GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.266.854/01 en 200.266.856./01 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 158819 en 161462) beschikking van 29 november 2022 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. J. Miedema te Heerenveen, en [verweerder] , wonende te [woonplaats1] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. S. Vaupell te Wolvega Als overige belanghebbende voor wat betreft de bijdrage in kosten van levensonderhoud vanaf 24 september 2021 is aangemerkt: [de jong-meerderjarige] , wonende te [woonplaats1] , verder te noemen: [de jong-meerderjarige] . 1Het verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Voor het verloop van het geding tot 25 februari 2020 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: een journaalbericht namens de vrouw van 11 maart 2020 met bijlage(n); het verweerschrift namens de man, tevens incidenteel beroepschrift met bijlage(n); een journaalbericht namens de man van 28 mei 2020 met bijlage(n); een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep namens de vrouw met bijlage(n); een brief namens de man van 22 oktober 2020; een brief van [de jong-meerderjarige] van 23 juni 2021; een journaalbericht namens de man van 18 november 2021 met bijlage(n); een journaalbericht namens de vrouw van 19 november 2021 met bijlage(n); een journaalbericht namens de man van 23 november 2021 met bijlage(n); een verweerschrift namens [de jong-meerderjarige] , tevens inhoudend een zelfstandig verzoek, met bijlage(n). 1.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 november 2021. Daarbij zijn de vrouw en de man verschenen, elk bijgestaan door haar/zijn advocaat. [de jong-meerderjarige] is daarbij niet verschenen. Hij heeft de vrouw gemachtigd om in deze procedure voor hem op te treden. Deze machtiging is tijdens de zitting bij het hof door mr. Miedema overgelegd. Mr. Miedema heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Na de mondelinge behandeling hebben partijen, na diverse aanhoudingen op hun verzoek, tevergeefs getracht overeenstemming te bereiken, waarna de man het hof heeft verzocht een beschikking te geven. 2De feiten 2.1 De man en de vrouw zijn [in] 2000 met elkaar gehuwd na op 29 mei 2000 huwelijksvoorwaarden te zijn overeengekomen. Zij zijn de ouders van [de jong-meerderjarige] , geboren [in] 2003. [de jong-meerderjarige] woont bij de vrouw 2.2 De man heeft op 22 december 2017 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. Het huwelijk van partijen is ontbonden op 23 september 2019 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 juni 2019 in de registers van de burgerlijke stand. 2.3 Bij beschikking van 6 januari 2021 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, uitvoerbaar bij voorraad, de volgende zorgregeling vastgesteld tussen [de jong-meerderjarige] en de man: [de jong-meerderjarige] is elke twee weken tien nachten bij de vrouw en vier nachten bij de man. de even weken is hij de hele week bij de vrouw; de oneven weken van maandag na school tot donderdag voor school is [de jong-meerderjarige] bij de vrouw en van donderdag na school tot maandag voor school bij de man. In de oneven weken gaat [de jong-meerderjarige] op donderdag tussen 16.00 – 17.00 uur (voor het avondeten) naar de man en de maandag daarna om 13.00 uur (na de lunch) naar de vrouw; De vakanties worden gelijkelijk verdeeld. Tijdens de korte vakanties (die van één week) is hij drieënhalve dag bij de vrouw en drieënhalve dag bij de man; de langere vakanties van twee weken is hij één week bij de vrouw en één week bij de man; de zomervakantie wordt verdeeld in twee weken bij de vrouw, twee weken bij de man, één week bij de vrouw en één week bij de man; de kerstvakantie dient om en om bij de ene of de andere ouder te beginnen, zodat [de jong-meerderjarige] het ene jaar met kerst bij de ene ouder is en het volgend jaar met kerst bij de andere ouder, en de jaarwisseling idem; de verjaardagen van [de jong-meerderjarige] , ouders en grootouders regelen de ouders en/of [de jong-meerderjarige] zelf. 2.4 In de huwelijkse voorwaarden is voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Algehele uitsluiting Artikel 1. 