Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001062-19 Uitspraak d.d.: 11 oktober 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2019 met parketnummer 18-198249-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-222754-16, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een taakstraf van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis, waarvan 75 uur voorwaardelijk, te vervangen door 37 dagen hechtenis, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf van dertig uren, met parketnummer 18-222754-16, zal worden toegewezen. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis, waarvan 75 uur voorwaardelijk, te vervangen door 37 dagen hechtenis, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 119,36, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Ten slotte heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf van dertig uren. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 28 september 2018 te en in de gemeente [gemeente] , openlijk, op of aan de [adres] , althans de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] , welk geweld bestond uit: - het hard duwen tegen het lichaam van die [benadeelde partij] ten gevolge waarvan deze op de grond is gevallen en/of - het meermalen, althans eenmaal met kracht stompen en/of slaan tegen het gezicht en/of het lichaam van die [benadeelde partij] ; 2.hij op of omstreeks 28 september 2018 te en in de gemeente [gemeente] , [benadeelde partij] heeft mishandeld door deze meermalen, althans eenmaal (hard) tegen het been en/of de knie te schoppen en/of te trappen. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Ter terechtzitting van het hof is door de verdediging met betrekking tot feit 1 primair aangevoerd dat verdachte niet heeft geslagen en gestompt. Verdachte gaf een duw, maar aangever viel niet op de grond als gevolg van deze duw. De duw die verdachte heeft gegeven is een onvoldoende significante bijdrage aan het geweld geweest. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken. Het hof stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder overweegt het hof dat op grond van deze bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast zijn komen te staan. Verdachte was op 28 september 2018 samen met [naam1] en de tweelingbroer van [naam1] in de stad. [naam1] heeft verklaard dat hij een bakje patat in zijn gezicht geduwd kreeg en dat hij van zich af heeft geslagen en geduwd. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij zich in een gevecht heeft gemengd en dat hij aangever een harde duw heeft gegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat aangever daardoor tegen de muur viel. Op grond hiervan staat voor het hof vast dat de verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandeling en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd. Daarmee is het verweer verworpen en komt het hof tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.hij op 28 september 2018 te [plaats] , openlijk, aan de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] , welk geweld bestond uit: - het hard duwen tegen het lichaam van die [benadeelde partij] ten gevolge waarvan deze is gevallen; 2.hij op 28 september 2018 te [plaats] , [benadeelde partij] heeft mishandeld door deze eenmaal (hard) tegen de knie te trappen. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw subsidiair met betrekking tot feit 1 betoogd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt en dat hij daarom ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. De vriend van verdachte, [naam1] , kreeg door aangever een gloeiend hete bak patat in zijn gezicht gedrukt. [naam1] reageert hierop door aangever van hem af te slaan. [naam1] verklaart daarnaast dat verdachte aangever een duw gaf om hem van [naam1] af te duwen. Dit was een typische verdediging van de vriend van verdachte, binnen de proportionaliteit en subsidiariteit, zodat verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een “ogenblikkelijke” aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Het hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten vast. Op 28 september 2018 rond 3.30 uur staat aangever in de [adres] te [plaats] een patatje te eten. Medeverdachte [naam1] pakt een patatje uit het pakje van aangever. Aangever maakt daarop kenbaar hier niet van gediend te zijn. Aangever duwt vervolgens het pakje patat in het gezicht van [naam1] , waardoor deze mayonaise in zijn ogen krijgt. [naam1] en verdachte hebben vervolgens beiden aangever weggeduwd, waardoor deze tegen de muur viel. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake was van een wederrechtelijke aanranding van [naam1] door aangever, waar verdachte zijn vriend [naam1] tegen mocht verdedigen. Het hof is van oordeel dat het handelen van verdachte noodzakelijk en proportioneel was. Daarbij heeft het hof betrokken dat verdachte aangever heeft geduwd als reactie op en ter afweer van het handelen van aangever. Het beroep op noodweer slaagt. Verdachte wordt daarom ontslagen van alle rechtsvervolging met betrekking tot feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.