Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004439-21 Uitspraak d.d.: 30 november 2022 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 oktober 2021 met parketnummer 18-168276-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003, wonende te [woonplaats] , [adres] hierna te noemen: verdachte. Het hoger beroep Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 november 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering houdt in dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd door de rechtbank. De advocaat-generaal heeft daarnaast gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partijen volledig zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft ook kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.A.M. Kwakman, naar voren is gebracht. Tevens heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door mr. M.R.M. Schaap namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij voornoemd vonnis veroordeeld tot een jeugddetentie van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering, meewerken aan diagnostiek en ambulante behandeling, een alcohol- en drugsverbod, meewerken aan controles hierop, een contactverbod met aangever [benadeelde 1] en het volgen van onderwijs of meewerken aan andere dagbesteding. Daarnaast heeft de rechtbank beslist op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 27 juni 2021 te [pleegplaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (motor)benzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan een schuur aan [adres] geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de schuur, de zich daarin bevindende goederen en/of belendende groenvoorzieningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor de in de naastgelegen woning en/of omliggende woningen/gebouwen aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de naastgelegen woning en/of omliggende woningen/gebouwen aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 27 juni 2021 te [pleegplaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine, ten gevolge waarvan een schuur aan [adres] gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de schuur, de zich daarin bevindende goederen en belendende groenvoorzieningen en levensgevaar voor de in de naastgelegen woning aanwezige personen, te duchten was. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft zich op 27 juni 2021 schuldig gemaakt aan het opzettelijk in brand steken van een grote schuur in zijn woonplaats [woonplaats] . Verdachte was daarbij onder invloed van alcohol. De schuur stond op slechts enkele meters afstand van een bedrijfspand met daarin een woning. In de woning lagen op het moment van de brand meerdere personen te slapen. De schuur is volledig in vlammen opgegaan. Het is te danken aan de inzet van de brandweer dat de brand niet is overgeslagen naar de woning. Er is niet alleen gevaar voor goederen ontstaan maar ook levensgevaar voor de in de woning aanwezige (slapende) personen. Het had zomaar nog veel erger kunnen aflopen. Dit is een zeer ernstig feit. Niet alleen heeft verdachte de slachtoffers grote financiële schade bezorgd, maar ook een groot gevoel van onveiligheid. Uit de op de zitting van het hof voorgedragen slachtofferverklaring van één van de slachtoffers blijkt dat de negatieve gevolgen van de brand tot op de dag van vandaag voortduren en een grote impact hebben op het leven van de slachtoffers. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 17 oktober 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. Wel is verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs Het hof heeft ook de adviezen van de reclassering die zich in het dossier bevinden in aanmerking genomen. Uit het reclasseringsadvies van [reclasseringswerker 1] , als reclasseringswerker verbonden aan Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, van 9 september 2021 komt het volgende naar voren. Verdachte is in de afgelopen jaren een aantal malen in aanraking gekomen met politie waarbij melding werd gemaakt van overmatig alcoholgebruik. Er is sprake van een aantal risicofactoren bij verdachte: onvoldoende copingvaardigheden ten aanzien van emotieverwerking en agressiedoorbraken, met name onder invloed van overmatig alcoholgebruik, en zijn denkpatronen en gedrag (soms bagatelliserend). In aanloop naar het tenlastegelegde zou verdachte al een aantal jaren in onmin leven met een zoon van aangever die, zo’n twee weken voor de brandstichting, een bierflesje tegen het hoofd van verdachte gegooid zou hebben. Het motief voor de brandstichting zou wraak op de zoon van aangever zijn. Er is echter ook sprake van beschermende factoren: verdachte heeft een vmbo-diploma, hij getuigt van een positieve instelling ten