Matras Direct had ingestemd, dat de samenwerkingsovereenkomst met Matras Concurrent aan de Rabobank is voorgelegd, de Rabobank met de verhuur aan Matras Concurrent heeft ingestemd en tot het executoriaal beslag op de huurpenningen door Matras Direct de huur van Matras Concurrent aan de Rabobank is overmaakt. De voorzieningenrechter van de rechtbank Assen heeft bij vonnis in kort geding van 8 november 2011 de vordering tot ontruiming toegewezen. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de executiekoper het huurbeding heeft ingeroepen en dat het inroepen van het huurbeding meebrengt dat daarmee strijdige rechtshandelingen worden vernietigd. Voor het antwoord op de vraag of het gebruik van het bedrijfspand door Matras Concurrent en [naam1] strijdig is met het huurbeding overweegt de voorzieningenrechter: “De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat dat gebruik alleen dan niet strijdig is met het huurbeding als de bank uitdrukkelijk schriftelijke toestemming heeft gegeven voor de gepretendeerde huurovereenkomst. Dat uitdrukkelijk toestemming daarvoor is verkregen is niet gesteld. Wat wel is gesteld is dat de bank heeft geweten van de verhuur en/of het gebruik van het pand en dat voor zover de bank niet heeft beoogd toestemming te geven, zij wel het vertrouwen heeft gewekt dat zij die toestemming heeft gegeven. Al wat aldus wordt gesteld en in dat verband tot het verweer wordt aangevoerd, geeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het juist gaat om uitdrukkelijke schriftelijke toestemming, waarvan niet is gebleken.” 3.23 In november 2011 is het bedrijfspand in opdracht van de executiekoper ontruimd. 3.24 Na de executoriale verkoop van het bedrijfspand bedroeg de zakelijke restantschuld van [appellanten] c.s. aan de Rabobank € 223.287,73 excl. rente en kosten. [appellanten] c.s. hebben over de zakelijke restantschuld geen rente meer betaald. 3.25 Op 18 januari 2012 is er tussen [appellanten] c.s. en de Rabobank overleg gevoerd over een herstructurering van het zakelijke deel van de financiering. In dit gesprek hebben [appellanten] c.s. aangegeven dat zij de Rabobank aansprakelijk houden voor de executoriale verkoop van het bedrijfspand en de daardoor ontstane restschuld aan de Rabobank. 3.26 In een brief van 26 januari 2012 heeft de Rabobank [appellanten] c.s. geïnformeerd dat de beslagleggers aandringen op executie van de verhypothekeerde woning. [appellanten] c.s. zijn in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 31 januari 2012 met de deurwaarder over het beslag een regeling te treffen. In een brief van 3 februari 2012 heeft de Rabobank aan [appellanten] c.s. de aan haar gedane mededeling van de deurwaarder bevestigd dat [appellanten] c.s. met de beslagleggers een betalingsregeling hebben getroffen. De deurwaarder heeft de Rabobank bij brief van 31 mei 2012 meegedeeld dat [appellanten] c.s. in het kader van de betalingsregeling met de beslagleggers geen enkele betaling hebben gedaan en dat de Rabobank de executie in gang kan zetten. De Rabobank heeft [appellanten] c.s. in haar brief van 6 juni 2012 geïnformeerd over de van de deurwaarder ontvangen informatie. De aan [appellanten] c.s. verstrekte financiering heeft de Rabobank in de brief van 20 juni 2012 met onmiddellijke ingang opgezegd en hen gesommeerd het volgens de Rabobank tenminste verschuldigde bedrag van € 390.481,64 te voldoen. 3.27 Om executoriale verkoop van hun woning te voorkomen, hebben [appellanten] c.s. de beslagleggers betaling van een bepaald bedrag aangeboden. Voor het kunnen doen van deze betaling waren [appellanten] c.s. afhankelijk van een verruiming van de kredietruimte bij de Rabobank. De Rabobank heeft [appellanten] c.s. op 10 september 2012 laten weten dat zij de verlangde kredietruimte niet wil geven. 3.28 Tussen 20 juni 2012 en 21 februari 2013 heeft de Rabobank diverse malen aan [appellanten] c.s. – onder voorwaarden – uitstel van executie gegeven. De Rabobank heeft hiermee aan [appellanten] c.s. de mogelijkheid geboden om hun woning onderhands te (doen) verkopen. [appellanten] c.s. hebben de Rabobank in die periode bij herhaling verzocht om de kredietlimiet weer op het oude niveau van ca € 4.800,- te stellen. Aan dit verzoek heeft de Rabobank geen gevolg gegeven. Tot een onderhandse verkoop van de woning is het niet gekomen. 3.29 De Rabobank heeft de executie van de beslagleggers overgenomen en aan de notaris opdracht gegeven om over te gaan tot executoriale verkoop van de woning. Hierover zijn [appellanten] c.s. op 29 november 2012 door de notaris geïnformeerd. De Rabobank heeft met een exploot van 18 januari 2013 de executie van de woning aangezegd tegen 21 februari 2013. 