Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002574-19 Uitspraak d.d.: 18 oktober 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 mei 2019 met parketnummer 08-020990-19 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. K. Kok, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Standpunt raadsman De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vervolging. De raadsman heeft hiertoe – kort samengevat en zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat onder meer [verbalisant] voor het politiebureau poseert met de Duitse verdachten. Zij zijn herkenbaar en van een aantal van hen zijn de gegevens genoteerd. Niet ter discussie staat dat beide groepen geweld hebben gebruikten. Het is onbegrijpelijk waarom de Duitse verdachten niet zijn aangehouden, gehoord en vervolgd. Bovendien zijn ook andere bij de Zwolse groep behorende personen die betrokken waren bij de vechtpartij niet vervolgd. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waarom die verdachten niet zijn vervolgd. De raadsman heeft in dit verband verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4424. Daarnaast is tevens sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de andere “Zwollenaren” die niet zijn vervolgd. Dat verdachte wel wordt vervolgd is in strijd met het verbod van willekeur. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal stelt dat er geen sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is. Het Openbaar Ministerie komt een ruime bevoegdheid toe te beslissen wie voor welke feiten wel of niet wordt vervolgd. Het Openbaar Ministerie heeft geen verplichting om andere betrokkenen bij een strafbaar feit ook te vervolgen. De rechter kan slechts zeer beperkt toetsen. De politie herkent verdachte en een drietal medeverdachten. Bij de politie zijn ook een aantal Duitse personen geweest, waarvan de namen zijn genoteerd, maar deze personen zijn niet bij de politie bekend. Herkenning op basis van de beelden is lastig. Ook is voorstelbaar dat niet alles uit de kast wordt getrokken om een enkele Duitser te achterhalen en te vervolgen. De beslissing om alleen deze verdachte en drie medeverdachten te vervolgen is te billijken. Oordeel hof Het hof overweegt hiertoe als volgt. De discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie om tot vervolging van een verdachte over te gaan, kan worden beperkt door de werking van de beginselen van een goede procesorde, het gelijkheidsbeginsel daaronder begrepen. Het hof is van oordeel dat ter zake van de openlijke geweldpleging niet eenvoudig valt vast te stellen of sprake is geweest van andere gevallen waarin de relevante feitelijke omstandigheden gelijk waren aan die in de onderhavige zaak. Het enkele feit dat in de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat andere personen niet zijn vervolgd, staat aan vervolging van verdachte dan ook niet in de weg gelet op de ruime discretionaire bevoegdheid van het openbaar ministerie. Bovendien is voldoende aannemelijk geworden dat de officier van justitie, op basis van de waardering van de op dat moment aan hem bekende informatie, een bewuste keuze heeft gemaakte tegen welke personen hij verdere vervolging zou instellen. Het hof heeft daarbij betrokken dat het ging om de aanhouding van meerdere verdachten waarvan vervolging in het algemeen belang in de rede lag, terwijl niet onmiddellijk voldoende duidelijk was wat de ernst van de verdenkingen tegen de andere personen was, noch hoe de persoonlijke omstandigheden moesten worden beoordeeld. Het hof is dan ook van oordeel dat op basis van hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet (voldoende) aannemelijk is geworden dat in het onderhavige geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden en/of dat er sprake is van willekeur. Feiten of omstandigheden die het hof tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aannemelijk geworden. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gezegd dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot de bestreden vervolgingsbeslissing had kunnen komen. Hierbij merkt het hof ten overvloede nog op dat het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen de verdachte (vgl. ECLI:NL:HR:2014:286). Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden, die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 26 mei 2018, te Laag Zuthem, gemeente Raalte, althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, "de Zuthemerweg", in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publieke toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een (of meer) "supporters" van voetbalclub [naam vereniging 1] , althans enig Duitse voetbalclub, althans tegen een (of meer) onbekend gebleven pers(o)n(en), welk geweld bestond uit het - (georganiseerd) aanvallen van en/of indringen op bovengenoemde perso(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.