1. Tussen de echtgenoten bestaat de gemeenschap van: a. het woonhuis met garage, erf en tuin aan de [adres1] te [plaats1] , kadastraal bekend [gemeente] sectie [A] nummer [nummer1] , groot twee are tweeënzestig centiare; b. de inboedel in de zin van artikel 4:899b van het Burgerlijk Wetboek; c. een hypothecaire schuld krachtens geldlening aan [de bank1] U.A., gevestigd te [plaats1] , lening [nummer2] . 2. Elke andere gemeenschap wordt uitgesloten.” […] “Verrekening van inkomsten […]Artikel 10. Geen verrekening heeft plaats: […]c. indien een echtgenoot surséance van betaling heeft, in staat van faillissement verkeert of verkeerd heeft, terwijl het faillissement op andere wijze dan door homologatie van accoord is geëindigd, en deze echtgenoot op grond van de verrekening een vordering op de andere echtgenoot zou verkrijgen;” […] “Afrekening aan het einde van het huwelijk Artikel 13 1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of indien de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet meer duurzaam samenwonen, heeft ieder van de echtgenoten het recht om te vorderen dat er een verrekening plaatsvindt, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest indien er de algehele gemeenschap van goederen tussen hen had bestaan. Geen verrekening heeft plaats ten aanzien van goederen, die door de echtgenoten krachtens erfstelling, legaat of schenking zijn of zullen worden verkregen, en van de op die verkrijgingen drukkende schulden, de wegens die verkrijgingen geheven belastingen als successie-, schenkings- en overgangsrecht daaronder begrepen, met dien verstande, dat de inkomsten uit die goederen en de renten van die schulden, alsmede de kosten en lasten die uit die inkomsten plegen te worden voldaan, wel in de verrekening zullen worden betrokken. In geval van overlijden worden de vermogens zodanig verrekend dat artikel 13 Successiewet 1956, of een daarvoor in de plaats komende regeling, niet van toepassing zal zijn. 2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van het overlijden van een echtgenoot, of van de in lid 1 bedoelde gebeurtenis. 3. Voor wat betreft de waardering der goederen, de vorm van de handeling, de personen die tot de verrekening moeten meewerken, en de oplossing van zwarigheden, geschiedt deze verrekening op dezelfde wijze als voor de verdeling van een nalatenschap is voorgeschreven. 4. Ingeval gewichtige redenen zich tegen prompte voldoening verzetten zullen de echtgenoten een redelijke betalingsregeling - al of niet met zekerheidsstelling - treffen, waarbij de belangen van beiden in acht genomen worden. 5. Geen verrekening vindt plaats indien een situatie als bedoeld in artikel 10 letter c bestaat. Slotverklaringen De aanbreng van partijen is vermeld op twee staten die aan deze akte worden gehecht.” 3De omvang van het geschil 3.1 Bij de bestreden beschikking van 5 juni 2019 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, beslissingen genomen met betrekking tot de door de man aan de vrouw voor [de jong-meerderjarige] te betalen kinderalimentatie alsmede de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden wat betreft de verdeling van de voormalige echtelijke woning, de verrekening van de Volkswagen Polo, de verrekening van de op de peildatum aanwezige banksaldi, de verdeling van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken en het meer of anders verzochte voor zover dat betrekking heeft op de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden afgewezen. Verder heeft de rechtbank de beslissing betreffende de zorgverdeling aangehouden. 3.2 De vrouw is het niet eens met de bestreden beschikking en heeft met 22 grieven (waaronder drie verschillende grieven 1) hoger beroep ingesteld. Haar grieven zien op de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de zorgverdeling (grieven 1 tot en met 3), de kinderalimentatie (grief 4), de partneralimentatie (grief 5), de afwikkeling huwelijkse voorwaarden (grieven 6 tot en met grief 18, alsmede de tweede grief 1 en de derde grief 1) en de pensioenverevening (grief 19). Grief 20 is een verzamelgrief. Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek voor zover dat ziet op de zorgregeling en op de pensioenverevening ingetrokken, zodat zij het hof verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad opnieuw beschikkende: 1. de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de jong-meerderjarige] te bepalen op € 750,- per maand; 2. de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie te bepalen op € 2.700,- per maand; 3. de voormalige echtelijke woning aan de [adres2] te [woonplaats1] aldus te verdelen, dat deze (althans het aandeel van de man daarin) aan de vrouw wordt toegedeeld, uitgaande van een waarde van de woning van € 555.000,-, op voorwaarde dat de vrouw in staat is de waarde van het aandeel van de woning van de man aan hem te voldoen of met hem te verrekenen; 4. ( zo begrijpt het hof) de man te veroordelen om binnen twee weken na de te geven beschikking, een specifieke beschrijving en opgave te geven met betrekking tot de te verrekenen goederen en vermogensbestanddelen, inclusief de vennootschappen, ondernemingen, deelnemingen, opties en aandelen van de man zelf over de periode 2014 tot datum ontbinding huwelijk, dan wel over een door het hof te bepalen periode, zoals nodig ter uitvoering van de in artikel 13 van de akte huwelijksvoorwaarden bedoelde en door de vrouw verzochte verrekening; 5. met veroordeling van de man om binnen twee weken na betekening van de te geven beschikking de vrouw alle jaarverslagen vanaf 1 januari 2015 van zijn ondernemingen en vennootschappen te geven en in het geding te brengen inclusief (zo begrijpt het hof) de onderlinge stukken daarvan als belastingaangiften en -aanslagen, bankafschriften, etc. over de periode vanaf 2015 tot datum ontbinding huwelijk, dan wel over een door het hof te bepalen periode; 6. waarbij de man een dwangsom is verschuldigd van € 500,-- , dan wel een door het hof te bepalen dwangsom, voor elke dag of per andere tijdseenheid dat de man in gebreke is te voldoen aan het verstrekken van informatie/overleggen van stukken als hiervoor onder 4. en 5. is gesteld; 7. een of meer onafhankelijke deskundigen te benoemen met de opdracht een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar (zo begrijpt het hof) de waarde van de in het kader van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden te verrekenen vermogensbestanddelen per datum verdeling, dan wel per de door het hof nader te bepalen datum; 8. de verrekening en afrekening tussen partijen vast te stellen overeenkomstig artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden, dan wel het door de man aan de vrouw te betalen bedrag in het kader van die afwikkeling huwelijksvoorwaarden; 9. subsidiair de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden en de verdeling van de huwelijksgemeenschap (voor zover aanwezig) en de eenvoudige gemeenschappen en gemeenschappelijke goederen vast te stellen, overeenkomstig de standpunten van de vrouw. 3.3 De man voert verweer en heeft op zijn beurt met 3 grieven (die zien op de afwikkeling huwelijkse voorwaarden) incidenteel hoger beroep ingesteld. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vrouw op alle punten af te wijzen en verder: - de man ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken; - de aflossingen aan de echtelijke woning na de peildatum aan de man toe te kennen en na datum inschrijving van de echtscheiding de vrouw te verplichten een vergoeding van € 500,- per maand te betalen voor het gebruik van de woning; - de vrouw te verplichten mee te werken aan de verkoop van de echtelijke woning onder verbeurte van een direct opeisbare boete van € 1.500,- per maand, althans onder verbeurte van een door het hof te bepalen boete, voor elke maand dat de vrouw in gebreke is; - de rekening-courantschuld van de bv van de man op het privévermogen van partijen te verdelen bij verkoop woning zoals is omschreven in punt 22 onder het incidenteel hoger beroep; - ( het hof begrijpt) de verzoeken van de man toe te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van deze procedure. 