GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 21/01665 uitspraakdatum: 22 november 2022 Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 15 oktober 2021, nummer UTR 20/4106, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.
- De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waardes van drie onroerende zaken te [woonplaats] , [adres1] 49, [adres2] 24A en [adres3] 297 (hierna: de woningen) per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op respectievelijk € 266.000, € 258.000 en € 343.
- Tegelijk met deze beschikkingen zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) 2020 vastgesteld. 1.
- Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november
- Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] , namens de heffingsambtenaar. 2Vaststaande feiten 2.
- Belanghebbende is eigenaar van de woningen, welke in gebruik zijn voor kamerverhuur. 2.
- [adres1] 49 is een in 1926 gebouwde rijwoning met dakkapel met een gebruiksoppervlakte van 378 m2 en een kavel van 128 m
- 2.
- [adres2] 24A is een in 1928 gebouwde hoekwoning met een berging, een gebruiksoppervlakte van 385 m2 en een kavel van 150 m
- 2.
- [adres3] 297 is een in 1932 gebouwde rijwoning met een berging en dakkapellen, een gebruiksoppervlakte van 443 m2 en een kavel van 167 m
- 3Geschil 3.
- In geschil zijn de waardes van de woningen op de waardepeildatum 1 januari
- 3.
- Belanghebbende bepleit waardes van € 199.000 ( [adres1] 49), € 189.000 ( [adres2] 24A) en € 249.000 ( [adres3] 297) en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de bij beschikking vastgestelde waardes en de aanslagen OZB
- 3.
- De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de waardes van € 266.000 ( [adres1] 49), € 258.000 ( [adres2] 24A) en € 343.000 ( [adres3] 297) niet te hoog zijn vastgesteld en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil 4.
- Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger het object in de staat waarin dat zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn besteed. 4.
- Belanghebbende bepleit gemotiveerd lagere waardes dan door de heffingsambtenaar zijn vastgesteld. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waardes niet te hoog zijn. De vraag of de heffingsambtenaar in deze bewijslast is geslaagd moet worden bezien in het licht van hetgeen belanghebbende daartegenover heeft aangevoerd. 4.
- Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waardes verwijst de heffingsambtenaar naar drie taxatiematrices, waarin de waardes van de woningen zijn getaxeerd op respectievelijk € 266.000 ( [adres1] 49), € 258.000 ( [adres2] 24A) en € 343.000 ( [adres3] 297) naar waardepeildatum en toestandsdatum 1 januari
- Op basis van de vergelijkingsmethode zijn drie panden, alle te [woonplaats] , als referentieobject voor alle drie de woningen gebruikt. Daarbij is rekening gehouden met kwaliteit (K), onderhoud (O), uitstraling (U), doelmatigheid (D) en voorzieningen (V) van de woningen en de referentieobjecten. Object Bouw-jaar K O U D V Opstal GO (m2) Prijs per m2 (€) Perceel (m²) Prijs perceel (€) Bijgebouwen WOZ/Koopsom (€) Datum koopcontract [adres1] 29 1926 3 2 3 3 2 378 505 128 69.760 Dakkapel € 5.000 266.000 [adres2] 24A 1928 3 2 3 3 2 385 444 150 81.750 Berging € 5.000 258.000 [adres3] 297 1932 3 2 3 3 2 443 541 167 87.921 Berging € 5.000 Dakkapellen € 10.000 343.000 [adres4] 30 1932 3 3 3 3 3 400 554 183 93.729 Berging € 5.000 RvO 7.900 333.500 15-02-2019 [adres5] 283 1925 3 3 3 3 3 321 1015 281 137.652 Dakkapellen € 10.000 Tuinhuis € 500 Berging € 11.000 452.000 03-07-2018 [adres6] 124 1931 3 3 3 3 2 327 608 313 133.296 Dakkapel € 5.000 Berging € 5.000 Atelier € 21.600 350.100 29-08-2018 4.
- Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank in de onderdelen 5 tot en met 8 van haar uitspraak op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen. Het Hof maakt deze overwegingen tot de zijne en voegt daar het volgende aan toe. 4.
- Belanghebbende heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de waardes van de woningen respectievelijk € 199.000 ( [adres1] 49), € 189.000 ( [adres2] 24A) en € 249.000 ( [adres3] 297) moeten zijn. Hierbij heeft belanghebbende eerst ter zitting van het Hof de stelling betrokken dat de in de matrices opgenomen uitsplitsing van de koopsom en de wijze van berekening onjuist zijn en dat er rekenfouten in staan. Het Hof acht deze eerst ter zitting van het Hof ingenomen stelling van belanghebbende tardief. Belanghebbende had deze stelling eerder in de stukken naar voren kunnen en moeten brengen, zodat de wederpartij daarop had kunnen reageren. Belanghebbende heeft niet aan kunnen geven waarom deze stelling niet eerder is betrokken. Anders dan belanghebbende stelt, kan deze stelling niet gelezen worden in de algemene bewoordingen van punt
- van de pinpointbrief van 30 september
- 4.
- De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de gemachtigde van belanghebbende misbruik van procesrecht maakt door het indienen van slechts algemene beroepsgronden en daarmee de goede procesorde verstoort en verzoekt het Hof belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank in de onderdelen 10 en 11 van haar uitspraak op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen dat geen aanleiding bestaat tot het veroordelen van belanghebbende in de proceskosten. Het Hof maakt deze overwegingen tot de zijne. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 november
- De griffier, Het lid van de enkelvoudige belastingkamer (A. Vellema) (A.E. Keulemans) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 november
- Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.