3.30 [appellanten] c.s. hebben bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, een kort geding aanhangig gemaakt om de executoriale verkoop van de woning te voorkomen. In deze kortgedingprocedure hebben zij gevorderd de Rabobank te veroordelen: I. tot herstel van het tussen partijen overeengekomen kredietmaximum tot een bedrag van € 4.087,-, althans een krediet te verstrekken van € 3.000,-; II. de voorgenomen executie van de woning te staken voor een periode van één maand nadat de Rabobank aan de vordering sub I heeft voldaan. In het vonnis van 20 februari 2013 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellanten] c.s. afgewezen. [appellanten] c.s. zijn van dit vonnis bij dit hof in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 23 juli 2013 is het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. 3.31 Op de op 21 februari 2013 gehouden executieveiling bedroeg het hoogste bod op de woning € 201.000,-. De Rabobank heeft de woning niet aan de betreffende aspirant-koper gegund, omdat dit bod ruimschoots onder de vrije verkoopwaarde van € 375.000,- lag, zoals deze bleek uit een in opdracht van de Rabobank opgemaakt taxatierapport en eveneens beneden een voorafgaand aan de veiling bij de veilingnotaris gedaan onderhands bod van € 250.000,-. 3.32 Op 26 februari 2013 heeft de Rabobank [appellanten] c.s. zes maanden de tijd gegeven om – onder voorwaarden – tot onderhandse verkoop van de woning te komen, waarna [appellanten] c.s. met deze op schrift gestelde voorwaarden hebben ingestemd, met de kanttekening dat wordt vastgehouden aan de eerder door hen gedane aansprakelijkstelling van de Rabobank. Een van de voorwaarden was dat [appellanten] c.s. een voor de Rabobank acceptabele NVM-makelaar zouden inschakelen. [appellanten] c.s. hebben nadien geen verkoopopdracht voor de woning aan een makelaar gegeven. 3.33 Per 13 juni 2013 hadden [appellanten] c.s. bij de Rabobank een renteachterstand van € 22.060,- en bedroeg de totale vordering van de Rabobank op [appellanten] c.s. € 399.264,-. 3.34 De door de Rabobank ingeschakelde notaris heeft [appellanten] c.s. bij brief van 19 september 2013 meegedeeld dat hij van de Rabobank opdracht heeft gekregen om over te gaan tot executoriale verkoop van de woning uit hoofde van het aan de Rabobank toekomende recht van eerste hypotheek op de woning. Bij exploot van 17 oktober 2013 is op verzoek van de Rabobank aan [appellanten] c.s. aangezegd dat de executieverkoop op 21 november 2013 zal plaatsvinden. Op de executieveiling is de woning verkocht voor een bedrag van € 216.000,-, welke koopprijs onder de notaris is voldaan. De notaris heeft de koopsom vervolgens op 8 januari 2014 aan de Rabobank overgemaakt. [appellanten] c.s. hebben de woning op 14 februari 2014 ontruimd. In de brief van 17 februari 2014 heeft de Rabobank aan de advocaat van [appellanten] c.s. meegedeeld op welke wijze en voor welk bedrag de verkoopopbrengst van de woning is aangewend en dat nog een schuld resteert van € 190.699,90. 3.35 [appellanten] c.s. hebben de Rabobank bij dagvaarding van 1 mei 2015 in een (eerste) bodemprocedure betrokken en een groot aantal vorderingen ingesteld. Bij vonnis van 4 februari 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen de vorderingen afgewezen. [appellanten] c.s. zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen, waarna dit hof bij arrest van 8 november 2016 het vonnis van de rechtbank heeft bekrachtigd. 3.36 Bij brief van 13 juni 2017 heeft de advocaat van [appellanten] c.s. de Rabobank aansprakelijk gehouden voor de schade die [appellanten] c.s. ten gevolge van het handelen van de Rabobank lijden en hebben geleden. Daartoe is aangevoerd dat de Rabobank ten onrechte bij brief van 6 december 2006 heeft verlangd dat het krediet van € 40.000,- vóór 31 december 2006 moest zijn afgelost, [appellanten] c.s. vanaf december 2006 verstoken zijn geweest van dienstverlening door de Rabobank en de Rabobank bij de executie van het bedrijfspand ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de beschikking van de voorzieningenrechter van 13 september 2011. Aan het slot van de brief behoudt [appellanten] c.s. zich uitdrukkelijk het recht voor nakoming te verlangen van de op de Rabobank rustende verbintenis tot betaling van schadevergoeding aan [appellanten] c.s. 3.37 In de brief van 16 juni 2017 heeft de advocaat van [appellanten] c.s. op de aansprakelijkheidstelling bij brief van 13 juni 2017 nog een nadere toelichting gegeven. In die nadere toelichting wordt aan de Rabobank ook het verwijt gemaakt dat de Rabobank bij de executie heeft aangegeven dat het inroepen van het huurbeding nog mogelijk was en dat de Rabobank na de executie de gegeven toestemming aan de verhuur heeft miskend. 