3.4 [de jong-meerderjarige] heeft eveneens verweer gevoerd tegen het principaal hoger beroep, voor zover dat ziet op de bijdragen van de man en de vrouw in de kosten van studie en levensonderhoud vanaf zijn achttiende verjaardag en verzoekt het hof te bepalen dat met ingang van 24 september 2021, of met ingang van een door het hof te bepalen datum: - de man een bedrag van € 490,- per maand, dan wel een door het hof te bepalen bedrag, als bijdrage in de kosten van zijn studie en levensonderhoud dient te voldoen; - de vrouw een bedrag van € 60,- per maand, dan wel een door het hof te bepalen bedrag, in de kosten van zijn studie en levensonderhoud dient te voldoen; - telkens door de man en de vrouw bij vooruitbetaling (voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken) aan hem te voldoen; - althans een beslissing te nemen die het hof juist acht. 3.5 De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep van de man en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel verzoek in hoger beroep, dan wel dit verzoek af te wijzen. 4De motivering van de beslissing In principaal hoger beroep 4.1 Het hof zal de overgebleven geschilpunten betreffende de door de man te betalen bijdrage voor [de jong-meerderjarige] , de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden in de genoemde volgorde bespreken. De door de man te betalen bijdrage voor [de jong-meerderjarige] (grief 4 van de vrouw) 4.2 Het hof zal een onderscheid maken tussen enerzijds de behoefte van [de jong-meerderjarige] en de draagkracht van de ouders in 2019 ( [de jong-meerderjarige] was toen minderjarig) en anderzijds de behoefte van [de jong-meerderjarige] en de draagkracht van de ouders vanaf [in] 2021 (de datum waarop [de jong-meerderjarige] meerderjarig is geworden). Behoefte minderjarige [de jong-meerderjarige] en draagkracht ouders 4.3 Het hof stelt vast dat geen van partijen heeft gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde behoefte van € 896,57 van [de jong-meerderjarige] in 2019, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Verder constateert het hof dat de vrouw in haar beroepschrift weliswaar verzoekt om een kinderalimentatie voor [de jong-meerderjarige] van € 750,- per maand, maar in dat kader uitsluitend grieft tegen de door de rechtbank gehanteerde zorgkorting van 35%. Zij heeft geen grieven aangevoerd tegen de door de rechtbank becijferde draagkracht van de man. De man heeft blijkens zijn verweer de vierde grief van de vrouw ook opgevat als uitsluitend gericht tegen de zorgkorting en heeft op dat punt verweer gevoerd. Pas in een zeer laat stadium van de procedure, namelijk in een bij journaalbericht van 19 november 2021 overgelegde brief, is de vrouw nader ingegaan op de berekening van de kinderalimentatie en op de draagkracht van partijen. Zij heeft toen pas voor het eerst diverse alimentatieberekeningen overgelegd waarin voor de man een hoger inkomen wordt gehanteerd. Gelet op dit late tijdstip waarop de vrouw haar verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie nader heeft uitgewerkt, zonder daarbij aan te geven waarom zij kennelijk alsnog wenst te grieven tegen de door de rechtbank vastgestelde draagkracht van de man, zal het hof in het kader van een goede procesorde, de grief van de vrouw uitsluitend beoordelen op het punt van de zorgkorting (grief 4). Immers, het op deze wijze uitbreiden van de omvang van het geschil over de kinderalimentatie is in strijd met de zogenoemde tweeconclusieleer. Het hof ziet geen reden om een uitzondering te maken op deze in beginsel strakke regel omdat de vrouw op geen enkele wijze heeft toegelicht waarom zij deze grieven niet eerder in het hoger beroep heeft aangevoerd, of heeft kunnen aanvoeren Het hof zal dan ook niet overgaan tot beoordeling van de draagkracht van de man. Zorgkorting 4.4 De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een zorgkorting van 35%, omdat volgens haar ten onrechte ervan uit wordt gegaan dat [de jong-meerderjarige] gemiddeld drie dagen per week bij de man verblijft, terwijl er sprake was van een voorlopige uitbreiding van de zorgregeling, waarvoor een korte duur beoogd is. 4.5 De man stelt dat de rechtbank heeft besloten dat de voorlopige omgangsregeling wordt uitgebreid en heeft bepaald dat er na de echtscheiding sprake dient te zijn van gelijkwaardig ouderschap. Partijen wonen dicht bij elkaar en [de jong-meerderjarige] kan zelfstandig tussen zijn ouders heen en weer fietsen. [de jong-meerderjarige] is wekelijks vanaf donderdag 17.00 uur het hele weekend bij de man. Hij gaat pas op maandag terug naar de vrouw. De man vindt dat de rechtbank terecht is uitgegaan van een zorgkorting van 35%. 