GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.311.235 (zaaknummer rechtbank 531066) beschikking van 1 december 2022 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] , thans gedetineerd in de PI [verblijfplaats] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. D.G. Nagel te Almere, en [verweerster] , wonende te [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. A.M.B. Leerkotte te Utrecht. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 februari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 mei 2022; - het verweerschrift met één productie; - een journaalbericht van mr. Leerkotte van 27 oktober 2022 met één productie. 2.2 Op 31 oktober 2022 hebben de hierna nader te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met een raadsheer van het hof, in het bijzijn van de griffier, gesproken. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 3 november 2022 plaatsgevonden. De moeder heeft verzocht om gescheiden van de vader te worden gehoord. Van de moeder die lijdt aan PTSS (een posttraumatische stress-stoornis) als gevolg van een poging van de vader om haar van het leven te beroven - voor welk feit de vader strafrechtelijk is veroordeeld - kan niet worden gevergd dat zij samen met de vader in de zittingszaal plaatsneemt. Het hof heeft dit verzoek toegewezen. De mondelinge behandeling heeft eerst plaatsvonden in aanwezigheid van: - de advocaat van de vader; - de moeder, met haar advocaat en - een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder ook te noemen: de raad); en daarna in aanwezigheid van: - de vader, met zijn advocaat; - de advocaat van de moeder en - de raad. 3De feiten Partijen zijn de ouders van: - [de minderjarige1] , geboren [in] 2006 te [plaats1] en - [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 te [plaats1] , over wie de moeder - sinds de bestreden beschikking - alleen het gezag uitoefent. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - onder meer - op verzoek van de moeder de vader het recht op omgang met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ontzegd en bepaald dat artikel 1:377b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), buiten toepassing blijft zodat de moeder niet gehouden is om informatie over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te verstrekken aan de vader dan wel de vader te raadplegen over beslissingen over hen. Ook heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van de kinderen afgewezen. 4.2 De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt in zijn beroepschrift het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen: I. dat er tussen de kinderen en hem een contactregeling wordt vastgesteld inhoudende dat hij en de kinderen gerechtigd zijn om: a. eenmaal per maand telefonisch of via beeldbellen contact met elkaar te hebben, op nader vast te stellen dagen en tijdstippen; b. eenmaal per maand gerechtigd zijn om een kaart, foto en videobestand met elkaar uit te wisselen; c. dan wel een contactregeling vast te stellen die het hof in het belang van de kinderen acht; II. dat hij gerechtigd is om omgang te hebben met de kinderen eenmaal in de zes weken, te weten op de door de PI georganiseerde Ouder-Kind dagen; III. dan wel een omgangs- en contactregeling vast te stellen die het hof dan wel de raad juist acht; IV. dat er een informatieregeling wordt vastgesteld, waarbij de moeder één keer per maand gehouden zal zijn hem te informeren over de ontwikkelingen van de kinderen, alsmede zij één keer per maand een goed gelijkende kleurenfoto van de kinderen aan hem dient te overleggen, dan wel een informatieregeling vast te stellen die het hof dan wel de raad juist acht; V. kosten rechtens. 4.3 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader de in het beroepschrift opgenomen verzoeken gewijzigd in die zin dat hij het hof primair verzoekt om een contact- en informatieregeling voor beide kinderen vast te stellen en subsidiair alleen voor [de minderjarige2] . De vader verzoekt meer subsidiair, voor zover het hof de omgang zou ontzeggen, om de omgang te ontzeggen voor de duur van maximaal twee jaar. Verder heeft de advocaat namens de vader een verzoek gedaan om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht te stellen. Ook heeft de advocaat namens de vader betoogd dat een bijzondere curator moet worden benoemd. 4.4 De moeder voert verweer en zij vraagt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. De moeder voert verder aan - zo begrijpt het hof - dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot ondertoezichtstelling, omdat dit niet in het petitum van het beroepschrift staat. 