4De vorderingen en beoordeling in eerste aanleg 4.1 Bij de rechtbank hebben [appellanten] c.s. twee hoofdvorderingen ingesteld. Allereerst hebben zij een verklaring ‘voor recht’ gevorderd dat de Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten, althans toerekenbaar onrechtmatig tegenover [appellanten] c.s. heeft gehandeld, in het bijzonder op basis van een vijftal onder a t/m e in de dagvaarding genoemde handelingen. Ten tweede hebben [appellanten] c.s. gevorderd de Rabobank hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 1.435.900,- vermeerderd met de wettelijke rente. Dit alles met veroordeling van de Rabobank in de proceskosten. 4.2 De rechtbank heeft geoordeeld dat dit hof in de eerste bodemprocedure tussen dezelfde partijen, op basis van dezelfde vordering, dezelfde grondslagen en hetzelfde feitencomplex bij arrest van 8 november 2016 beslissingen heeft gegeven. Aan de beslissingen in dat arrest kent de rechtbank gezag van gewijsde toe, zodat de rechtbank de vorderingen van [appellanten] c.s. in het vonnis van 3 oktober 2018 heeft afgewezen. [appellanten] c.s. zijn in de proceskosten veroordeeld. 5De beoordeling in hoger beroep de gewijzigde eis in hoger beroep 5.1 [appellanten] c.s. hebben in hoger beroep hun eis op enkele onderdelen gewijzigd. [appellanten] c.s. hebben gevorderd een verklaring voor recht dat de Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten, althans toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld op de gronden als vermeld in de dagvaarding en – in hoger beroep toegevoegd – in de overige processtukken van [appellanten] c.s.. Net als bij de rechtbank hebben [appellanten] c.s. in hoger beroep in het bijzonder gewezen op vijf gronden voor de aansprakelijkheid van de Rabobank, te weten: bij brief van 6 december 2006 zonder grond en onrechtmatig te eisen dat [appellanten] c.s. een krediet van € 40.000,- vóór 31 december 2006 dienden af te lossen; zonder grond en onrechtmatig bij brief van 20 november 2007 de totale financiering op te zeggen; voort te bouwen op deze opzegging van 20 november 2007 en in dit kader [appellanten] c.s. de redelijke dienstverlening waarop zij als cliënten aanspraak maakten, te ontzeggen; bij de executie van het bedrijfspand gebruik te maken van de beschikking van 14 september 2011, terwijl bij de totstandkoming hiervan in ernstige mate rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd; bij de executie van het bedrijfspand voor de executiekoper de mogelijkheid open te laten het huurbeding in te roepen, en zo te miskennen dat de Rabobank eerder al toestemming voor verhuur had gegeven en geen beroep op dit huurbeding meer kon doen. Voorts hebben [appellanten] c.s. gevorderd de Rabobank hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van alle door [appellanten] c.s. geleden en te lijden schade ‘als in goede justitie te begroten’ of de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Anders dan bij de rechtbank hebben [appellanten] c.s. in hoger beroep geen concreet schadebedrag gevorderd. [appellanten] c.s. hebben verder nog gevorderd dat de Rabobank c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] c.s. op basis van het te vernietigen vonnis van 3 oktober 2018 hebben betaald en met hoofdelijke veroordeling van de Rabobank c.s. in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen en vermeerderd met de wettelijke rente. 5.2 Tegen de gewijzigde eis hebben Rabobank c.s. geen bezwaar gemaakt en het hof is ambtshalve van oordeel dat de wijziging niet in strijd zijn met de goede procesorde. Het hof zal op de gewijzigde eis beslissen. klachten (grieven) 5.3 [appellanten] c.s. hebben tegen het vonnis van de rechtbank 4 grieven ontwikkeld, waarbij kennelijk per abuis de vierde grief is aangeduid met het romeinse cijfer “VI”. gezag van gewijsde 5.4 Voor de beoordeling van grief II stelt het hof het volgende voorop. Art. 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Dat is het gezag van gewijsde. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Heeft het andere geding (mede) betrekking op andere geschilpunten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschilpunten. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het nieuwe geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust. de eerste bodemprocedure 5.5 In de eerdere (eerste) bodemprocedure hebben [appellanten] c.s. bij het hof hun eis gewijzigd en 12 vorderingen, genummerd I t/m XII, ingesteld. In de kern genomen - en voor zover in deze procedure relevant - hebben [appellanten] c.s. in die eerste procedure het volgende gevorderd. [appellanten] c.s. hebben gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar tekort is geschoten in haar contractuele verplichtingen tegenover [appellanten] c.s., door:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.