4.6 Het hof is van oordeel dat in het licht van de door de rechtbank vastgestelde ruime zorgregeling zoals die is uitgevoerd en zoals ter zitting bij het hof is besproken, door de vrouw onvoldoende is onderbouwd waarom een zorgkorting van 35% niet passend is. Gelet hierop faalt de vierde grief van de vrouw. 4.7 Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking wat betreft de door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie zal bekrachtigen voor zover die ziet op de periode van de minderjarigheid van [de jong-meerderjarige] (tot 24 september 2021). Behoefte van meerderjarige [de jong-meerderjarige] 4.8 Met ingang [in] 2021 is [de jong-meerderjarige] meerderjarig. Ter vaststelling van de door de ouders te betalen bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud zal het hof daarom overeenkomstig de normen van de Expertgroep Alimentatie vanaf die datum uitgaan van de norm voor een thuiswonende MBO-student en de behoefte van [de jong-meerderjarige] met ingang van die datum bepalen op (afgerond) € 536,- per maand. Draagkracht van partijen 4.9 Het hof zal ter bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van haar loonstrook uit 2021, zoals door haar als productie 11 is overgelegd bij journaalbericht van 19 november 2021. Volgens de aan deze beschikking gehechte berekening A. leidt dit tot een draagkracht aan de zijde van de vrouw van € 185,- per maand. 4.10 Bij de bepaling van de draagkracht van de man zal het hof uitgaan van een DGA-salaris van de man van € 47.000,-, waarbij rekening wordt gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2.702,- op jaarbasis. Evenals de rechtbank, zal het hof dit salaris niet corrigeren met opnames in rekening-courant door de man, omdat die opnames geen inkomen vormen. Dit leidt volgens de aan deze beschikking gehechte berekening B. aan de zijde van de man tot een draagkracht van € 594,- per maand. Verdeling kosten [de jong-meerderjarige] 4.11 De gezamenlijke draagkracht van de ouders is € 779,- per maand. Elke ouder dient naar rato van zijn draagkracht zijn of haar bijdrage te voldoen. Met verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening C. becijfert het hof het aandeel van de man in de behoefte van [de jong-meerderjarige] op 594/779 x € 536 = (afgerond) € 409,- per maand en het aandeel van de vrouw op 185/779 x € 536,- = (afgerond) € 127,- per maand. [de jong-meerderjarige] is meerderjarig. Daarom wordt er overeenkomstig de normen van de Expertgroep Alimentatie geen rekening meer gehouden met een zorgkorting. Omdat [de jong-meerderjarige] heeft verzocht de door de vrouw te betalen bijdrage te bepalen op € 60,- per maand, kan het hof geen hoger bedrag opleggen dan € 60,- per maand. Voor de man komt de bijdrage uit op € 409,- per maand. Nu dit bedrag het verzoek van [de jong-meerderjarige] niet overstijgt zal het hof betaling van dit bedrag aan de man opleggen. Partneralimentatie (grief 5 van de vrouw) Ingangsdatum 4.12 De vrouw heeft in hoger beroep om een partneralimentatie verzocht zonder een ingangsdatum daarvoor te noemen. De man heeft zich niet uitgelaten over een ingangsdatum. Blijkens de beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 19 september 2018 zijn partijen toen overeengekomen dat de man de woonlasten voor de door de vrouw bewoonde voormalige echtelijke woning in plaats van partneralimentatie betaalt. Ter zitting bij het hof is gebleken dat de man zich nog steeds aan die afspraak houdt. Gelet hierop ziet het hof aanleiding om de datum van deze beschikking als ingangsdatum te hanteren voor de te bepalen partneralimentatie. Huwelijksgerelateerde behoefte 4.13 De vrouw heeft aanvankelijk aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte haar behoefte niet heeft bepaald conform haar behoeftelijst. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat kan worden uitgegaan van de hofnorm voor de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte. 4.14 De hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. Nu beide partijen daarmee instemmen, zal het hof ter bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte uitgaan van de hofnorm. 