← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:9902

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003312-20 Uitspraak d.d.: 14 oktober 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 september 2020 met parketnummer 18-164161-17 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en tot schuldigverklaring van verdachte zonder oplegging van een straf of maatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij voornoemd vonnis bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling en aan hem geen straf of maatregel opgelegd. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 4 augustus 2017 te [plaats] [naam1] heeft mishandeld door die [naam1] in het gezicht te slaan. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Verdachte heeft erkend dat hij [naam1] op 4 augustus 2017 te [plaats] in het gezicht heeft geslagen. Verdachte heeft echter aangevoerd dat hij handelde ter zelfverdediging. Het hof vat dit verweer op als een beroep op noodweer. Van noodweer is sprake indien het strafbare handelen was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het hof gaat bij de beoordeling van dit verweer uit van de volgende, aan de inhoud van het dossier ontleende, feiten en omstandigheden. Op 4 augustus 2017 rond etenstijd fietste [naam2] op de stoep langs de woning van verdachte net op het moment dat verdachte de stoep wilde oplopen. Verdachte is vervolgens achter [naam2] aangelopen. Zij woonde destijds twee huizen naast verdachte, in een studentenwoning. Zij parkeerde haar fiets in de voortuin van die studentenwoning. Verdachte is vervolgens in de ingang van de tuin gaan staan om [naam2] aan te spreken over het op de stoep fietsen. Er is toen een woordenwisseling ontstaan tussen verdachte en [naam2] . [naam1] , de vriend van [naam2] , bevond zich in de woning en is er ook bij komen staan. Op een gegeven moment heeft verdachte met zijn wijsvinger op de borst van [naam2] gedrukt. Verdachte heeft dit ontkend, maar het hof gaat op dit punt uit van de verklaring van [naam2] . Ook [naam1] heeft immers verklaard dat verdachte [naam2] aanraakte. Dat [naam1] heeft verklaard dat het om een harde duw onder haar nek ging, is voor het hof onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [naam2] zelf op dit punt. Hoewel het hof zich kan voorstellen dat deze actie van verdachte voor [naam2] onprettig kan zijn geweest, kan het handelen van verdachte naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een “ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding” omdat de verklaring van [naam2] op dit punt daarvoor geen aanknopingspunten biedt. De daarop volgende actie van [naam1] , te weten het met twee handen krachtig duwen van verdachte, was derhalve niet gerechtvaardigd en kan als een agressief te duiden handeling worden aangemerkt. Uit door verdachte overgelegde stukken blijkt dat verdachte een flinke blauwe plek aan die duw van [naam1] heeft overgehouden. Tegen die ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [naam1] mocht verdachte zich verdedigen. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat verdachte anders had kunnen en moeten handelen, namelijk de tuin uitgaan en weglopen, zodat hem geen beroep op noodweer toekomt. Het hof is echter van oordeel dat verdachte voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was de tuin te verlaten, nu hij door de actie van [naam1] in de hoek van de tuin de bosjes in werd geduwd. Het daarop volgende handelen van verdachte, te weten het éénmaal slaan in het gezicht van [naam1] met open hand, kan voorts niet als disproportioneel worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op noodweer, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak van verdachte van het tenlastegelegde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. G.A. Versteeg en mr. M.B. de Wit, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier, en op 14 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.