← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:9963

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001246-21 Uitspraak d.d.: 26 oktober 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 9 maart 2021 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-218757-19 en 05-241774-20, 05-259945-20, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003, wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft de verdachte ter zake van -kort gezegd- poging doodslag, tweemaal mishandeling, medeplegen van diefstal met geweld en opzetheling veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 185 dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en oplegging van de maatregel van plaatsing van verdachte in een richting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis daarom bevestigen. Het hof vult daarbij de gronden ten aanzien van de strafmotivering aan. Aanvulling van gronden In het ‘Uitkomsten actualisatie onderzoek en advies’ van 20 september 2021 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) in afwijking van zijn eerdere advies het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd. Op dat moment verbleef verdachte in een open instelling van [naam instelling] , omdat sprake leek van (voorzichtig) positieve ontwikkelingen in zijn gedrag. Verdachte leek bereid te zijn mee te werken aan een vorm van therapie en hij is aangemeld voor een schoolopleiding. Gezien deze op dat moment actuele ontwikkelingen achtte de Raad het eerder gegeven advies tot oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet langer passend. Dat advies was destijds vooral ingegeven door de wijze waarop verdachte zich verzette tegen behandeling, waarbij hij agressief gedrag liet zien naar zijn toenmalige begeleiding in het kader van zijn gesloten plaatsing. Op 5 oktober 2021 heeft de Raad het bovengenoemd onderzoek en advies herzien in verband met actuele veranderingen in verdachtes gedrag. Uit het gesprek van de raadsonderzoeker met de jeugdreclassering op 4 oktober 2021 is gebleken dat de begeleiders van [naam instelling] het gedrag van verdachte negatief hebben zien veranderen. Verdachte houdt zich niet aan afspraken en stelt zich zelfbepalend op. Ook heeft hij zich tweemaal agressief opgesteld naar de begeleiders. Verdachte zou gezegd hebben dat hij niets hoeft te leren en dat hij alleen bij [naam instelling] is omdat het moet en dat hij verder niets wil. Daardoor is het vermoeden ontstaan dat verdachte zich inhoudt omdat hij een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel boven zijn hoofd heeft hangen. Verdachte vraagt niet om hulp of ondersteuning. Dit maakt dat [naam instelling] heeft aangegeven dat zij van de crisisplek van verdachte geen reguliere plaatsing zullen maken. Doordat verdachte naar de jeugdreclassering een ander verhaal heeft, lijkt verdachte zich sociaal wenselijk op te stellen waarbij zijn doel is om zo snel mogelijk weer thuis te kunnen wonen, aldus de raadsonderzoeker. Gelet hierop overweegt de Raad dat het in verband met de ontwikkeling van verdachte en de veiligheid van anderen wenselijk is om hem continuïteit in behandeling en een motiverende behandelsetting binnen een JJI aan te bieden zodat de kans op positieve resultaten van zijn behandeling zullen toenemen. De Raad adviseert thans het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, omdat er aan de kant van verdachte geen sprake is van intrinsieke behandelmotivatie, hij geen probleembesef heeft, niet beschikt over zelfinzicht en de kans op geweldsherhaling groot is. Ter zitting van het hof van 12 oktober 2021 heeft [naam raadsonderzoeker] verklaard dat de Raad geen alternatieven meer ziet voor het opleggen van een onvoorwaardelijk PIJ-maatregel. Voor verdachte is het kader, de beveiliging en de structuur van een PIJ-maatregel nodig om tot ontwikkeling te komen. [medewerker Jeugdzorg] , jeugdzorgwerker bij de [naam stichting] , heeft ter zitting van het hof verklaard dat de afgelopen tijd gebleken is dat verdachte slechte keuzes maakt wanneer hij meer vrijheid krijgt. Daarnaast zijn er in de drie weken voorafgaand aan de zitting meer incidenten geweest waarbij verdachte zich agressief heeft gedragen. Ook is hij in de week voor de zitting betrapt met lachgas en kan hij door een incident bij zijn ouders thuis niet meer naar huis. Op de vraag van de raadsvrouw of verdachte anders dan in het kader van een PIJ-maatregel terecht kan in een gesloten instelling, heeft [medewerker Jeugdzorg] verklaard dat dat een gepasseerd station is. Voor de ontwikkeling van verdachte heeft ook zij geadviseerd om verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Het hof heeft kennisgenomen van de eerder genoemde rapporten en standpunten en heeft deze, samen met de informatie die zich reeds in het dossier bevindt, in zijn beoordeling betrokken. Het hof komt, met aanvulling van de gronden van de strafmotivering, tot dezelfde straf en maatregel zoals opgelegd door de rechtbank. Derhalve wordt het vonnis met aanvulling van gronden bevestigd. Het voorwaardelijke verzoek tot nader onderzoek naar plaatsing van verdachte in een gesloten instelling, anders dan in het kader van een PIJ-maatregel, behoeft geen verdere bespreking nu het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk acht in het licht van de noodzakelijke ontwikkeling van verdachte. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter, mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels en mr. O.O. van der Lee, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J. de Paauw - de Jong, griffier, en op 26 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.