4.15 De man heeft betoogd dat bij toepassing van de hofnorm kan worden aangesloten bij de berekening van de rechtbank van het netto besteedbaar gezinsinkomen (gemaakt ten behoeve van de kinderalimentatie). De vrouw heeft dit niet weersproken, zodat het hof die berekening zal volgen. 4.16 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de huwelijkse samenleving (in 2017) bepaald op € 5.594,- per maand ter bepaling van de behoefte van [de jong-meerderjarige] . Na aftrek van de kosten van [de jong-meerderjarige] van € 866,- per maand resteert een bedrag van € 4.728,-, zodat de behoefte van de vrouw uitkomt op 60% van dit bedrag, te weten op (afgerond) € 2.837,-. Met inachtneming van de wettelijke indexering leidt dit tot een netto behoefte op de ingangsdatum van (afgerond) € 3.160,- per maand. Aanvullende behoefte/behoeftigheid 4.17 De vrouw heeft verzocht om een partneralimentatie van € 2.700,- per maand. De man vindt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien. Gezien de leeftijd van [de jong-meerderjarige] kan zij volgens de man in elk geval meer dan de drie dagen die zij nu werkt, werken en haar verdiencapaciteit beter benutten. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw altijd drie tot vier dagen gewerkt. 4.18 De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij werkt als consultant (in de GXP), medicijnonderzoek doet, en software en hardware valideert volgens bepaalde normen. Zij werkte tijdens het huwelijk ook altijd drie dagen per week en heeft in 2015 een burn-out gehad, waarna bij haar diabetes is geconstateerd. Zij werkt veel in de Randstad, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg, wat veel reistijd tot gevolg heeft. Zij heeft toegelicht waarom zij niet volledig kan thuiswerken. De man erkent dat de vrouw aan diabetes lijdt, maar betwist dat zij daarom niet meer uren kan werken. Zij heeft tijdens corona veel thuisgewerkt. 4.19 Blijkens de overgelegde jaaropgaven van 2018 tot en met 2020 waren de verdiensten van de vrouw over die jaren min of meer stabiel. Uit de meest recente loonstrook van de vrouw (van oktober 2021) leidt het hof af dat de vrouw ook in 2021 nog 24 uren per week werkt. Het hof is van oordeel dat wat de vrouw heeft aangevoerd, onvoldoende is om haar verdiencapaciteit te beperken tot een inkomen op basis van een 24-urige werkweek. Niet is gebleken dat de vrouw niet in staat is om haar verdiencapaciteit meer te benutten en haar werkzaamheden uit te breiden naar een inkomen op basis van bijvoorbeeld 32 uur per week. De door de vrouw genoemde burn-out was in 2015, wat inmiddels zeven jaar geleden is. Niet is gebleken dat de vrouw daar thans nog hinder van ondervindt. Verder is [de jong-meerderjarige] inmiddels meerderjarig en verblijft hij veel bij zijn vader, zodat de zorg voor [de jong-meerderjarige] niet langer een belemmerende factor is. Evenmin is met stukken onderbouwd of anderszins gebleken dat haar diabetes daaraan in de weg staat. Gelet op deze omstandigheden, het arbeidsverleden van de vrouw ten tijde van het huwelijk, het tijdsverloop sindsdien en de krapte op de huidige arbeidsmarkt, acht het hof het redelijk van de vrouw te verwachten dat zij haar werkzaamheden uitbreidt naar vier dagen per week. Daarom zal het hof, uitgaande van de loonstrook van oktober 2021 het inkomen van de vrouw omrekenen naar een inkomen op basis van een 32-urige werkweek. Op basis van de aan deze beschikking gehechte berekening D. becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op de ingangsdatum op € 2.212,- per maand. Gezien de behoefte van de vrouw van € 3.160,- netto per maand, betekent dit dat de vrouw niet volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en maandelijks netto € 948,- te kort komt. Daarmee komt haar aanvullende behoefte neer op bruto € 1.845,- per maand, zoals volgt uit de aan deze beschikking gehechte berekening D. Draagkracht van de man 4.20 Het hof zal ter bepaling van de draagkracht van de man niet uitgaan van een inkomen van € 55.489,- zoals de vrouw kennelijk wenst, maar van zijn bruto DGA-salaris van € 47.000,-, welk (basis)inkomen de vrouw niet heeft betwist. Het hof zal dit inkomen niet verhogen met opnames in rekening-courant door de man zoals de vrouw voorstaat, omdat die opnames geen inkomen vormen. De vrouw heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de