GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.291.209/01 CJIB-nummer : 228536169 Uitspraak d.d. : 20 oktober 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2021, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 6 oktober
- De betrokkene is niet verschenen.De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] . De beoordeling
- Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 september 2018 om 14.58 uur op de Grote Beer in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij voert aan dat het verkeerslicht tot ruimschoots voorbij de stopstreep geel licht uitstraalde; hij reed dus niet door rood. De betrokkene reed door het gele licht omdat er een busje zeer dicht achter hem reed. Om de verkeersveiligheid te bevorderen besloot hij bij geel door te rijden. Daarnaast wordt aangevoerd aan dat de ambtenaar vanuit zijn positie (links van het kruispunt) het voor de betrokkene geldende verkeerslicht niet heeft kunnen zien. De ambtenaar heeft verklaard dat hij onderzoek op het kruispunt heeft gedaan, maar dat is niet waar. De ambtenaar heeft helemaal niet gewacht om te kijken hoe de verkeerslichten reageren, hij is direct gekeerd en weggereden. Verder wijst de betrokkene erop dat hij in zijn binnenspiegel heeft gezien dat het voor de ambtenaar geldende verkeerslicht op groen sprong nadat hij de bocht naar links al had gemaakt. De betrokkene vraagt zich af of zijn woord minder waard is dan het woord van de ambtenaar. Tot slot wordt opgemerkt dat de ambtenaar tijdens de staandehouding erg onvriendelijk en gestrest was en niet bereid was te luisteren. De betrokkene voelde zich daardoor gekleineerd.
- De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 62 in verbinding met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990).
- Artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in: “Bij driekleurige verkeerslichten betekent: a. groen licht: doorgaan; b. geel licht: stop: voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan; c. rood licht: stop.’’
- De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Stond met dienstmotorvoertuig als 1e voor de verkeerslicht op de Hoofdweg bij de kruising Grote Beer te Rotterdam. Verbalisant had al 2 seconden groenlicht en zag dat betrokkene nog vanaf de Grote Beer de Hoofdweg opreed. Na onderzoek op de kruising zag verbalisant dat de kruising na roodlicht nog 2 seconden ontruimingstijd. De betrokkene kon dus niet door het groene of gele verkeerslicht zijn gereden. (…) Opmerkingen ambtenaar 1: met betrokkene ontstond een discussie hierbij was betrokkene zeer recalcitrant. (…) Verklaring betrokkene: Ik wil eigenlijk niks verklaren. Oh ja zet er maar op dat ik door het oranje licht reed.”
- De betrokkene ontkent door rood licht te zijn gereden. Onder verwijzing naar wat het hof heeft overwogen in zijn arrest van 13 juni 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:4941, is het hof van oordeel dat in een situatie als deze, waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht, door de ambtenaar zal moeten worden vastgesteld dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest alvorens een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd.
- De ambtenaar zal daarbij moeten vermelden hoe hij dat heeft vastgesteld, bijvoorbeeld door direct na de waarneming ter plaatse te controleren hoe de lichten zijn afgesteld of door te vermelden wat daarover uit de technische gegevens van de betreffende verkeersregelinstallatie blijkt.
- In dit geval heeft de ambtenaar verklaard dat uit onderzoek op de kruising is gebleken dat na rood licht er twee seconden ontruimingstijd is en dat de betrokkene om die reden niet door het groene of gele verkeerslicht kan zijn gereden. De ambtenaar heeft daarbij echter niet aangegeven wanneer dit onderzoek heeft plaatsgevonden, zodat niet duidelijk is of zijn conclusie ook geldt voor het tijdstip van de gedraging. Gelet op het verweer van de betrokkene, in het bijzonder zijn stelling dat de ambtenaar ter plaatse geen onderzoek heeft verricht maar direct is gekeerd en is weggereden, had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen om hierover navraag te doen. Het hof ziet geen aanleiding om in deze fase van de procedure de ambtenaar nog om nadere informatie te verzoeken.
- Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Dit brengt mee dat de overige bezwaren van de betrokkene geen bespreking meer behoeven. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond; vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voornoemd CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd; bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd. Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.