5De motivering van de beslissing Ondertoezichtstelling 5.1 Het hof oordeelt dat de vader ontvankelijk is in het verzoek tot ondertoezichtstelling. Op grond van artikelen 362 en 278, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vermeldt het beroepschrift een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop dit berust. De vader heeft een grief geformuleerd tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling. Ook heeft hij in het beroepschrift onderbouwd waarom hij het niet eens is met deze beslissing. Het hof is van oordeel dat - hoewel het verzoek niet in het petitum staat - het verzoek en de gronden in het beroepschrift duidelijk zijn omschreven. Voor de moeder was dit ook duidelijk, aangezien zij in haar verweerschrift op de grief en de gronden heeft gereageerd. Hiermee is ook voldaan aan de eisen van hoor en wederhoor op grond van artikel 19 Rv. Het hof komt vervolgens toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek. 5.2 Op grond van het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen. 5.3 Het hof zal het verzoek van de vader afwijzen. Het hof is van oordeel dat - hoewel er bij de kinderen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging - er geen sprake is van de situatie waarin de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] of de moeder die het gezag uitoefent, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Het hof acht de moeder bereid en in staat om hulp in te schakelen en te accepteren om de bedreiging weg te nemen. De moeder heeft dit al laten zien door de inzet van speltherapie voor de kinderen bij [naam1] . Het hof volgt dan ook niet de stelling van de vader dat de moeder niet in staat is om hulp te accepteren. Uit het eindverslag van de speltherapie dat door de moeder aan het hof is overgelegd blijkt dat de kinderen baat hebben gehad bij deze hulp: [de minderjarige1] heeft meer rust in zijn hoofd en denkt minder aan moeilijke situaties, [de minderjarige2] is niet meer vaak boos en voelt zich op haar plek op school. Beide kinderen zitten lekkerder in hun vel. Ook is met de moeder besproken dat de kinderen, hoewel de speltherapie nu is afgesloten, altijd weer bij [naam1] terecht kunnen. Hieruit volgt dat de moeder - als dat weer noodzakelijk zou zijn - de mogelijkheid heeft om deze hulp wederom in te schakelen. Bijzondere curator 5.4 De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat bij de aanstelling van een bijzondere curator, deze een keer per (half) jaar gesprekken met de kinderen (of in ieder geval met [de minderjarige2] ) kan voeren om te bespreken of er behoefte is aan contact met de vader en wat er nodig is om contact te hebben. Ook kan de bijzondere curator er toezicht op houden dat - als de kinderen contact willen - zij hierin ondersteund worden en hierbij zo nodig hulp wordt gezocht. 5.5 Volgens artikel 1:250 BW kan de rechter overgaan tot benoeming van een bijzondere curator als hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht vanwege strijdigheid tussen de belangen van de minderjarige en die van de met het gezag belaste ouder. De rechter kan dit op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve doen. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke benoeming is aangewezen, zal het belang van de minderjarige de eerste overweging voor de rechter moeten vormen. De rechter heeft bij beantwoording van de vraag of de benoeming van een bijzondere curator nodig is, een grote mate van beoordelingsvrijheid. 5.6 Het hof zal geen bijzondere curator benoemen. Het hof is van oordeel dat de benoeming van een bijzondere curator belastend is voor de kinderen, en niet in hun belang. Het hof volgt hierin het advies van de raad. De kinderen hebben als gevolg van het door de vader gepleegde strafbare feit een zeer onrustige tijd achter de rug. Zij zaten slecht in hun vel, konden moeilijk over het gebeurde praten en hun schoolprestaties gingen achteruit. In verband hiermee heeft de moeder de kinderen aangemeld voor speltherapie bij [naam1] . De kinderen hebben deze therapie gevolgd en recent afgerond. Het was niet gemakkelijk voor de kinderen en zij hebben hiervoor eerst een vertrouwensband moeten opbouwen met de speltherapeut. Het hof vindt het niet in het belang van de kinderen wanneer zij nu opnieuw - met een andere professional in de vorm van een bijzondere curator - een vertrouwensband moeten opbouwen en in gesprek moeten. De kinderen zijn nu juist gebaat bij rust. Daarbij is het hof van oordeel dat niet uit de (toelichting op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.