man zich structureel een hoger inkomen (salaris of dividend) uit zijn onderneming kan toekennen. Het hof houdt (evenals de vrouw in haar berekening) rekening met een huur van € 800,- per maand en met € 160,- premie ziektekostenverzekering. Verder houdt het hof rekening met de door de man als DGA verschuldigde premie inkomensafhankelijke Zorgverzekeringswet en met zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige] van € 409,- per maand. In de berekening laat het hof de niet door de man bewoonde voormalige echtelijke woning buiten beschouwing, gelet op het feit dat de ingangsdatum van de partneralimentatie gelijk is met die van de hierna te melden gebruiksvergoeding en het hof ervan uit gaat dat deze laatste vergoeding eventuele lasten met betrekking tot die woning aan de zijde van de man compenseert. Dit leidt tot een netto draagkracht bij de man van € 115,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op een bedrag van € 182,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte berekening E. Het hof zal bepalen dat de man dit bedrag met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud. Afwikkeling huwelijksvoorwaarden Peildatum omvang en waardering te verrekenen vermogen (grief 6 van de vrouw) 4.21 De vrouw heeft aangevoerd dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank het huwelijk nog niet was ontbonden, zodat de rechtbank, zo begrijpt het hof, ten onrechte is uitgegaan van de peildatum voor de vaststelling van het te verrekenen vermogen van 22 december 2017. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat partijen feitelijk op 15 februari 2018 uit elkaar zijn gegaan, omdat de man toen de sleutel van de vakantiewoning heeft gekregen. De man heeft gesteld dat de rechtbank terecht is uitgegaan van 22 december 2017 als peildatum. Partijen zijn met kerst gescheiden en zijn nadien niet meer bij elkaar geweest. Hij heeft nog een poosje in de boot geslapen en is omstreeks februari 2018 in een vakantiewoning getrokken. 4.22 Het hof maakt uit grief 6 van de vrouw op dat zij artikel 13 lid 1 van de akte huwelijksvoorwaarden leest als: het huwelijk is ontbonden (datum ontbinding huwelijk). Naar het oordeel van het hof is deze lezing onjuist. Artikel 13 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden bevat een finaal verrekenbeding voor het geval het huwelijk wordt ontbonden of de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet meer duurzaam samenleven. Uit lid 2 van artikel 13 volgt dat de verrekening plaats vindt naar de toestand ten tijde van de in lid 1 genoemde gebeurtenis: de datum waarop het huwelijk wordt ontbonden of de datum waarop partijen anders dan in onderling overleg niet meer duurzaam samenwonen. Dat het huwelijk wordt ontbonden is het gevolg van de indiening van het echtscheidingsverzoek op 22 december 2017. Hieruit volgt dat 22 december 2017, welke datum bovendien ook zo goed als samenvalt met het verbreken van de samenleving, als peildatum dient te worden aangemerkt voor de bepaling van de omvang en waardering van het te verrekenen vermogen. De voormalige echtelijke woning (grieven 7, 8, 9, tweede grief 1 van de vrouw) 4.23 Op de zitting bij het hof hebben partijen bevestigd dat de woning in [woonplaats1] in de plaats is gekomen van de woning die in de huwelijkse voorwaarden is vermeld. In artikel 1 is voor zover hier relevant opgenomen: Tussen de echtgenoten bestaat de gemeenschap van: a. het woonhuis met garage, erf en tuin aan de [adres1] te [plaats1] ; [….] een hypothecaire schuld krachtens geldlening aan [de bank1] U.A., gevestigd te [plaats1] , lening [nummer2] . Het hof maakt hieruit op dat beide partijen zich op het standpunt stellen dat zij destijds met de huwelijkse voorwaarden hebben beoogd dat ook de echtelijke woning die in de plaats zou komen van de woning in [plaats1] , in dit geval de woning te [woonplaats1] met de daaraan verbonden hypothecaire lening, behoort tot de beperkte gemeenschap als bedoeld in het hiervoor genoemde artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden. Hieruit volgt dat de woning in [woonplaats1] niet moet worden verrekend, maar verdeeld en dat een beslissing over de (aflossing van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.