Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001545-21 Uitspraak d.d.: 13 oktober 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel van 18 maart 2021 met parketnummer 08-275130-20 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter, bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en veroordeling van verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van jeugdreclasseringstoezicht en de maatregel Toezicht en Begeleiding, waaronder de maatregel ITB Criem, als bijzondere voorwaarden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. C. Verrillo, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De kinderrechter heeft bij vonnis van 18 maart 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een werkstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 15 uren, subsidiair 7 dagen jeugddetentie voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarden heeft de kinderrechter aan deze deels voorwaardelijke werkstraf verbonden dat verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding en zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding, waarvan 3 maanden de maatregel ITB Criem, zal melden bij de Jeugdbescherming Gelderland en zich zal houden aan de daaruit voortvloeiende afspraken. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat: primair: hij op of omstreeks 1 november 2020 te [plaats1] een of meerdere wapens van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere messen, zijnde voorwerpen/een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen voorhanden heeft gehad terwijl verdachte de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt; subsidiair: hij op of omstreeks 1 november 2020 te [plaats1] een of meerdere wapens van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere messen zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Verdachte wordt verweten dat hij een of meerdere wapens van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie (primair) voorhanden heeft gehad terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, dan wel (subsidiair) heeft gedragen. Verdachte heeft in eerste aanleg bekend dat hij twee messen bij zich heeft gedragen toen hij op 1 november 2020 door de politie werd aangehouden. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard de strafwaardigheid hiervan niet in te zien, nu het ging om twee keukenmessen en hij zich niet op de openbare weg bevond. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Verdachte is niet op de openbare weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats aangetroffen met de twee keukenmessen, maar in de keuken van de woning van een vriend. Dit kan niet tot een bewezenverklaring leiden van het tenlastegelegde. Het hof overweegt daartoe als volgt. Gelet op de aard van de voorwerpen – een vleesmes van 30 cm lang en een vleesmes van 18 centimeter lang, beide met een scherpe punt – en de omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen – direct voor het grijpen achter de broeksband van verdachte en in de jaszak van verdachte, die zich in een woning van een vriend bevond – is sprake van wapens waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze bestemd waren om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, als bedoeld in artikel 2, categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie, waarvan het voorhanden hebben verboden was, terwijl verdachte de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt. Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij één van deze messen vlak voor de komst van de politie in de keukenla van de woning van een vriend heeft gevonden en het andere mes op straat heeft gevonden niet geloofwaardig. Dit mede omdat de twee keukenmessen – blijkens de ter terechtzitting besproken foto's in het strafdossier – identiek zijn wat betreft de zwarte kleur, het zwartwit gespikkelde patroon en de vorm van het handvat. Gelet daarop acht het hof het aannemelijker dat de twee keukenmessen deel uitmaakten van één set of serie. Het verweer van de verdediging tot vrijspraak wordt verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: primairhij op 1 november 2020 te [plaats1] wapens van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten twee messen, zijnde voorwerpen waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen voorhanden heeft gehad terwijl verdachte de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft als minderjarige twee messen van categorie IV van de Wet wapens en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerd bezit van dergelijke messen brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.