aanzien van werken, er lijken geen problemen te spelen ten aanzien van drugsgebruik en hij komt uit een stabiel gezin dat hem steunt. De reclassering adviseert om ten aanzien van verdachte, die net 18 jaar oud was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde, het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering baseert dit op de volgende factoren: verdachte kon zich in de korte periode van preventieve hechtenis in de JJI moeilijk staande houden, verdachte woont nog thuis en ontvangt bij diverse taken nog praktische ondersteuning van zijn ouders of andere volwassenen. Er is derhalve sprake van pedagogische beïnvloeding. Voor wat betreft de strafoplegging adviseert de reclassering een voorwaardelijke gevangenisstraf (het hof begrijpt: jeugddetentie) en een onvoorwaardelijke werkstraf, met oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij jeugdreclassering; meewerken aan ambulante behandeling bij Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) of een soortgelijke zorgverlener; een alcohol- en drugsverbod en meewerken aan controles daarop; een contactverbod met aangever; meewerken aan dagbesteding/volgen van onderwijs. Verdachte moet volgens de reclassering werken aan het verkrijgen van inzicht in zijn denk- en gedragspatronen in combinatie met alcoholgebruik om de kans op recidive te verminderen. Dit zal aandacht krijgen binnen een behandeling bij VNN. Gelet op het slachtofferbelang acht de reclassering een contactverbod met aangever geïndiceerd. Binnen een voorwaardelijk kader kan de jeugdreclassering onderzoek doen naar welke vorm van herstelbemiddeling er eventueel kan worden ingezet. Op de zitting van het hof is door [reclasseringswerker 2] van de jeugdreclassering verklaard dat verdachte inmiddels in behandeling is bij VNN. Er is al veel veranderd bij verdachte, maar verdachte is er nog niet. De heer [reclasseringswerker 2] acht een nieuwe detentie onwenselijk omdat daarmee de behandeling bij VNN wordt doorkruist en er feitelijk na detentie weer vanaf nul zal moeten worden gestart. Het hof stelt vast dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten meerderjarig was. Uitgangspunt is dat op een verdachte die ten tijde van het strafbare feiten meerderjarig is, het meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast, tenzij het hof in bijzondere omstandigheden aanleiding ziet daarvan af te wijken en op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. Hiertoe kan het hof beslissen op grond van de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Met in achtneming van het advies van de reclassering, waaruit blijkt dat verdachte nog niet is uitgerijpt en er nog pedagogische beïnvloeding plaatsvindt, zal het hof, evenals de rechtbank, het jeugdstrafrecht toepassen. De verdediging heeft het hof verzocht om aan verdachte een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, voor de duur van zijn voorarrest, in combinatie met een maximale werkstraf. Daarbij is door de verdediging onder meer aangevoerd dat verdachte zijn verblijf in JJI [justitiële jeugdinrichting] als traumatisch heeft ervaren. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de gevolgen van het feit voor de slachtoffers, kan naar het oordeel van het hof echter niet worden volstaan met oplegging van een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest. Het hof acht oplegging van een jeugddetentie van 18 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Deze straf is conform de eis van advocaat-generaal. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen, evenals de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, waarbij het hof zich heeft gerealiseerd dat de VNN-behandeling (mogelijk) zal moeten worden onderbroken. Het hof zal daarbij het advies geven om de tenuitvoerlegging van het nog resterende deel van de onvoorwaardelijke jeugddetentie (circa 4,5 maand) te laten plaatsvinden in de Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd (KVJJ) [locatie] in [plaats] . Verdachte heeft het laatste deel van het voorarrest ook in KVJJ [locatie] verbleven en op de zitting van het hof heeft verdachte aangegeven dat het daar wel goed met hem ging. Het hof adviseert daarnaast om gedurende de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie, uitgaande van een plaatsing in KVJJ [locatie] , de behandeling die verdachte thans ondergaat bij VNN (zo mogelijk) door te laten gaan. Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] , bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot materiële schade. Deze bedraagt € 359.092,94, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en daarbij de vordering verlaagd tot een bedrag van € 213.517,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.